Oefentoets Biologie: Genetica - algemeen | VWO 1/VWO 2/VWO 3

Ontdek de digitale toets over erfelijkheid en genetica, gericht op studenten en geïnteresseerden in biologie, met vragen over genotypen en kruisingen bij verschillende diersoorten en planten, waaronder katten, fruitvliegen en tomaten. Test je kennis van dominante en recessieve eigenschappen en de principes van Mendels erfelijkheid. - 16 vragen

Aantal vragen

16

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Genotypen van katten met gevlekte vacht

Vachtkleur bij katten.

Bij katten is het gen voor een gevlekte vacht (R) dominant over dat voor een ongevlekte vacht (r). Een vrouwtje met gevlekte vacht krijgt nakomelingen van een mannetje met gevlekte vacht. Deze nakomelingschap bestaat uit dieren met gevlekte vacht en dieren met een ongevlekte vacht.

Wat zijn de genotypen van de ouderdieren?

Heterozygoten bij fruitvliegen met vleugels

Vleugellengtes.

Bij de fruitvlieg is het allel voor lange vleugels dominant over dat voor korte vleugels.
Twee fruitvliegen met lange vleugels paren.
De talrijke nakomelingen bestaan uit dieren met lange vleugels en dieren met korte vleugels.

Welk deel van deze nakomelingen is heterozygoot?

Erfelijkheid van stengellengtes bij erwten

Stengellengtes.

Men brengt stuifmeel van erwtenplanten met korte stengels op de stempels van heterozygote erwtenplanten met lange stengels.
De aanleg voor lange stengels is dominant en voor korte stengels recessief.

Hoeveel procent van de F1 -planten zal een korte stengel hebben, wanneer er veel F1 -planten zijn?

Haarkleur en genetica bij muizen

Haarkleur bij muizen.

Een mannetjesmuis werd gekruist met tien homozygote, bruine vrouwelijke muizen.
Alle nakomelingen waren bruin. Deze nakomelingen werden onderling gekruist en het resultaat daarvan was 299 bruine en 109 witte muizen.

Welke haarkleur had de mannetjesmuis en hoe was zijn aanleg daarvoor?

afbeeldingafbeelding

Bladranden bij tomatenplanten en kruisingen

Bladranden bij tomaten.
Zie figuur B 1030 van de bijlage.

Men kruist een tomatenplant die bladeren met ingesneden rand heeft met een tomatenplant die bladeren met gave rand heeft (P).
De aanleg voor ingesneden rand is dominant over die voor gave rand.
Beide planten zijn homozygoot voor de genoemde eigenschap.
De nakomelingen (F1 ) worden onderling gekruist.
Hier volgen twee beweringen over de kruisingen.

1. De F1 -planten hebben bladeren met ingesneden rand en zijn alle heterozygoot.
2. Sommige F2 -planten hebben bladeren met ingesneden rand, andere bladeren met gave rand; ze zijn alle homozygoot voor de genoemde eigenschap.

Van deze beweringen

afbeeldingafbeelding

Haarkleurgenetica bij cavia's

Haarkleur bij cavia's.

Bij cavia's is de aanleg voor zwart haar dominant over die voor wit haar.
Twee cavia's, heterozygoot voor deze aanleg, worden met elkaar gekruist.

Hoe groot is het percentage nakomelingen in de F1 dat wit haar zal hebben?

Kruisingen en vruchtkleur van tomaten

De kleur van tomaten.

Bij tomaten is de aanleg voor rode vruchtkleur (R) dominant over die voor gele vruchtkleur (r).
Men kruist een plant, heterozygoot voor deze aanleg, met een plant met gele vruchten.

Welke van onderstaande kruisingen geeft dit juist weer?

Overerving van kleur bij koeien

Koeien kruisen.

Uit een kruising van een zwartbonte koe met een roodbonte stier werd een zwartbont kalf geboren.

Welke conclusie over de overerving van het kenmerk zwartbont is nu juist?

Monohybride kruising en erfelijkheid

Een kruising.

Hieronder staan vier beweringen over een monohybride kruising tussen twee homozygote organismen:

1. de F1 bestaat uitsluitend uit heterozygote organismen,
2. de F1 bestaat uit homozygote en heterozygote organismen,
3. de F2 bestaat uitsluitend uit heterozygote organismen,
4. de F2 bestaat uit homozygote en heterozygote organismen.

Welke van deze beweringen zijn juist?

Genetische termen en nakomelingschap

De juiste termen.

Vul het juiste woord in op de plaats van de nummers.

Als twee ouders van elkaar verschillen en .....1..... zijn is hun nakomelingschap geheel gelijk en .....2.....; ze hebben dan een .....3..... uiterlijk.

Genetische termen en erfelijkheid

Vul in:

De inhoud van een genlocus op een chromosoom heet ...1...
De code voor een erfelijke eigenschap heet een ...2...
Als een erfelijke eigenschap in de twee chromosomen dezelfde inhoud heeft, heet zo'n eigenschap ...3...
De erfelijke informatie voor een bepaalde eigenschap heet het ...4...
Als een dierlijk individu voor alle eigenschappen homozygoot is, noemt een fokker het een ...5... individu.
Een plantenkweker spreekt dan van een ...6... plant.
Twee verschillende allelen in een gen noemt men ...7...
Als een allel zwakker overerft dan het andere allel van een gen heet dat een ...8... allel

Mendels wetten van erfelijkheid

Vul in:

Als twee individuen uit de eerste wet van Mendel met elkaar worden gekruist, ontstaat een nakomelingschap van dominante en recessieve individuen in de verhouding van ....1....

Als een heterozygote partner wordt gekruist met een recessieve ontstaat een nakomelingschap van dominante en recessieve individuen in de verhouding van ....2....

Erfelijkheid van een erfelijke ziekte

2/2 Een erfelijke ziekte.

In de tekst staat dat de erfelijke afwijking met 50% kans overerft van ouder op kind.

Hiermee wordt bedoeld dat

Bladvorm en vochtgehalte bij paardenbloemen

1/2 Paardenbloemen.
Zie figuur B 5477 van de bijlage.

We stekken een paardenbloem en planten de stekken op qua vochtgehalte verschillende plaatsen. Verder zijn alle omstandigheden gelijk. Op elke plaats komt maar één type blad voor. De bladeren zijn even lang en vertonen -behalve in de bladvorm- geen verschillen (zie figuur).

Welk blad hoort bij de plant die op de droogste plaats is gegroeid?
Dat is blad .

afbeeldingafbeelding

Invloed van erfelijkheid en milieu op bladvorm

2/2 Paardenbloemen.

Wordt de bladvorm bij de paardebloemen bepaald door de erfelijke eigenschappen en/of door het milieu?

Genotypebepaling van kikkererwtplanten

De kikkererwt.

De bloemen van de kikkererwtenplant zijn wit of paars. Het gen voor de paarse kleur is dominant.
Een kweker heeft de beschikking over drie kikkererwtenplanten:

- plant 1: met witte bloemen
- plant 2: homozygoot, met paarse bloemen
- plant 3: met paarse bloemen en onbekend genotype.

Om te bepalen of plant 3 homozygoot of heterozygoot is, wil hij deze plant kruisen met één van de andere twee planten. Uit de fenotypen van een groot aantal nakomelingen wil hij dan een conclusie trekken over het genotype van plant 3.

Is het genotype van plant 3 te bepalen door zo'n kruising?