Plantenfysiologie
Kiemproeven.
In afgesloten schalen zijn vier proeven (1 t/m 4) met zaden gedaan.
afbeelding
Uit de resultaten van deze vier proeven is af te leiden, dat
Deze oefentoets bevat 60 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
60
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4
NVON
cc-by-sa-40
Kiemproeven.
In afgesloten schalen zijn vier proeven (1 t/m 4) met zaden gedaan.
afbeelding
Uit de resultaten van deze vier proeven is af te leiden, dat
Kiemingsproeven.
Zie figuur B 957 van de bijlage.
In vijf bakjes worden droge erwten onder verschillende omstandigheden gelegd om na te gaan of ze kiemen. De bakjes 2, 3, 4 en 5 zijn luchtdicht afgesloten.
In welke bakjes zullen zich uit de erwten kiemplantjes kunnen ontwikkelen?
afbeelding
Kieming bonenzaad.
Zie figuur B 775 van de bijlage.
In de tekeningen zijn vier stadia van de ontkieming van een zaad van een bonenplant weergegeven.
De zaadlobben in de stadia 1, 2 en 3 bevatten zetmeel.
De bladeren in de stadia 3 en 4 bevatten bladgroen.
Heeft het zaad water nodig voor de ontkieming?
En zuurstof?
afbeelding
afbeelding
Kieming bonenzaad.
Zie figuur B 775 van de bijlage.
In welke stadia vindt verbranding plaats?
afbeelding
Kiemingsproeven.
Zie figuur B 728 van de bijlage.
In een proefopstelling (zie tekening) bevinden zich zaden van een bepaalde plant.
De zaden kiemen.
De ontwikkeling van de kiemplantjes in schaal 2 gaat sneller dan die in schaal 1.
Welke van onderstaande conclusies uit deze proef is juist?
afbeelding
Kieming van zaad.
Als zaden kiemen krijgen ze de energie die ze daarvoor nodig hebben uit
Kiemingsproef.
Zie figuur B 1700 van de bijlage.
In een hoog bekerglas, waaromheen een kartonnen koker wordt geplaatst (zie nevenstaande figuur) bevindt zich uitgekookt water. De temperatuur van het water en van de omgeving bedraagt 20°C. Op een stokje is een aantal erwten geprikt. Het blijkt dat alleen de erwten die zich direct onder de waterspiegel bevinden, na enkele dagen zichtbaar gaan kiemen.
Dat de erwten in dieper gelegen waterlagen niet zichtbaar gaan kiemen komt omdat daar
afbeelding
Kiemingsproeven.
Het volgende experiment wordt uitgevoerd.
We nemen 2 glazen potten (I en II). In elke pot doen we evenveel bonen die door wateropname gezwollen zijn.
Pot I zetten we op een warme plaats (25°C). Pot II zetten we op een koude plaats (10°C).
Alle bonen ontvangen evenveel licht.
Welke van onderstaande beweringen met betrekking tot dit experiment is juist?
Kiemingsproef.
Zie figuur B 1911 van de bijlage.
Iemand heeft twee reageerbuizen die zijn gevuld zoals in de afbeelding is aangegeven.
In welke van de weergegeven buizen zullen de zaden ontkiemen?
afbeelding
Een proef met erwten.
Zie figuur B 2303 van de bijlage.
Tien erwten (groep 1) wegen samen 20 gram. Deze erwten worden in een droogstoof gelegd. In die droogstoof verdampt al het water uit die erwten. Ze wegen dan samen nog 10 gram.
Tien andere erwten (groep 2) wegen samen ook 20 gram. Zij worden op nat papier gelegd. Na een week zijn het kiemplantjes geworden en wegen zij samen 40 gram. Ook deze plantjes gaan in de droogstoof. Als ze eruit komen, wegen ze samen nog 5 gram. De kiemplantjes zijn nu helemaal verdroogd.
In de afbeelding is deze proef schematisch weergegeven.
De erwten die zijn gekiemd voor ze de droogstoof ingingen (groep 2), hebben een ander gewicht na het drogen dan de erwten die ongekiemd zijn gedroogd (groep 1).
Wat is hiervoor de verklaring?
afbeelding
Een ontkiemende maïskorrel.
Een maïskorrel ontkiemt in de bodem en neemt daarbij water op.
Enkele stoffen zijn: glucose, koolstofdioxide en zuurstof.
Welke van deze stoffen neemt de maïskorrel nog meer uit de omgeving op, vóórdat het kiemplantje boven de grond komt?
Kieming.
Om te kunnen kiemen moeten zaden opnemen:
Kiemende boon.
Het worteltje van een kiemende bruine boon groeit de vochtige grond in.
Uit welke stof(fen) verkrijgen de cellen van dit worteltje de energie voor deze groei?
Kiemingsproef.
In een met lucht gevulde, afgesloten thermosfles bevindt zich een aantal kiemende bonen.
Tijdens de kieming worden regelmatig de temperatuur en het koolstofdioxidegehalte van de lucht in de thermosfles gemeten.
Welke veranderingen treden op?
afbeelding
Kieming.
Is voor het kiemen van zaden koolstofdioxide nodig?
En licht?
afbeelding
Kiemingsproeven.
Zie figuur B 726 van de bijlage.
In vier opstellingen worden droge maïskorrels op natte watten gelegd (zie tekening).
In welke opstellingen zullen zich uit de maïskorrels kiemplantjes gaan ontwikkelen?
afbeelding
Kiemingsproeven.
Zie figuur B 727 van de bijlage.
De volgende proefopstelling staat in het donker.
Kunnen in bak 1 uit de zaden kiemplantjes ontstaan?
En in bak 2?
afbeelding
afbeelding
Groei van bonenplanten.
Enkele factoren die een rol spelen bij de groei van bonenplanten zijn:
1. licht,
2. water,
3. zuurstof,
4. voedsel in zaadlobben.
Welke van deze factoren zijn noodzakelijk voor de kieming van bonen?
Kiemingsproef.
In een met lucht gevulde, afgesloten thermosfles bevindt zich een aantal kiemende bonen. Tijdens de kieming worden regelmatig de temperatuur en het koolstofdioxidegehalte van de lucht in de thermosfles gemeten.
Welke veranderingen treden hierin op?
afbeelding
Kieming.
Tijdens de kieming vinden in een zaad de volgende processen plaats:
1. opname van water;
2. omzetting van zetmeel in glucose;
3. opname van zuurstof;
4. verbranding.
Welke van deze processen vinden ook plaats in een volwassen plant?
Kieming.
Tijdens de ontkieming vinden in een zaad de volgende processen plaats:
1. omzetting van zetmeel in glucose;
2. opname van water;
3. opname van zuurstof;
4. verbranding.
Welke van deze processen vinden ook plaats in een volwassen plant?
Kieming.
Met een proef wordt onderzocht of vruchtvlees van appels invloed uitoefent op de ontkieming van de zaden. In een petrischaal bevinden zich op de bodem vochtige watten. Op deze watten liggen appelpitten en stukjes appel. De petrischaal staat in het donker.
In een andere petrischaal bevinden zich op de bodem alleen vochtige watten.
Wat moet in deze petrischaal worden gedaan om als controleproef dienst te doen?
Moet deze schaal in het donker of in het licht worden geplaatst?
afbeelding
Kieming maïskorrel.
Een maïskorrel ontkiemt in de grond. Enkele stoffen zijn: glucose, koolstofdioxide, water en zuurstof.
Welke van deze stoffen neemt de maïskorrel uit de omgeving op, vóórdat het kiemplantje boven de grond komt?
Kiemingsproef.
Met een proef wordt onderzocht of de temperatuur invloed heeft op de ontkieming van zaden.
In twee petrischalen worden vochtige watten gelegd met daarop bij elk 20 tuinkerszaadjes.
Schaal 1 wordt in het donker gezet bij kamertemperatuur.
Onder welke omstandigheden moet schaal 2 worden geplaatst?
Een proef met zaden.
Een onderzoekster doet een proef met twintig zaden. Zij verdeelt de twintig zaden in twee groepen van tien (groep 1 en groep 2). De zaden van groep 1 wegen evenveel als de zaden van groep 2.
Zij legt de zaden van groep 1 in een droge, doorzichtige glazen bak in het licht.
Zij legt de zaden van groep 2 op vochtige watten, in een glazen bak in het donker.
Tijdens de proef blijven deze watten vochtig.
Na een paar dagen weegt zij beide groepen zaden. Het gewicht van de zaden van groep 1 blijkt maar een klein beetje te zijn afgenomen. Het gewicht van de zaden van groep 2 blijkt te zijn toegenomen.
Leg uit waardoor de zaden van groep 1 nauwelijks in gewicht zijn veranderd en de zaden van groep 2 zwaarder zijn geworden.
Opname van stof door maïsplant..
Een maïskorrel ontkiemt in de grond. Enkele stoffen zijn: glucose, koolstofdioxide en zuurstof.
Welke van deze stoffen neemt de maïskorrel uit de omgeving op, vóórdat het kiemplantje boven de grond komt?
Dit is [invulveld].
1/2 Kieming.
Karin wil weten onder welke omstandigheden zaden van een uienplant het beste kiemen. Ze neemt daarvoor vier petrischaaltjes, waarin ze filtreerpapier legt. In elk schaaltje legt ze 10 kiemkrachtige uienzaden. Ze doet in elk schaaltje evenveel water. Ze bewaart de schaaltjes onder verschillende omstandigheden.
Na een week telt Karin hoeveel zaden zijn gekiemd. Ze noteert ook hoe de kiemplantjes eruit zien (zie de tabel).
afbeelding
Zie figuur C 372 van de bijlage.
Op de uitwerkbijlage staat een stuk grafiekpapier.
Maak op dit grafiekpapier een staafdiagram van het aantal gekiemde zaden onder de vier verschillende omstandigheden.
-
afbeelding
2/2 Kieming.
Resultaten van de kieming van zaden van de uienplant.
afbeelding
Karin wil weten wat de invloed van licht is op de lengtegroei van de kiemplantjes.
Hoe kan ze daarover een conclusie trekken?
1/2 Appels.
Met een proef wordt onderzocht of vruchtvlees van appels invloed uitoefent op de ontkieming van de zaden.
In een petrischaal bevinden zich op de bodem vochtige watten. Op deze watten liggen appelpitten en stukjes appel. De petrischaal staat in het donker.
In een andere petrischaal bevinden zich op de bodem alleen vochtige watten.
Wat moet in deze petrischaal worden gedaan om als controleproef dienst te doen?
2/2 Appels.
Moet deze schaal in het donker of in het licht worden geplaatst?
1/2 Ontkiemende bonen.
Zie figuur B 2311 van de bijlage.
Bij een practicum wordt een proef gedaan met ontkiemende bonen in een U-buis, gevuld met zuurstof. Het verloop van de proef is schematisch weergegeven in de afbeelding.
Een leerling schrijft er het volgende over op:
Werkwijze:
Ik hing enkele ontkiemende bonen boven in een been van een U-buis. Ik goot kalkwater in de benen van de buis. De buis bleef enige dagen voor het raam van het lokaal staan.
Resultaat:
Na enige tijd was het kalkwater troebel. Ook was in het been waarin de bonen hingen, het niveau van het kalkwater gestegen doordat de hoeveelheid gas in de buis was afgenomen.
Welke van de volgende processen levert of welke leveren een verklaring voor het stijgen van het niveau van het kalkwater in de beschreven proef?
1. De vloeistof stijgt doordat de ontkiemende bonen zuurstof produceren door middel van fotosynthese.
2. De vloeistof stijgt doordat het kalkwater koolstofdioxide opneemt dat afkomstig is van de bonen.
-
afbeelding
2/2 Ontkiemende bonen.
Zie figuur B 2311 van de bijlage.
De leerling vermoedt dat de snelheid waarmee de bonen ontkiemen en groeien, afhankelijk is van de temperatuur in de ruimte waarin de bonen zich bevinden. Hij wil een practicumproef doen om deze veronderstelling (hypothese) te onderzoeken. Hij heeft daarvoor de volgende middelen ter beschikking: ontkiemende bonen, ophangbakje, U-buis, stop, kalkwater, thermometer, liniaal, horloge, geïsoleerde bak met koud water, geïsoleerde bak met warm water.
Met welke waarneming bij een proef kan hij bewijzen dat de snelheid van het ontkiemen en groeien afhankelijk is van de temperatuur?
afbeelding
1/3 Kieming van erwten.
Zie figuur B 1923 van de bijlage.
In een stopfles wordt een glas geplaatst dat gevuld is met helder kalkwater. De fles wordt gedeeltelijk gevuld met kiemende erwten en afgesloten met een stop. De temperatuur in de stopfles kan worden gemeten met een thermometer (zie de afbeelding).
Na drie dagen is het kalkwater troebel geworden. Als men in de stopfles een brandend kaarsje laat zakken, gaat de vlam onmiddellijk uit.
Is met deze proef fotosynthese in de erwten aangetoond?
En verbranding?
afbeelding
2/3 Kieming van erwten.
Zie figuur B 1923 van de bijlage.
In een stopfles wordt een glas geplaatst dat gevuld is met helder kalkwater. De fles wordt gedeeltelijk gevuld met kiemende erwten en afgesloten met een stop. De temperatuur in de stopfles kan worden gemeten met een thermometer (zie de afbeelding).
Na drie dagen is het kalkwater troebel geworden. Als men in de stopfles een brandend kaarsje laat zakken, gaat de vlam onmiddellijk uit.
Is met deze proef aangetoond dat de erwten koolstofdioxide vormden?
En dat ze zuurstof verbruikten?
afbeelding
3/3 Kieming van erwten.
Zie figuur B 1923 van de bijlage.
De stopfles bestaat uit isolerend glas en staat in een ruimte waarin de temperatuur steeds 20°C is.
Hoe zal aan het eind van de proef de temperatuur in de stopfles waarschijnlijk zijn?
afbeelding
1/5 Een kiemende erwt.
Zie figuur C 132 van de bijlage.
De afbeelding geeft een aantal stadia weer van de ontkieming van een erwt. In de zaadlobben van een erwt bevinden zich onder andere de stoffen zetmeel en eiwit. Nadat een erwt in de grond is gelegd, begint de kieming. Daarbij wordt water opgenomen.
Wordt in stadium 3 van de kieming zuurstof gevormd? En zuurstof verbruikt?
afbeelding
2/5 Een kiemende erwt.
Zie figuur C 132 van de bijlage.
Kan fotosynthese plaatsvinden in stadium 4 van de kieming?
En verbranding?
afbeelding
3/5 Een kiemende erwt.
Zie figuur C 132 van de bijlage.
Kunnen in het kiemplantje in stadium 4 eiwitten worden gevormd?
En kan in het kiemplantje in stadium 4 cellulose worden gevormd?
afbeelding
4/5 Een kiemende erwt.
Zie figuur C 132 van de bijlage.
Door welk proces in de moederplant is deze organische grondstof ontstaan?
afbeelding
5/5 Een kiemende erwt.
Zie figuur C 132 van de bijlage.
Nemen de wortelharen in stadium 4 behalve water ook zouten op?
En zuurstof?
afbeelding
1/3 Etheen.
Zie figuur B 2551.
afbeelding
Rijpe appels geven voortdurend het gas etheen af. Etheen heeft een grote invloed op planten.
Een leerling doet een proef met als onderzoeksvraag: Welke invloed heeft etheen op de lengtegroei van de stengels van ontkiemende erwten?
Ze zet vier schaaltjes met elk tien ontkiemende erwten onder glazen stolpen. Door het toevoegen van een rijpe appel komt er etheen in de lucht onder een stolp. In de afbeelding is een van de stolpen getekend.
Haar proefopzet is:
- schaaltje 1: erwten 48 uur onder een stolp zonder appel (= 0 uur in etheen);
- schaaltje 2: erwten eerst 24 uur onder een stolp met een rijpe appel, daarna 24 uur onder een stolp zonder appel (= 24 uur in etheen en 24 uur zonder etheen);
- schaaltje 3: erwten eerst 36 uur onder een stolp met een rijpe appel, daarna 12 uur onder een stolp zonder appel (= 36 uur in etheen en 12 uur zonder etheen);
- schaaltje 4: erwten 48 uur onder een stolp met een rijpe appel (= 48 uur in etheen).
Zie volgende scherm
-
1/2 Kiemende bonen.
Zie figuur B 3390 van de bijlage.
Iemand onderzoekt welke gassen ontkiemende bonen en bonenplanten opnemen en afgeven.
Hij plaatst de ontkiemende bonen en de bonenplanten in afgesloten glazen bakken met lucht, zoals in de afbeelding is aangegeven. De temperatuur is 20°C. De proef duurt 24 uur.
In welke bak zal het zuurstofgehalte het laagst zijn na afloop van deze proef?
afbeelding
2/2 Kiemende bonen.
Zie figuur B 3390 van de bijlage.
In welke bak zal het koolstofdioxidegehalte het laagst zijn na afloop van deze proef?
afbeelding
1/2 Kiemproeven.
Op de bodem van vier petrischalen worden filtreerpapiertjes gelegd. In elk schaaltje worden 24 zaden van een ui en wat water gedaan. De schaaltjes worden onder verschillende omstandigheden bewaard (zie de tabel).
Na een week wordt bekeken hoeveel zaadjes zijn ontkiemd en hoe de kiemplantjes er uitzien.
Het resultaat is eveneens in de tabel weergegeven.
afbeelding
Iemand vergelijkt steeds twee schaaltjes met elkaar: 1 met 3, 1 met 4 en 2 met 3.
Uit welke vergelijking kan iets over de invloed van de temperatuur worden geconcludeerd?
2/2 Kiemproeven.
Is licht nodig voor de ontkieming van zaden van een ui?
En voor de vorming van bladgroen in de plantjes?
1/5 Kiemende bonen.
Zie figuur B 775 van de bijlage.
In de tekeningen zijn vier stadia van de ontkieming van een zaad van een bonenplant weergegeven.
De zaadlobben in de stadia 1, 2 en 3 bevatten zetmeel.
De bladeren in de stadia 3 en 4 bevatten bladgroen.
Heeft het zaad water nodig voor de ontkieming?
En zuurstof?
afbeelding
afbeelding
2/5 Kiemende bonen.
Zie figuur B 775 van de bijlage.
In welke stadia vindt verbranding plaats?
afbeelding
3/5 Kiemende bonen.
Zie figuur B 775 van de bijlage.
Tussen welke stadia treedt celstrekking op?
afbeelding
4/5 Kiemende bonen.
Zie figuur B 775 van de bijlage.
De groei van de plant vindt plaats met behulp van stoffen uit de zaadlobben en met behulp van de in de bladeren gevormde stoffen.
Waaruit komen de stoffen voor de groei tussen de stadia 3 en 4?
afbeelding
5/5 Kiemende bonen.
Zie figuur B 775 van de bijlage.
Treedt tussen de getekende stadia meiose op?
Zo ja, tussen welke stadia?
afbeelding
1/2 Kieming van zaden.
Zie figuur B 2028 van de bijlage.
De afbeelding geeft een proefopstelling weer: op natte watten liggen dennenzaden of witte bonen, in het licht of in het donker.
Na enige tijd zijn alle zaden ontkiemd. De kiemplantjes van de dennenzaden bevatten bladgroen, zowel in bak 1 als in bak 2. De kiemplantjes van de witte bonen in bak 3 bevatten eveneens bladgroen; de kiemplantjes van de witte bonen in bak 4 bevatten echter geen bladgroen.
Blijkt uit de proef die bij de afbeelding is beschreven dat dennenzaden voor het ontkiemen licht nodig hebben?
En dat witte bonen voor het ontkiemen licht nodig hebben?
afbeelding
-
afbeelding
2/2 Kieming van zaden.
Zie figuur B 2028 van de bijlage.
De afbeelding geeft de proefopstelling weer: op natte watten liggen dennenzaden of witte bonen, in het licht of in het donker.
Na enige tijd zijn alle zaden ontkiemd. De kiemplantjes van de dennenzaden bevatten bladgroen, zowel in bak 1 als in bak 2. De kiemplantjes van de witte bonen in bak 3 bevatten eveneens bladgroen; de kiemplantjes van de witte bonen in bak 4 bevatten echter geen bladgroen.
Blijkt uit de proef die bij de afbeelding is beschreven dat kiemplantjes van dennen voor de vorming van bladgroen licht nodig hebben?
En dat kiemplantjes van witte bonen voor de vorming van bladgroen licht nodig hebben?
afbeelding
-
afbeelding
1/2 Een proef met zaden.
Een leerling doet een proef met twintig zaden. Zij verdeelt de twintig zaden in twee groepen van tien (groep 1 en groep 2). De zaden van groep 1 wegen evenveel als de zaden van groep 2.
Zij legt de zaden van groep 1 op vochtige watten, in een glazen bak in het donker. Tijdens de proef blijven deze watten vochtig.
Zij legt de zaden van groep 2 op droge watten, in een glazen bak in het licht.
Na een dag weegt zij beide groepen zaden. Het gewicht van de zaden van groep 1 blijkt te zijn toegenomen. Het gewicht van de zaden van groep 2 blijkt gelijk te zijn gebleven.
Leg uit waardoor de zaden van groep 1 zwaarder zijn geworden.
2/2 Een proef met zaden.
Een leerling doet een proef met twintig zaden. Zij verdeelt de twintig zaden in twee groepen van tien (groep 1 en groep 2). De zaden van groep 1 wegen evenveel als de zaden van groep 2.
Zij legt de zaden van groep 1 op vochtige watten, in een glazen bak in het donker. Tijdens de proef blijven deze watten vochtig.
Zij legt de zaden van groep 2 op droge watten, in een glazen bak in het licht.
De leerling gebruikte de zaden van groep 2 als controlegroep.
Welke onnauwkeurigheid bevatte haar proefopstelling?
De boon.
Zie figuur B 1189 van de bijlage.
In de afbeelding hiernaast is een bruine boon schematisch getekend.
1. Met welk nummer is de kiem aangegeven? Met nummer [invulveld].
2. Met welk nummer is het deel aangegeven dat het zaad beschermt? Met nummer [invulveld].
3. Met welk nummer is het deel aangegeven waarmee de bruine boon heeft vastgezeten aan de moederplant? Met nummer [invulveld].
4. Hoe heet het deel dat is aangegeven met nummer 4? De/het [invulveld].
5. Hoe heet de opening in de zaadhuid, waardoor water kan worden opgenomen? De/het [invulveld].
afbeelding
1/4 Gelijke kiemkracht.
KIEMKRACHTIG ZAAD.
De rijpheid van een plantenzaad is af te lezen aan zijn concentratie bladgroen. Uitgaande hiervan ontwikkelden Wageningse plantkundigen een machine die rijpe zaden selecteert. Zodra dr. Henk Jalink de Seed Master II aanschakelt, begint het apparaat vreselijk te ratelen. Het geluid doet nog het meest denken aan een luidruchtige Geigerteller. De herrie wordt veroorzaakt door de duizenden zaden die hij in no time selecteert. Koolzaden, voor deze demonstratie.
De ronde, bruingekleurde zaadjes storten vanuit een reservoir via een metalen goot anderhalve meter naar beneden. Dan komen ze in een rond, ijzeren vat terecht. Daar worden ze een voor een geselecteerd. De optimaal rijpe zaden rollen verder en schieten via een korte slang een plastic fles in. De minder rijpe zaden worden met een korte stoot perslucht weggeblazen. Ze ketsen via de wand van de ijzeren doos naar beneden, waar ze in een plastic bak vallen. "Onze selectie baseert zich op een nog niet eerder toegepast principe. We gebruiken laserlicht", zegt Jalink, die als fysicus is verbonden aan het Centrum voor Plantenveredelings- en Reproductieonderzoek (CPRO-DLO) in Wageningen.[...]
"Het principe van de Seed Master is verbluffend simpel. Het apparaat selecteert zaden op hun concentratie bladgroen. Deze kleurstof wordt voornamelijk aangetroffen in bladeren en geeft ze hun groene kleur. Bladgroen vangt lichtenergie op en de plant legt de ingevangen energie vast in chemische verbindingen, met name zetmeel, en gebruikt die energie op een later tijdstip weer voor processen als groei en zaadvorming.[...]
Als je bladgroen in zaad belicht zendt dit het merendeel aan licht weer uit als licht met een andere kleur. Er treedt dus fluorescentie op. Dat gebeurt in nog minder dan een miljoenste van een seconde. En die fluorescentie is te meten. Het is zo'n simpel gegeven. We verbazen ons er nog steeds over dat niemand voor ons op het idee is gekomen om dit toe te passen bij de selectie van zaad. Het bladgroen zit soms ongelijk over het zaad verdeeld. Door het zaad van drie kanten te belichten kun je de concentratie nauwkeuriger bepalen. Dat gebeurt in het ijzeren vat."
Jalink trof de kleurstof bijvoorbeeld aan in negen jaar oude tomatenzaden. Zolang het zaad droog bewaard blijft, is bladgroen blijkbaar stabiel aanwezig. Maar dat verandert zodra een zaad gaat uitrijpen. Dan verdwijnt het bladgroen langzaam, zo ontdekte de Wageninger. Het wordt afgebroken. Die afbraak blijkt keurig gelijk te lopen met de rijping. Hoe minder bladgroen, hoe rijper het zaad. En de mate van rijping houdt weer verband met de kiemkracht van een plant. Zaai je een onrijp zaad dan krijg je geen of een kreupele kiemplant. Hetzelfde geldt voor een zaad dat te ver is doorgerijpt. Via de concentratie bladgroen en daaropvolgende kiemproeven kunnen we de beste fase van rijping vaststellen. We kunnen de selectie afstemmen op die rijpingsfase. Dit is beter dan de normale selectie die zich gebruik maakt van vorm, grootte, kleur of ruwheid van het zaad. Het verband met de rijping is in deze gevallen minder duidelijk."
Het gelijktijdig kiemen van zaden is nog verder te verhogen via een zaadbehandeling die de laatste tien jaar in gebruik is geraakt: het primen. Hierbij worden zaden voorgekiemd in een waterige oplossing waaruit ze net genoeg vocht kunnen opnemen om op gang te komen, maar te weinig om helemaal te kiemen. Daarna worden ze terug gedroogd. Ze staan dan als het ware in de startblokken. Eenmaal uitgezaaid kiemen zulke zaden sneller en gelijkmatiger dan onbehandeld zaad. "Je weet niet wat je ziet", aldus Jalink. "Bijna alle zaden kiemen binnen een periode van ongeveer drie uur."
(NRC-Handelsblad, 21 maart 1998).
Zie volgende scherm.
-
2/4 Gelijke kiemkracht.
In het artikel worden zaden geselecteerd op rijpheid.
Welk nut heeft het voor verbouwers van gewassen dat deze zaadselectie wordt uitgevoerd?
3/4 Gelijke kiemkracht.
Wat gebeurt er met het reservevoedsel en de kiem in het zaad tijdens het primen?
4/4 Gelijke kiemkracht.
Hoe maken mensen gebruik van het reservevoedsel in bepaalde zaden?
Glucose uit zetmeel.
Zie figuur B 724 van de bijlage.
Een kiemende boon (zie tekening) bevindt zich onder de grond.
In welk of in welke van de aangegeven delen kan zich glucose bevinden dat ontstaan is uit zetmeel?