Oefentoets Biologie: Genetica - stambomen | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 42 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

42

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Genetica

Vier stambomen.
Zie figuur B 497 van de bijlage.

De tekeningen geven vier stambomen weer. In elke stamboom is sprake van een andere erfelijke eigenschap.
Elke erfelijke eigenschap is met een bepaalde arcering aangegeven.
In de stambomen hebben geen mutaties plaatsgevonden.

Bij welke stamboom kan dan met zekerheid gezegd worden dat het allel voor de desbetreffende eigenschap dominant is?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 485 van de bijlage.

De stamboom heeft betrekking op een familie waarin een bepaalde erfelijke eigenschap voorkomt.

Is het allel voor deze eigenschap dominant of recessief?
Is het allel voor deze eigenschap X-chromosomaal?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 1112 van de bijlage.

De afbeelding geeft een stamboom weer van een familie waarin een bepaalde aandoening voorkomt. Deze aandoening wordt veroorzaakt door één gen.

Wordt deze aandoening veroorzaakt door een dominant of door een recessief allel?
Kan dit allel X-chromosomaal zijn of kan dat niet?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur A 170 van de bijlage.

Sommige mensen kunnen met hun tong een gootje maken. Anderen kunnen dat niet. Deze eigenschap is erfelijk.
De stamboom heeft betrekking op een familie waarin de eigenschap "een gootje kunnen maken" voorkomt.

Is het allel voor "een gootje kunnen maken" dominant of recessief?
Kan het allel voor "een gootje kunnen maken" X-chromosomaal zijn?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur A 170 van de bijlage.

Sommige mensen kunnen met hun tong een gootje maken. Anderen kunnen dat niet. Deze eigenschap is erfelijk.
De stamboom heeft betrekking op een familie waarin de eigenschap "een gootje kunnen maken" voorkomt.

Hoe groot is de kans dat de dochter van de personen P en Q een gootje met haar tong kan maken?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 463 van de bijlage.

Een bepaalde vorm van nachtblindheid bij de mens wordt door een recessief X-chromosomaal allel veroorzaakt.
In de afbeelding zijn vier stambomen getekend.

Welke stamboom kan de overerving van deze vorm van nachtblindheid in een familie juist weergeven?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Erfelijke blindheid.
Zie figuur B 450 van de bijlage.

In de stamboom is aangegeven dat in een bepaalde familie bij persoon 7 een vorm van erfelijke blindheid voorkomt. Deze eigenschap wordt veroorzaakt door een dominant niet X-chromosomaal allel. Het allel voor deze afwijking is ontstaan door mutatie tijdens de vorming van voortplantingscellen.

In de geslachtsorganen van welke van de personen 1, 2, 4 en 5 kan deze mutatie zijn opgetreden?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 438 van de bijlage.

Voor sommige mensen heeft een bepaalde stof (PTC) een bittere smaak, andere mensen proeven de stof niet. Het kunnen proeven van PTC berust op de aanwezigheid van een dominant allel.

In de stamboom in figuur B 438 is van een familie aangegeven wie wel en wie niet PTC kan proeven.

Hoe groot is de kans dat vrouw E wel PTC kan proeven?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 417 van de bijlage.

Bij honden komt een vorm van doofheid voor die erfelijk is.
De afbeelding geeft een stamboom weer van een hondenfamilie waarin deze vorm van doofheid voorkomt.

Van hoeveel van de honden uit deze stamboom is met zekerheid te zeggen dat zij heterozygoot zijn voor erfelijke doofheid?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 1185 van de bijlage.

Gegeven is de stamboom waarin 1 en 6 vrouwen voorstellen met blauwe ogen.
Individu 2 is een man met bruine ogen (heterozygoot).

Aan de hand van deze stamboom kan men zeggen dat, wat betreft oogkleur, individu 8

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 609 van de bijlage.

De stamboom geeft de overerving weer van de veerkleur bij valkparkieten. Het allel voor grijs (E) is dominant over dat voor wit (e).
Van twee dieren is het genotype bekend.
Van de nakomelingen van R en S is bekend dat de helft wit is en de helft grijs.

Is Q homozygoot voor grijs, homozygoot voor wit, heterozygoot, of zijn er te weinig gegevens om één van deze conclusies te kunnen trekken?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 598 van de bijlage.

In de stamboom is het optreden van een bepaalde afwijking bij verschillende personen aangegeven. De afwijking is direct na de geboorte reeds waar te nemen.

Kan deze afwijking erfelijk zijn?
Kan persoon P deze afwijking hebben?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur A 187 van de bijlage.

Bij de mens is het allel voor bruine oogkleur dominant over dat voor blauwe oogkleur.
Het allel voor normale kleuren zien is dominant over dat voor rood-groen kleurenblindheid.
De genen voor oogkleur zijn niet X-chromosomaal en de genen voor kleurenzien wel.
In de stamboom zijn de fenotypen van de familieleden van een persoon Q weergegeven.

Kan persoon Q blauwe ogen hebben?
Kan persoon Q rood-groen kleurenblind zijn?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Genetica

Haarkleur.
Zie figuur B 2611 van de bijlage.

Bij cavia's wordt de haarkleur bepaald door de allelen E en e. De tekening geeft de stamboom van een familie cavia's weer.

Is het allel voor wit dominant of recessief?
Wat is het genotype van individu 1?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 432 en figuur A 157 van de bijlage.

Een ouderpaar heeft twee dochters en twee zonen. Van één van de dochters (Q) is bekend dat zij een bepaalde erfelijke afwijking heeft (zie de stamboom in figuur B 432).
Deze afwijking wordt veroorzaakt door een recessief X-chromosomaal allel.

Vier leerlingen krijgen de opdracht om de stamboom van Q in te vullen. Gegeven is dat er geen mutaties zijn opgetreden. In de afbeelding A 157 zijn deze vier stambomen getekend.

Welke van de stambomen kan of welke kunnen kloppen met de gegevens?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 542 van de bijlage.

In de stamboom van een familie is het voorkomen van een bepaalde erfelijke eigenschap weergegeven.

Is het allel dat de eigenschap veroorzaakt, recessief?
En is het X-chromosomaal?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 592 van de bijlage.

Bij valkparkieten is het allel voor een grijze veerkleur dominant over dat voor een witte veerkleur. Deze allelen zijn niet-X-chromosomaal. In de stamboom is weergegeven welke nakomelingen grijze veren hebben en welke witte; de veerkleur van de ouders is niet bekend.

Welke van de onderstaande uitspraken is op grond van deze gegevens juist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Stambomen.
Zie figuur B 585 van de bijlage.

In afgebeelde stambomen worden individuen die een bepaalde erfelijke eigenschap bezitten, aangegeven met een zwart rondje of een zwart vierkantje.

Uit welke van deze stambomen blijkt dat deze eigenschap veroorzaakt wordt door een dominant allel?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 574 van de bijlage.

Persoon T in de stamboom is kleurenblind. Het allel dat deze afwijking veroorzaakt, is X-chromosomaal.
Vast staat dat een man uit één van de vroegere generaties óók kleurenblind was en dat T deze afwijking van hem heeft overgeërfd.

Van welke man kan dat zijn geweest?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 3755 van de bijlage.

In de stamboom is het vóórkomen van bloederziekte in een familie weergegeven. Het allel voor bloederziekte is recessief; het ligt in het X-chromosoom.

Hoe groot is de kans dat persoon P het allel voor bloederziekte heeft?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 554 van de bijlage.

Kleurenblindheid wordt bij de mens veroorzaakt door een recessief X-chromosomaal allel.
Persoon P in de stamboom is kleurenblind.

Bij welke van de personen 1 t/m 7 kan het allel voor kleurenblindheid, afkomstig van P, door overerving terecht zijn gekomen?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 366 van de bijlage.

De afgebeelde stamboom heeft betrekking op een familie, waarin kleurenblindheid voorkomt. Van de personen 1 t/m 8 is alleen persoon 2 kleurenblind.

Hoe groot is dan de kans dat persoon 9 kleurenblind is?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Stambomen.
Zie figuur B 341 van de bijlage.

Bij de mens wordt de bruine oogkleur bepaald door een dominant allel, de blauwe oogkleur door een recessief allel.

Van welke ouderparen in afgebeelde stambomen kan met zekerheid het genotype voor oogkleur vastgesteld worden?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 536 van de bijlage.

Van de individuen 5 en 6 uit de stamboom is bekend dat ze blauwe ogen hebben. Het allel voor blauwe ogen is recessief ten opzichte van dat voor bruine ogen.

Is met zekerheid te zeggen of één van de individuen 1, 2, 3 of 4 blauwe ogen heeft? Zo ja, welk individu heeft of welke individuen hebben blauwe ogen?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 647 van de bijlage.

De stamboom geeft het vóórkomen van albinisme (een erfelijke afwijking) in een familie weer.

Op grond van de stamboom is het zeer waarschijnlijk dat

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 1456 van de bijlage.

In de afbeelding is een stamboom getekend. Vier mannen zijn met cijfers aangegeven. Bij één van de mannen 1, 2 of 3 is een mutatie opgetreden in het X-chromosoom van een spermacel. Deze spermacel versmelt met een normale eicel.
Man 4 heeft een afwijking die wordt veroorzaakt door deze mutatie.

Bij welke van de mannen 1, 2 of 3 kan de genoemde mutatie zijn opgetreden?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Korte vingers.
Zie figuur B 1525 van de bijlage.

In de stamboom van de afbeelding is van een aantal leden van een familie weergegeven of zij korte of normale vingers hebben. Mensen die de erfelijk bepaalde afwijking' korte vingers' hebben, missen een kootje in één of meer vingers.

Margriet en Kees verwachten hun derde kind.

Hoe groot is de kans dat dit kind normale vingers heeft?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 2350 van de bijlage.

Het wel of niet kunnen proeven van de bittere stof PTC (phenyl-thio-carbamide) is erfelijk bepaald. In de stamboom in de afbeelding zijn de personen 2 en 3 'niet-proevers'. Alle andere personen in de stamboom kunnen PTC wel proeven.
Over deze stamboom worden de volgende beweringen gedaan:

1. Als persoon 5 en een niet-proever samen een kind krijgen, is dat kind zeker een niet-proever.
2. De personen 2 en 3 zijn heterozygoot voor de onderzochte eigenschap.
3. Ten minste één van de ouders van persoon 4 moet proever zijn geweest.

Welke van deze beweringen is of welke zijn zeker juist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 2360 van de bijlage.

Bij de mens komt een erfelijke bloedziekte voor, die wordt veroorzaakt door een X-chromosomaal recessief allel.
De personen 2 en 4 in de stamboom in de afbeelding vertonen deze ziekte niet.
De personen 1 en 3 zijn heterozygoot voor deze eigenschap.

Van welke van de personen 5 tot en met 10 kan met zekerheid worden gezegd dat ze de ziekte niet vertonen?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Doofheid.
Zie figuur A 654 van de bijlage.

Een bepaald type doofheid bij mensen is erfelijk.
In de afbeelding is een stamboom getekend van een familie waarin dit type doofheid voorkomt.

Hoe erft dit type doofheid over?

afbeeldingafbeelding

Genetica

1/4 Erfelijkheidstest.

Om uit te zoeken of iemand drager is van een bepaald gendefect, kan aan de hand van een bloedmonster DNA uit de chromosomen onderzocht worden.

Welk bestanddeel van het bloed kan gebruikt worden voor het opsporen van een eventueel gendefect aan de hand van DNA uit de chromosomen?

Genetica

2/4 Erfelijkheidstest.
Zie figuur B 3622 van de bijlage.

De afbeelding is de stamboom van de familie van Carla. Carla is aangegeven met het vraagteken. In deze familie komt borstkanker voor. Carla vraagt zich af of zij een verhoogde kans heeft op het krijgen van borstkanker. Daarom wordt DNA uit het bloed van alle personen in de stamboom onderzocht.
Er zijn meer genen die erfelijke borstkanker kunnen veroorzaken. In de betreffende familie wordt DNA-onderzoek gedaan waarbij op twee genen wordt gelet: gen A en gen B. Verandering in één van beide of in beide genen kan borstkanker tot gevolg hebben.

Geef de biologische term voor het optreden van een verandering in een gen. Dit is een [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Genetica

3/4 Erfelijkheidstest.
Zie figuur B 3623 van de bijlage.

Voor het onderzoek naar borstkanker worden DNA-moleculen uit het bloed van elke persoon in stukjes geknipt. Dit knippen gebeurt met enzymen. De brokstukken die zo ontstaan, kunnen van elkaar gescheiden en zichtbaar gemaakt worden. De scheiding vindt plaats in een gel: dit is een soort gelatinelaagje. In deze gel bewegen in een elektrisch veld grote brokstukken minder snel dan kleine brokstukken. Een verandering in gen A of in gen B levert grotere DNA-brokstukken op.
Het resultaat van het DNA-onderzoek in de familie is weergegeven in de afbeelding.

Kan uit bovenstaande afbeelding afgeleid worden of de erfelijke vorm van borstkanker in deze familie veroorzaakt wordt door een verandering in gen A en/of door een verandering in gen B?

afbeeldingafbeelding

Genetica

4/4 Erfelijkheidstest.

Uit het familieonderzoek blijkt dat Carla geen verhoogde kans op borstkanker heeft, maar haar zus wel. De arts die het testresultaat voor zich heeft, ziet zich voor een gewetensprobleem geplaatst. Moet hij de zus van Carla, die niet om een test heeft gevraagd, inlichten?

Geef een (bio)medisch argument waarom de arts zou kunnen besluiten om die zus wel in te lichten over het testresultaat.

Genetica

1/4 Erfelijkheid in vorstenhuizen.
Zie figuur C 339 van de bijlage.

Tekst:
Onderkaakprognathie is een zeldzame erfelijke afwijking waarbij de tanden van de onderkaak voor de tanden van de bovenkaak uitsteken (een negatieve overbeet). Een bekend lijder aan onderkaakprognathie was keizer Karel V (1500-1558). Verscheidene leden van zijn familie vertonen eveneens dit kenmerk, dat dan ook wel wordt aangeduid als de Habsburgse onderkaak. In de afbeelding is een deel van de stamboom van het Habsburgse vorstenhuis weergegeven. Uit schilderijen heeft men van een aantal van hen kunnen afleiden dat zij onderkaakprognathie hadden. Zij zijn met zwart aangegeven. De met wit aangegeven personen hadden geen onderkaakprognathie.

bewerkt naar: Erfelijkheid van de mens, Ashley Montagu, p159

Erft onderkaakprognathie naar alle waarschijnlijkheid dominant of recessief over?
Is dit gen X-chromosomaal of niet?

afbeeldingafbeelding

Genetica

2/4 Erfelijkheid in vorstenhuizen.

In het weekblad 'Weekend' van 3 mei 2000 stond het volgende bericht:

Is Ernst-August von Hannover inderdaad een zieke man?
Een bekende Duitse professor acht het niet uitgesloten dat de echtgenoot van prinses Caroline van Monaco lijdt aan porfyrie, een dominant overervende bloedaandoening die de oorzaak zou kunnen zijn van Ernst-August's op het oog onverklaarbare woede-uitbarstingen. Kort nadat deze theorie wereldkundig was geworden, sloeg de Monegasken de angst om het hart. Want als deze professor gelijk heeft, dan is de kans groot dat Alexandra, het negen maanden oude dochtertje van Ernst-August en prinses Caroline eveneens behept is met deze ziekte. Want
volgens de professor is er vijftig procent kans dat de lijders van deze ziekte de aandoening overbrengen op een nakomeling.

bewerkt naar: Weekend; 3 mei 2000

De professor laat in het midden of de kans van 50% op deze ziekte even groot is voor jongens als voor meisjes.

Hoe groot is de kans dat Alexandra aan porfyrie zal gaan lijden? Ga ervan uit dat het gen niet X-chromosomaal is en dat Ernst-August heterozygoot is voor porfyrie. Licht je antwoord toe.

Genetica

3/4 Erfelijkheid in vorstenhuizen.

Hoe groot is de kans als je ervan uitgaat dat deze ziekte wel X-chromosomaal is? Licht je antwoord toe.

Genetica

4/4 Erfelijkheid in vorstenhuizen.

Er is serieus onderzoek gedaan naar de verhouding jongens / meisjes in de vorstenhuizen. Er zijn de afgelopen eeuwen significant meer prinsjes dan prinsesjes geboren. Dit is volgens de Amerikaan Matt Ridley te verklaren doordat de koningshuizen graag mannelijke troonopvolgers willen. Hoe blij een koninklijk paar ook zal zijn met een dochter, de verleiding zal groot zijn om nòg een kind te willen wanneer er nog geen jongen in het gezin is. Deze voorkeur leidt volgens Ridley tot een zekere oververtegenwoordiging van jongens.

Is Ridley's verklaring juist? Leg je antwoord uit. Ga ervan uit dat er 160 paren een kind krijgen. Alleen die paren die een meisje krijgen, nemen nog een kind. Is dat kind weer een meisje, dan doen alleen die paren nog een laatste poging.

Genetica

Een darmziekte.
Zie figuur B 2588 van de bijlage.

FAP (Familiaire Polyposis Coli) is een darmziekte waarbij al op jonge leeftijd in de dikke darm en de endeldarm honderden tot duizenden weefseluitstulpingen (poliepen) voorkomen die zich kunnen ontwikkelen tot dikke-darmkanker.
FAP is een erfelijke aandoening die berust op een afwijkend gen. Dit afwijkende gen is dominant over het normale gen.

In de afbeelding zijn de stambomen weergegeven van twee families waarin FAP voorkomt.
Vrouw II-4 en man II-5 willen samen een kind. Zij vragen zich af hoe groot de kans is dat zij een kind met FAP krijgen.

Hoe groot is die kans, aangenomen dat er geen mutaties optreden?

afbeeldingafbeelding