Enzymen
Optima van menselijke enzymen.
I. Het zuurgraad-optimum van alle menselijke enzymen is nagenoeg gelijk.
II. Het temperatuur-optimum van alle menselijke enzymen is nagenoeg gelijk.
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
Optima van menselijke enzymen.
I. Het zuurgraad-optimum van alle menselijke enzymen is nagenoeg gelijk.
II. Het temperatuur-optimum van alle menselijke enzymen is nagenoeg gelijk.
Een zetmeelverterend enzym & de temperatuursinvloed.
Zie figuur A 110 van de bijlage.
In de figuur is het verband aangegeven tussen de zetmeelvertering en de temperatuur.
De vertering geschiedt onder invloed van een zetmeelverterend enzym van de mens.
De getrokken lijn geeft de tijd aan die nodig is om bij temperaturen tussen 10°C en 40°C een bepaalde hoeveelheid zetmeel geheel te verteren.
Bij alle bepalingen is uitgegaan van gelijke hoeveelheden enzym en gelijke hoeveelheden zetmeel die op de te onderzoeken temperatuur zijn gebracht.
Welke van de 4 stippellijnen geeft het meest waarschijnlijke verloop van de vertering tussen 40°C en 60°C aan?
afbeelding
Activiteit van een eiwitsplitsend enzym.
Zie figuur B 509 van de bijlage.
De activiteit van een eiwitsplitsend enzym dat voorkomt in een wasmiddel, werd bij verschillende temperaturen bepaald.
Als maat voor de activiteit werd genomen de hoeveelheid eiwit die in 20 minuten gesplitst werd.
De resultaten zijn uitgezet in het diagram.
Welke van de onderstaande manieren van wassen zal de grootste hoeveelheid eiwit uit wasgoed kunnen verwijderen als in alle gevallen evenveel wasmiddel is toegevoegd?
afbeelding
Schema stofwisselingsproces bij een bepaalde schimmel.
Het schema geeft een stofwisselingsproces bij een bepaalde schimmel weer.
De omzettingen vinden plaats door de werking van enige enzymen (1, 2, 3).
afbeelding
Door een mutatie ontstaat een stam, waarbij het eindproduct slechts gevormd kan worden als stof f of stof g wordt toegevoegd aan de voedingsoplossing.
Welk(e) enzym(en) is(zijn) bij deze stam onwerkzaam?
Wel of niet beinvloed door enzymen?
Drie processen die in het lichaam van de mens kunnen plaatsvinden, zijn:
1. de verplaatsing van zuurstof vanuit de lucht in de longblaasjes naar het bloedplasma,
2. de verdamping van water uit zweet op de huid,
3. de vorming van pigment in de huid.
Welke van deze processen vindt of welke vinden plaats onder invloed van enzymen?
Eigenschappen van enzymen.
Welke van onderstaande beweringen over enzymen is juist?
Eigenschappen van enzymen.
Drie beweringen over enzymen bij de mens zijn:
1. In een cel in de darmwand worden enzymen gevormd uit onder andere aminozuren.
2. Enzymen zijn alleen actief in levende cellen.
3. Een enzym wordt gesplitst tijdens de reactie waaraan het deelneemt.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
Zetmeeloplossing met amylase.
Zie figuur B 465 van de bijlage.
Op een zetmeeloplossing laat men, gerekend vanaf tijdstip 0, een bepaalde hoeveelheid van het enzym amylase inwerken. De temperatuur waarbij dit gebeurt, wordt constant op 37°C gehouden.
Om de vijf minuten wordt de hoeveelheid nog aanwezig zetmeel bepaald. De resultaten van de bepalingen worden uitgezet in een diagram.
Zie figuur B 465 van de bijlage.
In de afbeelding zijn vier diagrammen getekend.
In welk diagram kunnen de gemeten hoeveelheden zetmeel juist zijn weergegeven?
afbeelding
Enzymen en temperatuur.
Zie figuur B 1153 van de bijlage.
In de afgebeelde grafiek I wordt het verband weergegeven tussen de enzymwerking en de temperatuur.
Wat kan men zeggen over hetgeen aan de hand is bij de temperaturen P en Q?
afbeelding
afbeelding
Enzymen en temperatuur.
Bij de inwerking van het enzym pectinase op pectine, vinden we een optimumkromme. Bij een temperatuur hoger dan de optimumtemperatuur neemt de activiteit af omdat
Eiwitten en maagsap.
Zie figuur C 8 van de bijlage.
In een proef wordt de invloed nagegaan van de temperatuur op de snelheid waarmee eiwitten worden verteerd door maagsap. De resultaten worden in een diagram uitgezet.
Welk van afgebeelde diagrammen kan juist zijn?
afbeelding
De werking van een enzym.
De werking van een enzym wordt bepaald door
Een enzym dat waterstofperoxide afbreekt.
In de lever van zoogdieren komt een enzym voor dat uit waterstofperoxide zuurstof kan vrijmaken.
In een reageerbuis (1) wordt een stukje lever bij een oplossing van waterstofperoxide gedaan. Er wordt zuurstof vrijgemaakt door het enzym uit de lever. Na enige tijd wordt er geen zuurstof meer vrijgemaakt.
De vloeistof wordt overgeschonken in een tweede reageerbuis (2). In reageerbuis 2 met de afgeschonken vloeistof wordt een vers stukje lever gedaan.
Er wordt geen zuurstof vrijgemaakt. In reageerbuis 1 met de reeds gebruikte lever wordt verse waterstofperoxide-oplossing gedaan.
Er komt weer zuurstof vrij.
Stopte de reactie in reageerbuis 1 als gevolg van gebrek aan enzym?
Was het wegblijven van de reactie in reageerbuis 2 gevolg van enzymgebrek?
afbeelding
Modellen van de enzymwerking.
Zie figuur C 22 van de bijlage.
Welk(e) van de afgebeelde modellen geeft (geven) enzymwerking weer?
afbeelding
Enzym & vertering bij een zoogdier.
Een enzym van een zoogdier wordt onderzocht op zijn werking.
Men gaat te werk volgens onderstaand schema.
Een gelijke hoeveelheid van het enzym wordt gevoegd bij
afbeelding
De buizen worden op 38°C gehouden.
Alleen in buis 3 heeft vertering plaats.
Hieruit kan men afleiden, dat dit enzym afkomstig is
Zuurgraad (pH) en de activiteit van enzymen.
Zie figuur B 663 van de bijlage.
Afgebeeld diagram laat het verband zien tussen de zuurgraad (pH) en de activiteit van drie enzymen X, Y en Z.
Welke conclusie kun je dan trekken ten aanzien van de invloed van de zuurgraad op de activiteit van deze enzymen?
afbeelding
Enzymen en pH.
Zie figuur B 586 van de bijlage.
Bij een experiment worden zes reageerbuizen gevuld, elk met 0,5 gram opgelost substraat. Elke buis heeft een andere pH, die tijdens de gehele proef gelijk wordt gehouden. Aan elke buis wordt 5 ml toegevoegd van een enzymoplossing, die dat substraat kan afbreken. Na 30 minuten wordt de resterende hoeveelheid substraat gemeten.
De resultaten van deze metingen staan in het diagram. Op grond van deze resultaten worden in verband met dit enzym de volgende beweringen gedaan:
1. bij pH 6 werkt dit enzym minder goed dan bij pH 5;
2. het enzym werkt optimaal bij een pH tussen 2 en 3;
3. als bij pH 2 de hoeveelheid enzym wordt verdubbeld, is na 30 minuten de te verwachten hoeveelheid substraat nog steeds 0,5 gram.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
afbeelding