Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
De afbeelding geeft een schematische doorsnede van een deel van een poot van een huisvlieg weer. Met de cijfers 1, 2, 3 en 4 zijn spieren aangegeven. De poot is enigszins gebogen. De vlieg buigt de poot verder doordat bepaalde spieren zich samentrekken.
Welke spieren zijn dit?
afbeelding
Spierstelsel
Spieren bij een regenworm.
Een regenworm beweegt zich voort met behulp van lengtespieren en kringspieren. Deze lengtespieren en kringspieren zijn elkaars antagonisten.
Wat gebeurt er als de kringspieren zich samentrekken?
Spierstelsel
Spieren bij een paling. Zie figuur B 1823 van de bijlage.
De tekening stelt een zwemmende paling voor.
Op welke van de aangegeven plaatsen zijn de lengtespieren het sterkst aangetrokken?
afbeelding
Spierstelsel
Spieren. Zie figuur B 1977 van de bijlage.
In de afbeelding is een deel van het spierstelsel van de mens weergegeven.
Wat is de functie van spier P? En van spier Q?
afbeelding
Spierstelsel
Spieren. Zie figuur A 1012 van de bijlage.
Als door samentrekking van spieren de arm gebogen wordt, treedt er een verandering op in de dikte van de armspieren. Deze veranderingen zijn uitgezet in een diagram.
—— spier, die de arm buigt; ------ spier, die de arm strekt; Punt P: arm is gestrekt; Punt Q: arm is gebogen.
Welk diagram geeft die veranderingen juist weer?
afbeelding
Spierstelsel
Spiersamentrekking.
Een bepaalde spier in het lichaam van een mens ontvangt impulsen. Als gevolg hiervan treden veranderingen in die spier op.
Welke van de volgende veranderingen treden dan op?
Spierstelsel
Spiertemperatuur. Zie figuur B 1022 van de bijlage.
Afgebeeld staat een spier met bloedvaten. Tijdens de samentrekking van de spier werd de temperatuur gemeten op de plaatsen 1 en 2.
Wat zal de onderzoeker hebben waargenomen?
afbeelding
Spierstelsel
Spieren. Zie figuur B 3545 van de bijlage.
In de afbeelding zijn twee spieren met bloedvaten schematisch getekend. Spier P is ontspannen en spier Q samengetrokken. Een onderzoeker meet de temperatuur van het bloed op de plaatsen 1, 2 en 3.
Op welke plaats zal deze onderzoeker de hoogste temperatuur hebben waargenomen, of zal de temperatuur op alle drie de plaatsen even hoog blijken te zijn?
afbeelding
Spierstelsel
Spieren.
Vier beweringen over een spier die zich samentrekt, zijn:
1. Impulsen hebben de spier bereikt. 2. De spier wordt dikker. 3. De spier wordt korter. 4. De pezen van de spier worden korter.
Welke van deze beweringen is niet juist?
Spierstelsel
Een spier.
Een spier kan impulsen ontvangen vanaf het ruggenmerg. Ook kunnen er in de spier impulsen ontstaan die naar het ruggenmerg toe gaan.
In welke cellen in de spier ontstaan de impulsen die naar het ruggenmerg toe gaan?
Spierstelsel
1/3 Armen en spieren. Zie figuur B 788 van de bijlage.
De tekening stelt een arm van mens voor. Hierin is een gedeelte van beenderen en spieren zichtbaar.
Welke spier verbruikt in deze situatie de meeste energie: spier P of spier Q? Of verbruiken beide spieren evenveel energie?
afbeelding
Spierstelsel
2/3 Armen en spieren. Zie figuur B 788 van de bijlage.
Welke spier wordt of welke spieren worden langer als de arm zich strekt?
afbeelding
Spierstelsel
3/3 Armen en spieren. Zie figuur B 788 van de bijlage.
Aan welke beenderen is spier Q volgens de tekening bevestigd?
afbeelding
Spierstelsel
1/3 Spiertraining.
Als iemand voor een sport traint, gaan de gebruikte spieren zich sterker ontwikkelen. Hierdoor krijgt de spier meer volume. De spierkracht neemt toe. Een getrainde spier verbruikt tijdens inspanning meer zuurstof dan een niet-getrainde spier.
Voor welk proces vooral wordt door een spier tijdens inspanning zuurstof verbruikt?
Spierstelsel
2/3 Spiertraining.
Een spier bestaat onder andere uit eiwitten, koolhydraten en vetten.
Van welke van deze stoffen neemt bij volumetoename door training de hoeveelheid in een spier vooral toe?
Spierstelsel
3/3 Spiertraining.
Tijdens een beweging trekken bepaalde spieren zich samen. De temperatuur van het bloed dat deze spieren instroomt, is 37°C.
Is de temperatuur van dit bloed wanneer het deze spieren uitstroomt lager dan 37°C, gelijk aan 37°C of hoger dan 37°C?
Spierstelsel
1/2 Snelle spieren.
Sommige mensen lijken gemakkelijker te kunnen vermageren dan andere. Bepaalde onderzoekers hebben daar de volgende theorie over: er zijn 'snelle' spiervezels en 'langzame' spiervezels. De 'snelle' spiervezels putten hun energie hoofdzakelijk uit het verbranden van glucose. In 'langzame' spiervezels wordt voornamelijk vet verbrand. Hoe snel je kunt vermageren, hangt samen met hoeveel van elke soort spiervezels je hebt. Arno en Kees willen allebei vermageren. Arno heeft meer 'snelle' spiervezels en 30% lichaamsvet; Kees heeft meer 'langzame' spiervezels en ook 30% lichaamsvet. Arno en Kees volgen hetzelfde vermageringsdieet en eten ongeveer evenveel. Zij zijn begonnen met dagelijks een paar kilometer hardlopen en bewegen beiden ongeveer evenveel.
Bij wie van de twee gaat de vermagering volgens de theorie van de 'snelle' en 'langzame' spiervezels het snelst? Licht je antwoord toe.
Spierstelsel
2/2 Snelle spieren.
Spieren verbranden bij een grote inspanning van drie minuten vooral glucose.
Welke van de volgende beweringen over de herkomst van glucose is of zijn juist?
1. Deze glucose wordt door de spiercellen uit het bloed opgenomen en direct verbrand. 2. In de spieren bevindt zich glycogeen; daaruit wordt glucose gevormd.
Spierstelsel
1/3 Spieren. Zie figuur B 3291 van de bijlage.
In de afbeelding is schematisch een dwars doorgesneden spier getekend. De buitenste laag van de spier (P) bestaat uit bindweefsel.
Hoe heet P?
afbeelding
Spierstelsel
2/3 Spieren. Zie figuur A 783 van de bijlage.
In de afbeelding is onder andere een aantal spieren aan de achterzijde van het lichaam weergegeven.
Welke beweging ontstaat als spier P zich verder samentrekt?