Oefentoets Biologie: Ecologie - algemeen | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 60 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

60

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

De Oosterscheldedam.

Tekst:
De Oosterschelde is een zeearm. Bij laag water zijn grote delen van de Oosterschelde drooggevallen. Op de grote zandige platen die dan zichtbaar zijn, krioelt het van de vogels die op zoek zijn naar wormen en schelpen in de bodem. Door de vloed worden de vogels verdreven en kunnen de talrijke wormen en schelpdieren de microscopisch kleine algen en diertjes vangen die in het zeewater rondzweven.
In de Oosterschelde is een waterdoorlatende dam gebouwd. De Oosterscheldedam gaat alleen met storm helemaal dicht. Door de dam verandert het waterpeil bij hoog en laag water minder dan vroeger. Daardoor is het deel dat bij laag water droogvalt kleiner geworden.
Een bepaalde plaats in de Oosterschelde valt tegenwoordig nog maar zelden droog. Op die plaats zitten meer wormen in de bodem dan voor de komst van de dam.

Welke twee biotische factoren houden verband met deze toename van het aantal wormen?
Welke invloed heeft elke factor op het aantal wormen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/2 Cyanogene klaverplanten.
Zie figuur B 2987 van de bijlage.

Sommige planten zijn cyanogeen. Dat houdt in dat ze onder bepaalde omstandigheden in hun bladeren en stengels de giftige stof blauwzuur of waterstofcyanide (HCN) kunnen produceren. Blauwzuur verstoort de elektronentransportketen. Door het blauwzuur zijn deze planten beschermd tegen vraat door bijvoorbeeld slakken.

Zie figuur B 2987 van de bijlage.

In cyanogene planten kan de reactieketen uit de afbeelding plaatsvinden:

Van de plantensoort rolklaver (Lotus corniculatus) komen in Europa cyanogene en acyanogene varianten voor.
De acyanogene planten kunnen geen blauwzuur vormen, doordat ze één van de bij de reactieketen betrokken enzymen missen. Bij de cyanogene klaverplanten bevindt linamarine zich in de vacuolen en het linamarase in de celwanden.

- Leg uit dat de aanwezigheid van deze twee stoffen op verschillende plaatsen functioneel is voor de plant zelf.
- Leg uit dat dit mechanisme van belang is voor instandhouding van de plantensoort.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Cyanogene klaverplanten.
Zie figuur C 305 van de bijlage.

In de afbeelding is de verspreiding van de cyanoge en acyanogene rolklaverplanten over Europa weergegeven.

In de sectordiagrammen zijn de percentages van de cyanogene variant (zwart) en van de acyanogene variant (grijs) in de desbetreffende gebieden aangegeven. De lijnen geven een aantal januari-isothermen aan.

- Geef een verklaring voor het ontstaan van deze twee varianten van rolklaver.
- Geef met behulp van de gegevens in de tekst en de afbeelding een verklaring voor het verschil in de verspreiding van de cyanogene en de acyanogene variant.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 Stikstofreservoirs en stikstofstromen.
Zie figuur C 368 van de bijlage.

In de afbeelding is een vereenvoudigd model van de belangrijkste stikstofreservoirs en stikstofstromen in een loofbos (Hubbard Brook) in de Verenigde Staten weergegeven. Het betreft een jaarlijks gemiddelde in een lange termijn.

Geef twee mogelijke verklaringen voor het grote verschil tussen de hoeveelheid aan bodemmateriaal gebonden stikstof en de hoeveelheid in humus aanwezige stikstof in het Hubbard Brook loofbos.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Stikstofreservoirs en stikstofstromen.
Zie figuur C 368 van de bijlage.

De bacteriële stikstoffixatie in het model van de afbeelding draagt wel rechtstreeks bij aan de hoeveelheid stikstof in de humuslaag, maar niet rechtstreeks aan de hoeveelheid stikstof die aan bodemmateriaal is gebonden.

Geef hiervoor een verklaring.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 Stikstofreservoirs en stikstofstromen.

In onderstaande tabel is de voedingsstoffenbalans weergegeven van enkele ionen in de bodem van het onderzochte bosgebied. Alle waarden zijn in kg ha-1 jaar-1 .

afbeeldingafbeelding

Er is volgens de gegevens in de tabel sprake van een positieve balans aan stikstofverbindingen.

Noem een mogelijke bron van de stikstofaanvoer van buitenaf.

Ecologie

1/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.
'Smog boven regenwoud Amazone veel erger dan die boven Zuidoost-Azië'
De bosbranden op de Indonesische eilanden zullen tot gevolg hebben dat planten- en insectensoorten voorgoed van de aardbodem verdwijnen.

De bosbranden in Sumatra en Kalimantan worden ieder jaar veroorzaakt door grote houtvesterijen die minder lucratieve houtsoorten in het regenwoud in brand steken. Dit jaar zijn de effecten extra hevig door de lang aanhoudende droogte, veroorzaakt door 'El Niño', een warme golfstroom die tijdelijk het klimaat beïnvloedt.
Tienduizend brandweerlieden, onder wie duizend man uit Maleisië, doen verwoede pogingen de meer dan honderd vuurhaarden te bestrijden. Tot nu toe lijken zij geen enkele vooruitgang te boeken. Geschat wordt dat er inmiddels tussen de 500.000 en 800.000 hectare bos en struikgewas in vlammen is opgegaan.
(NRC-Handelsblad, 16 september 1997).

[...] Ongetwijfeld zijn door de branden al bepaalde planten en dieren verdwenen. Sommige planten zijn endemisch, wat betekent dat ze slechts op één bepaalde plek in de wereld voorkomen. Wanneer zo'n gebied door brand wordt verwoest, verdwijnen ze voorgoed, meestal samen met een insectensoort die uitsluitend deze plant bestuift."
[...] "In Maleisië is een kentering aan de gang. De plaatselijke kranten schrijven dagelijks over nieuwe en meer milieuvriendelijke methoden van houtkap. Een van die methoden bestaat hierin dat zware helikopters omgekapte woudreuzen oppakken en wegbrengen. Een methode met een prijskaartje, maar je hoeft dan niet hele bosgebieden plat te branden om een paar bomen weg te slepen." [...]
(Brabants Dagblad, 1 oktober 1997).

[...] De bosbranden zullen tot een natuurramp van onvoorstelbare omvang leiden, meent Rizal Roy van het Maleisische Natuurgenootschap. Dieren en vogels kunnen misschien wel aan de vlammen ontsnappen, maar niet aan de smog. De bijen in Noord-Borneo verliezen door de smog hun oriëntatievermogen. Ze eten minder, produceren minder honing en verder bestuiven ze minder gewassen, zodat uiteindelijk de planteneters minder te eten zullen krijgen. Gevreesd wordt ook voor het leefgebied van de op Sumatra en Borneo levende orang-oetans.
(De Telegraaf, 27 september 1997).

Amazone
De zwarte rookwolken die oprijzen uit bosbranden in het regenwoud in het Amazonegebied zijn trouwens nog veel omvangrijker en dikker dan de dampen die het gevolg zijn van de bosbranden in Indonesië. Dit zegt het Braziliaanse Nationale Instituut voor Ruimte-onderzoek (INPE). "In het Amazonegebied stichten de boeren steeds vaker bosbranden om hun land zaaiklaar te maken. Op beelden van een Amerikaanse satelliet is volgens het INPE te zien dat vorige maand in de Amazonewouden 13.200 branden en brandjes woedden. De immense rookwolken belemmeren het zicht in het miljoenen vierkante kilometers grote gebied zodanig dat vliegvelden het grootste deel van de tijd gesloten zijn. De lucht is er nog smeriger dan in de grote industriestad Sao Paolo.
Op sommige plaatsen is de hoeveelheid zonlicht die de aarde bereikt 30 procent lager dan normaal.
(Brabants Dagblad, 1 oktober 1997).

Zie volgende scherm

Ecologie

2/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.

[...] "Die smogwolken kunnen nog wel een maand blijven hangen, misschien wel drie maanden", vreest dokter Paul Leeflang. Ze verwachten de moesson niet eerder dan medio oktober.
(De Telegraaf, 26 september 1997).

[...] De autoriteiten hebben in een brief gewaarschuwd dat de problemen nog kunnen verergeren door het uitblijven van de regens. Morgen zal in de buurt van de stad Pekanbaru op Sumatra worden geprobeerd op kunstmatige manier regenval te veroorzaken. Volgens de krant The Indonesian Times zullen daartoe twee militaire vliegtuigen gedurende dertig dagen acht maal per dag opstijgen om telkens 800 kilo van een zoutoplossing in de wolken te verspreiden. De hoop is dat de rook door de kunstmatige regen zal neerslaan. Meteorologen voorspellen dat de droogte dit jaar zal voortduren tot november.
(NRC-Handelsblad, 16 september 1997).

Zie volgende scherm

Ecologie

3/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.
Zie figuur C 174 van de bijlage.

Gesteld dat de verwachte droogte inderdaad tot november aanhoudt en de smogwolken de gevreesde drie maanden blijven hangen, zal dat onder andere van invloed zijn op de assimilatie in planten in de getroffen gebieden (Zie figuur C 174 van de bijlage.)

Teken een grafiek met op de x-as de tijd, te beginnen op 1 september en eindigend op 1 maart, waarin de vermoedelijke hoeveelheid gevormde glucose door planten wordt weergegeven (geen glucosegetallen geven).

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/5 Een eilandje.
Zie figuur B 1242 van de bijlage.

Een ecoloog onderzoekt een drassig eilandje dat recent door verlanding is ontstaan in brak water. Brak water heeft een zoutgehalte tussen dat van zoet water en dat van zout water in. Bij deze verlanding spelen drie soorten veenmosplanten een belangrijke rol. Het zijn de veenmossoorten Sphagnum fimbriatum, Sphagnum recurvum en Sphagnum squarrosum.

Zie figuur B 1242 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding

In de afbeelding is Sphagnum recurvum getekend.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/5 Een eilandje.
Zie figuur C 75 van de bijlage.

De ecoloog bepaalt de pH op verschillende plaatsen op het eilandje en hij bepaalt de verspreiding van deze veenmossoorten. Hij tekent twee kaartjes waarin zijn resultaten zijn verwerkt.

Zie figuur C 75 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
De afbeelding geeft zijn kaartjes in vereenvoudigde vorm weer.

Zie volgende scherm

Ecologie

3/5 Een eilandje.

Op grond van zijn onderzoeksresultaten doet hij de volgende beweringen:

1. Sphagnum squarrosum kan alleen groeien bij een pH > 4,0.
2. Sphagnum recurvum geeft ionen af waardoor de pH van de bodem hoger wordt.
3. Er treedt geen competitie op tussen Sphagnum fimbriatum en Sphagnum recurvum.
4. Sphagnum recurvum heeft een andere habitat dan Sphagnum squarrosum.

Van welke bewering of van welke beweringen kan de juistheid worden afgeleid uit zijn onderzoeksresultaten?

Met bewering [invulveld]

Ecologie

4/5 Een eilandje.

Vervolgens onderzoekt hij op verschillende plaatsen op het eilandje het elektrisch geleidingsvermogen van het grondwater (= EGV). Toename van de ionenconcentratie in het grondwater leidt in het algemeen tot een verhoging van het EGV.

Vier processen zijn:

1. Opname van nitraat door veenmossen,
2. Opname van koolstofdioxide uit de lucht door veenmossen,
3. Verdamping van water uit de drassige bodem van het eilandje,
4. Neerslaan van ammoniak uit de lucht.

Welk van deze processen heeft of welke hebben invloed op het EGV?

Ecologie

5/5 Een eilandje.

In de voorgaande informatie over het eilandje worden de volgende abiotische factoren genoemd: pH, EGV, ionenconcentratie, zoutgehalte, nitraatgehalte en CO2 in lucht.

Noem vier andere abiotische factoren die van invloed zijn op de groeisnelheid van de veenmosplanten van de verschillende soorten.

Ecologie

Waddenzee.
Zie figuur B 5146 van de bijlage.

Hiernaast een voedselweb uit de Waddenzee.

Als we alle organismen per trofisch niveau zouden wegen, wat blijkt dan?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Eilandtheorie.

Volgens de eilandtheorie van McArthur en Wilson wordt het aantal soorten op een eiland bepaald door het evenwicht tussen het aantal soorten dat uitsterft op het eiland en het aantal soorten dat het eiland koloniseert.
De theorie stelt dat:

hoe groter een eiland, des te minder soorten sterven uit;
hoe dichter een eiland bij het vasteland, hoe meer soorten het eiland koloniseren.

Het resultaat zal zijn dat het aantal soorten zich in of vlakbij evenwicht zal bevinden: er sterven evenveel soorten uit als er nieuwe bijkomen.
De verandering in de soortensamenstelling wordt turn-over genoemd. De turn-oversnelheid is de resultante van de uitsterfsnelheid en de kolonisatiesnelheid.
Bekijk de onderstaande tabel:

I veel soorten, gemiddelde turn-oversnelheid;
II gemiddeld aantal soorten, lage turn-oversnelheid;
III weinig soorten, gemiddelde turn-oversnelheid;
IV gemiddeld aantal soorten, hoge turn-oversnelheid.

Zet de nummers in de rechter kolom bij het passende eiland in de linker kolom

  • I
  • II
  • IV
  • III
  • Waia: groot eiland, dicht bij het vasteland
  • Ariu: groot eiland, ver van het vasteland
  • Samaparua: klein eiland, dichtbij het vasteland
  • Malalé: klein eiland, ver van het vasteland

Ecologie

Diepe meren.

De twee diepste meren ter wereld zijn het Baikalmeer in Siberië en het Tanganyikameer in Tanzania. Het temperatuurverloop in hun omgeving is sterk verschillend: bij het Baikalmeer daalt de temperatuur tegen de herfst sterk, bij het Tanganyikameer is het constant warm.

Zijn er in de diepte van deze meren wel of geen dieren en zo ja, hoe komen die aan voedsel?

Ecologie

Voedselketen.

Bij elke stap in de voedselketen gaat een bepaald gedeelte van de oorspronkelijke hoeveelheid zonne-energie verloren.

Wat is daarvan de oorzaak?

Ecologie

Een Nederlandse plas.

In een Nederlandse plas met een diepte van ongeveer 25 meter zal

Ecologie

2/3 Zweeds ecosysteem.
Zie figuur A 1160 van de bijlage.

Bekijk het schema van een Zweeds ecosysteem hiernaast.

Welke van deze zes hoofdletters geven biotische factoren weer?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Amfibieën op Sri Lanka.

Op het eiland Sri Lanka komen 38 soorten amfibieën voor, waarvan 16 endemisch zijn.

Leg uit wat het begrip endemisch inhoudt.

Ecologie

Kolonisatie van Anak Krakatau.
Zie figuur B 5177 van de bijlage.

Na de uitbarsting van de Krakatau in 1883 verdween een heel eiland in de golven. Later ontstond er een nieuw vulkanisch eiland: Anak Krakatau (zie afbeelding).
Stel dat dit eiland gekoloniseerd wordt door 500 soorten en dat er na 50 jaar al 450 soorten aanwezig zijn.

Bereken nu met behulp van onderstaande formule hoeveel soorten er per jaar gemiddeld verschijnen en verdwijnen. Rond af op een geheel getal.

R = 1.16 Š
t0.90

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Zwaar metaal in de voedselketen.
Zie figuur B 5185 van de bijlage.

In een ecosysteem leven vier soorten, die samen een voedselketen vormen. De aantallen individuen per trofisch niveau kunnen als piramide weergegeven worden. Elke soort is afkomstig uit één van de volgende groepen:
groep 1. carnivore vissen
groep 2. herbivore vissen
groep 3. algen
groep 4. zoetwaterkrokodillen (zie de afbeelding).
Van deze soorten wordt de concentratie van een giftig zwaar metaal in het lichaam vastgesteld.
Organisme Concentratie gifstof in ppm
P 25000
Q 8050
R 2400
S 0,0009

Welke concentratie van de gifstof hoort bij welke groep?

afbeeldingafbeelding
  • 4

  • 1

  • 2

  • 3

  • P

  • Q

  • R

  • S

Ecologie

3/7 Grazende diergemeenschappen.

Niet alleen binnen een bepaald natuurgebied is er sprake is van een vrijwel constante gewichtsratio, maar dit geldt ook als men alle grazende diersoorten in geheel Afrika als één diergemeenschap beschouwt. Omdat er in totaal dan meer diersoorten zijn, zal de gewichtsratio voor heel Afrika kleiner zijn dan die voor de afzonderlijke gilden. In de tabel hieronder staan de gewichten van drie diersoorten met daarbij hun rangnummer in de gewichtsvolgorde van soorten in heel Afrika. Bij de volgende vragen wordt ervan uitgegaan dat de gewichtsratio tussen alle elkaar opvolgende soorten constant is.

afbeeldingafbeelding

Bereken de gewichtsratio voor heel Afrika met behulp van de gegevens in de tabel voor hartebeest en Kaapse buffel in twee decimalen nauwkeurig.

Ecologie

6/7 Grazende diergemeenschappen.

Voor diersoorten zwaarder dan de Kaapse buffel blijkt de gewichtsratio niet meer constant te zijn. Onderzoekers denken dat dit komt doordat lang geleden veel zware soorten zijn uitgestorven. De zwaarste grazersoort is momenteel de olifant met rangnummer 95 en een gewicht van 3550 kg.
Neem aan dat vroeger de gewichtsratio in Afrika voor alle elkaar opvolgende soorten constant gelijk aan 1,06 is geweest.

Onderzoek hoeveel soorten in de rangschikking tussen de Kaapse buffel en de olifant sindsdien zijn uitgestorven.
Noteer je antwoord hieronder.

Ecologie

7/7 Grazende diergemeenschappen.

Voor dieren in een natuurpark in Oost-Afrika, het Serengeti park, geldt het volgende verband:

logW=0,075N + 0,4 .

Hierin is W het lichaamsgewicht van een soort in kg en N is het rangnummer van die soort.
Deze formule kan met behulp van algebra worden omgewerkt tot W=b·gN .

Bereken op deze wijze de waarden van b en g. Rond je antwoorden af op één decimaal.

Ecologie

Vegetatietypen.
Zie de figuren A 1165 en B 5195 van de bijlage.

Bij verschillende klimaten horen verschillende vegetatietypen. In afbeelding 1 hiernaast is van een aantal vegetatietypen de relatie tussen temperatuur en neerslag gegeven. In afbeelding 2 zijn van drie plaatsen klimaatkaarten afgebeeld: Hokitika, Godthaab and Daly Waters (temperatuur in °C op de linker Y-as, neerslag in mm op de rechter Y-as).

Welke vegetatietypen hebben Hokitika, Godthaab en Daly Waters respectievelijk?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

1/2 Staartwatervlo.

Lees het onderstaande artikel over de staartwatervlo en bekijk de beweringen die na het artikel komen.

Invasie van rovende staartwatervlo in Nederland
Sinds enkele jaren komt in Nederland de staartwatervlo Bythotrephes longimanus (Leydig 1860) voor. De staartwatervlo wordt vooral gevonden in de diepe spaarbekkens van de Biesbosch. In deze 14 meter diepe meren wordt water verzameld voor de drinkwatervoorziening. In het water kunnen tot 10.000 individuen per m3 worden gevonden. Het is de vraag hoe de staartwatervlo in Nederland is terechtgekomen. Zijn ze met de waterstroom meegekomen of met vogels of met modder aan schepen of als wintereieren door de lucht? Er is geen sluitend antwoord te geven op deze vraag. Via de Rijn vanuit de Bodensee is mogelijk, maar niet waarschijnlijk. De reis duurt bijna langer dan de watervlooien leven. Ook stroomt de Rijn niet rechtstreeks door de Biesbosch maar de Maas. En daarin zijn nauwelijks ooit levende staartwatervlooien aangetroffen. Waarschijnlijk zijn de wintereieren de oplossing. Deze wintereieren zijn door mannetjes in de broedzak van vrouwtjes bevruchte eieren. Wintereieren zijn het overlevingsstadium van staartwatervlooien. Deze eieren ontwikkelen pas een volgend voorjaar verder. Bythotrephes longimanus komt voor in de diepe meren van de Alpen en Noord-Europa. Het is een raadsel waardoor ze niet in de tussenliggende meren voorkomen. De spaarbekkens van de Biesbosch zijn daar nu een uitzondering op en maken het raadsel groter.
Terwijl veel soorten watervlooien van plantaardig plankton leven, leeft Bythotrephes longimanus van dierlijk plankton in de grootteklasse van 300-700 mm. Bythotrephes longimanus heeft een voorkeur voor watervlooien. Roeipootkreeftjes worden zelden gepakt doordat die te snel bewegen. De staartwatervlo vangt de prooi met het eerste pootpaar. Voor een goede vangst mag het water niet al te troebel zijn.
Een opvallend kenmerk van de Bythotrephes longimanus is de lange staartstekel. Deze dient als stabilisator en als stuurorgaan.
Aan het aantal stekeltjes op de staart is te zien hoe vaak het dier is verveld. De vlakbij de Biesbosch in de rivieren gevonden exemplaren van de staartwatervlo hadden maar één stekel. De staartwatervlo kan zich parthenogenetisch voortplanten, dat wil zeggen dat de eicel zich zonder bevruchting ontwikkelt tot een nieuw individu.
In de broedzak vindt ontwikkeling van eieren plaats. Aan het einde van het groeiseizoen (september-december) ontwikkelen zich uit de eitjes mannetjes. Mannetjes onderscheiden zich van de vrouwtjes door het bezit van een haakje en een vlekje op het eerste pootpaar en twee penissen onder het vierde pootpaar.
Onderzoekers kijken met argusogen naar de komst van de staartwatervlo. De Nederlandse meren zijn over het algemeen troebel door een overmatige groei van algen. Bij actief biologisch beheer probeert men maatregelen te nemen die de ontwikkeling van grote populaties watervlooien bevorderen. Het wegvangen van de watervlooienetende witvis is daar een voorbeeld van. Met luchtinjecties probeert met water in beweging te houden zodat algenhoudende lagen ook diep in het meer terecht komen.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/2 Staartwatervlo.
Zie figuur B 5199 van de bijlage.

Welk van de volgende beweringen is of welke zijn juist?

1. De staartwatervlo behoort tot de producenten, doordat hij voorkomt in het plankton van de Nederlandse wateren.
2. Een toename van het aantal staartwatervlooien in een meer met groenig oppervlaktewater bevordert het weer helder worden van het water.
3. Luchtinjecties en het vangen van witvis in een meer hebben beide tot doel het helder maken van water, dat groen was geworden.
4. Het grote oog van een staartwatervlo geeft voordelen bij het jagen op watervlooien.
5. In de afbeelding hiernaast is een vrouwelijk exemplaar weergegeven.
6. Uit de wetenschappelijke naam voor de staartwatervlo blijkt dat de staartwatervlo behoort tot de familie Bythotrephes.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Geregeld ecosysteem.

Van twee nauw verwante soorten planteneters worden enkele individuen in een aantal ecosystemen geplaatst waarbinnen voedsel geen beperkende factor is en waarbij de temperatuur en de vochtigheid kunnen worden geregeld. Er is geen uitwisseling met andere ecosystemen en tussen de ecosystemen onderling.
Na drie generaties wordt het percentage van elke soort in elk ecosysteem bepaald. In de tabel hieronder zijn de resultaten en de omstandigheden in elk ecosysteem weergegeven.
afbeeldingafbeelding

Op grond van de tabel wordt een aantal beweringen gedaan.

Kies het nummer van de juiste bewering of de nummers van de juiste beweringen.

1. De luchtvochtigheid beïnvloedt de fitness van soort A meer dan de temperatuur.
2. In de beschreven milieus kunnen alleen soort A en soort B voorkomen.
3. Soort A en soort B leven van planten van dezelfde soort.
4. Soort A is waarschijnlijk een amfibie, soort B een reptiel.

Ecologie

Suezkanaal.

Na het graven van het Suezkanaal (1869), dat de Rode Zee verbindt met de Middellandse Zee, bleken veel soorten consumenten uit de Rode Zee zich te vestigen in de Middellandse Zee. Er vestigden zich geen consumenten vanuit de Middellandse Zee in de Rode Zee.
Op grond van deze gegevens wordt een aantal beweringen gedaan.

Kruis het nummer van de juiste bewering of het nummer van de juiste beweringen aan.

1. Vóór het graven van het Suezkanaal waren in de Middellandse Zee veel niches onbezet.
2. De Rode Zee is een rijker en meer gedifferentiëerd ecosysteem dan de Middellandse Zee.
3. De abiotische en biotische milieufactoren in de Middellandse Zee lagen binnen de tolerantiegrenzen van bepaalde Rode-Zee-consumenten.
4. De Middellandse Zee is vooral dieper dan de Rode Zee, zodat de Rode-Zee-consumenten zich nu ook in dieper water, waar andere abiotische milieufactoren zijn, konden vestigen.

Ecologie

Vulkanisch eiland.
Zie figuur B 5209 van de bijlage.

Voor drie soorten (species) rifbewoners gelden de volgende overlevingscurven (zie afbeelding hiernaast, met op de Y-as een logaritmische schaal voor het aantal overlevenden).

Welke van de volgende beweringen naar aanleiding van die curven is juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 Vulkanisch eiland.

De onderzoekers MacArthur en Wilson hebben veel bijgedragen aan de theorievorming over kolonisatie van een eiland door allerlei soorten van het vasteland.
Zij veronderstelden dat de kans op kolonisatie afhing van factoren zoals:

1. het aantal al op het eiland aanwezige soorten;
2. de afstand van het vasteland tot het eiland;
3. de oppervlakte van het eiland;
4. de verscheidenheid in biotopen op het eiland.

Kruis het nummer of de nummers van de bovenstaande factoren waarbij een toename zorgt voor een kleinere kans op kolonisatie.

Ecologie

Grutto en tureluur.

Grutto en tureluur zijn vogels die beide in bepaalde weilanden in de uiterwaarden van de grote rivieren voorkomen.

Welke van onderstaande beweringen is op grond van dit gegeven juist?

Ecologie

Strandkrabben.
Zie de figuren B 5234 en B 5235 van de bijlage.

In eenzelfde gebied heeft men in de jaren 1962, 1964 en 1965 op telkens dezelfde manier een monster genomen uit de aanwezige populatie strandkrabben (zie figuur 1). De samenstelling van elk monster is onderzocht naar jaarklassen, daarvan is het resultaat in nevenstaande diagrammen (zie figuur 2) weergegeven.

Wat kan men uit de zo ontstane piramiden met betrekking tot deze drie jaren concluderen?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

Een biotische factor.

Welk van de volgende voorbeelden laat zien hoe een biotische factor een organisme beïnvloedt?

Ecologie

Biomassa van een rups.

Samuel wil weten welk gedeelte van het voedsel van een rups in biomassa wordt omgezet. Hij doet een onderzoek en stelt vast dat de rups per dag 2 cm2 aan koolblad verorbert. Om daaruit de biomassa-toename B te berekenen, meet Samuel het gemiddelde drooggewicht van 1 cm2 koolblad, het totale gewicht aan rupsenfeces X, het totale drooggewicht per dag aan rupsenfaeces Y, en het dagelijks door de rups afgegeven gewicht aan CO2 .

Met welke formule kan hij nu de massa aan koolbladeren die per dag wordt omgezet in biomassa rups berekenen?

Ecologie

1/2 Avnsø.
Zie figuur A 1169 van de bijlage.

Avnsø is een meer in Midden-Sjælland (Denemarken), dat omgeven is door bos.
De gemiddelde bruto primaire productie in het meer is 10,9 kJ/m2 /dag. Op een dag in juni zijn de waarden bepaald van temperatuur, O2 -gehalte, nitraatgehalte en ammoniumgehalte in het meer op verschillende dieptes (zie afbeelding hiernaast).

Leg de verdeling van nitraat in de waterkolom uit.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Avnsø.
Zie figuur A 1169 van de bijlage.

Na een flinke storm is een aantal bomen in het bos omgewaaid. Men besloot de stammen op de meerbodem te bewaren, tot er tijd was om ze te zagen.

Beschrijf de betekenis van het bewaren van de boomstammen op de meerbodem voor de houdbaarheid van die stammen, in vergelijking met de keuze om die stammen op de bosbodem te laten liggen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Tributyltin.
Zie figuur A 1170 van de bijlage.

In de laatste drie dieren is de concentratie bepaald in de lever.

Leg uit wat daarvan de achterliggende gedachte is.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Parasieten bij vee.

De biologische afbraak van ivermectine is erg afhankelijk van de temperatuur. In de zomer wordt het in de loop van een dag afgebroken, in de winter kan het een paar maanden duren.

Verklaar het verschil in de afbraaksnelheid van ivermectine in zomer en winter.

Ecologie

Soorten op een eiland.
Zie figuur B 5262 van de bijlage.

Het aantal soorten dat op een eiland voorkomt wordt beïnvloed door het aantal binnenkomende soorten door immigratie en het aantal soorten dat verdwijnt door uitsterven. Daarbij is de snelheid waarmee immigratie en uitsterven gebeurt van belang. De immigratie snelheid wordt kleiner als het eiland verder van het vaste land is verwijderd. En de snelheid van uitsterven neemt af naarmate het eiland groter is.
Als immigratiesnelheid en uitsterfsnelheid gelijk zijn ontstaat er een evenwicht.
In nevenstaande figuur zie je 4 verschillende mogelijkheden voor zo'n evenwicht: S1 , S2 , S3 en S4
Er is een verband tussen de positie van S1 t/m S4 en afstand tot het vaste land en grootte van het eiland. Dat kun je in een tabel aangeven.

Klein eiland Groot eiland
Eiland dicht bij het vasteland P Q
Eiland ver van het vasteland R S

Zet S1 , S2 , S3 en S4 in de rechter kolom bij de juiste letter in de linker kolom.

afbeeldingafbeelding
  • S{s}3{s}
  • S{s}4{s}
  • S{s}1{s}
  • S{s}2{s}
  • P
  • Q
  • R
  • S

Ecologie

Grondsoorten.
Zie figuur B 5263 van de bijlage.

Drie verschillende grondsoorten werden onderzocht op:

- pH
- de aanwezige zure ionen: H+ en Al3+
- andere positieve ionen: Na+ , K+ , Ca2+ en Mg2+

Het staafdiagram hiernaast geeft de resultaten weer.
Het lichtgekleurd deel toont H+ en Al3+ , het donkergekleurde deel Na+ , K+ , Ca2+ en Mg2+ .

Naar aanleiding van de meetresultaten worden vier beweringen gedaan.

I. Aluminiumvergiftiging zal waarschijnlijk het meeste in grondsoort a voorkomen.
II. Grondsoort b bevat de meeste ionen die geschikt zijn als nutriënt voor planten.
III. Negatieve ionen zoals nitraat (NO3 - ) en fosfaat (PO4 3- ) zullen beter door grond worden vastgehouden dan de positieve ionen.
IV. Hoe meer positieve ionen worden vervangen door H+ , des te zuurder zal de grond worden.

Welk van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Biodiversiteit.
Zie figuur B 5269 van de bijlage.

De grafiek hiernaast laat het verband zien tussen frequentie of intensiteit van een verstoring en de diversiteit aan soorten.

Welke uitspraak is niet juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Sterfte van zeebaarzen.

Waarom vermengt het water uit de oppervlakte van het meer zich niet met water uit de diepere lagen in de zomer?
En wat is het nadeel van de planten van deze ´zomerstagnatie´?

Ecologie

1/4 Cane toads.
Zie figuur B 5296 van de bijlage.

Cane toads zijn padden die vanuit Hawaii in Australië zijn ingevoerd om suikerrietkevers te bestrijden. Maar de kevers lieten zich niet gemakkelijk vangen en de pad verliet de suikerrietplantages om elders op zoek te gaan naar voedsel. De paddenpopulatie groeide exponentieel, doordat ook de predatoren dood gingen wanneer ze een (giftige) pad aten.
In Australië verspreiden de cane toads zich in snel tempo over het continent. De padden aan het invasiefront (de rand van het verspreidingsgebied) verplaatsen zich het snelst. Dat is veel sneller dan deze paddensoort normaal gesproken doet.

Verklaar waarom de juist snelste padden aan het invasiefront te vinden zijn.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Cane toads.

Leg uit hoe (natuurlijke) selectie er voor gezorgd heeft dat deze padden zich veel sneller verplaatsen dan hun soortgenoten in Hawaii.

Ecologie

4/4 Cane toads.

Waarom treedt de vergiftiging van predatoren in het oorspronkelijke leefgebied van de padden niet op?

Ecologie

Een studie van een landdier.

Een studie van een bepaald soort landdier stelde vast dat meer dan 95% van de nakomelingen van deze diersoort niet tot voortplanting kwam.

Wat is een redelijke conclusie uit deze studie?

Ecologie

4/5 Koraalrif.
Zie figuur B 5312 van de bijlage.

Wat zou de consequentie kunnen zijn voor de biodiversiteit als het koraal verbleekt? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

5/5 Koraalrif.
Zie figuur B 5535 van de bijlage.

Het koraalrif wordt momenteel bedreigd door temperatuurstijging, verontreiniging en toerisme. Om de schade aan het koraalrif te herstellen hebben onderzoekers gewerkt met het kweken van jonge koraaldiertjes die uit het beschadigde gebied verzameld werden (zie afbeelding hiernaast).

Geef aan onder welke voorwaarden de introductie van deze gekweekte jonge koraaldiertjes tot behoud van het koraalrif kan leiden.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Pyjamicine.

Hoe noemt men stoffen als pyjamicine, die de groei van bacteriën remmen?

Ecologie

1/4 De reiger.
Zie figuur B 5317 van de bijlage.

De reiger (Ardea cinerea, (zie afbeelding hiernaast) jaagt op buit in het water en langs de waterkant. De vogel beweegt langzaam en voorzichtig in de buurt van laag water en zoekt daar voedsel. Tijdens de jacht kan hij plotseling 'bevriezen': hij staat heel stil met de hals in een S-bocht en tuurt in het water. Wanneer hij een vis ziet, buigt hij zich bliksemsnel en vangt de vis met zijn snavel.

Hoe kan deze jachttechniek zijn ontstaan via natuurlijke selectie?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Flora en fauna van Curaçao.
Zie figuur B 5731 van de bijlage.

Curaçao heeft verschillende soorten dieren die uniek zijn voor het eiland. Het Curaçaose witstaarthert of bina is daar een goed voorbeeld van. Het witstaarthert komt alleen aan de westkust van het eiland voor.

Hoe noemt men een soort die uniek is voor een bepaald gebied?

afbeeldingafbeelding