Oefentoets Biologie: Genetica - monohybried | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 2

Deze oefentoets bevat 60 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

60

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Genetica

Cavia's.
Zie figuur B 6096 van de bijlage.

Bij cavia's zijn er allelen voor een bruingele vacht en voor een witte vacht; heterozygote individuen zijn lichtgeel.
Een lichtgeel cavia mannetje paart met een bruingeel vrouwtje.

Welke van de volgende uitspraken met betrekking tot de worp is juist, aangenomen dat geen mutaties optreden?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Pigment bij de mens.
Zie figuur B 218 van de bijlage.

Bij de mens komt gewoonlijk pigment in de huid voor. Dit wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van een
dominant allel.
In de getoonde stamboom zijn de individuen 1 en 3 heterozygoot voor de betrokken eigenschap; de individuen
2 en 4 zijn homozygoot normaal.

Hoe groot is de kans dat een kind van de individuen 5 en 6 pigment in de huid mist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 1185 van de bijlage.

Gegeven een stamboom, waarin individu 1 een vrouw voorstelt met blauwe ogen.
Individu 2 is een man met bruine ogen (heterozygoot).

Aan de hand van deze stamboom kan men zeggen dat, wat betreft oogkleur, individu 8

afbeeldingafbeelding

Genetica

Erwtenzaden.

Bij erwtenplanten is het allel voor gladde zaden dominant over dat voor gerimpelde zaden. De zaadvorm wordt bepaald door het genotype van het embryo.
Bij een groep erwtenplanten die heterozygoot zijn voor de zaadvorm vindt zelfbestuiving plaats.

Te verwachten is dat men bij deze planten zal aantreffen

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur C 37 van de bijlage.

De figuur stelt voor een gedeelte van een stamboom van individuen met een eigenschap, die wordt bepaald door een autosomaal (=niet X-chromosomaal) allel.

Is het allel voor deze eigenschap dominant of recessief?
Is individu P homozygoot of heterozygoot voor deze eigenschap?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Genetica

Schimmels.

Bij de schimmels Aspergillus is de kolonie haploïd en de zygote diploïd.
Een groen stam van deze schimmel wordt gekruist met een gele.

Hoe zal de samenstelling van de F1 zijn, aannemend dat deze talrijk is?

Genetica

Schapen.

Bij schapen komen gehoornde en hoornloze dieren voor.
Hoornloze ooien worden gekruist met gehoornde rammen; alle dieren zijn homozygoot. Ooien uit de F1 , die hoornloos zijn, worden gekruist met rammen uit de F1 , die kleine hoornen hebben.
In de aldus verkregen F2 is bij de ooien de verhouding hoornloos : gehoornd = 3 : 1, terwijl bij de rammen gehoornd : kleine hoornen : hoornloos = 1 : 2 : 1.

Hoe kan deze waarneming worden verklaard?

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 2527 van de bijlage.

De overerving van een bepaalde vorm van doofheid is in de stamboom weergegeven. De allelen G en g spelen een rol bij de bepaling van het gehoorvermogen.

Wat is het genotype van persoon T?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 172 en figuur B 173 van de bijlage.

Bij een zoogdiersoort komen van een bepaald kenmerk drie verschillende fenotypen voor. Voor dit kenmerk bestaan slechts twee verschillende allelen. Tekening Q, figuur B 172, geeft een deel van een stamboom weer, waarin de overerving van dit kenmerk is weergegeven.

Kan de overerving van dit kenmerk bij een ander paar dieren van dezelfde soort juist zijn weergegeven in stamboom R? En in stamboom S? Zie figuur B 173

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Genetica

Zaadkleur.
Zie figuur B 27 van de bijlage.

Bij een bepaalde erwtenplant ontstaan na bestuiving door een andere plant gele en groene zaden in de peulen (zie tekening).

Wordt de zaadkleur waarschijnlijke bepaald door het embryo of door de moederplant?
Is met zekerheid uit de tekening op te maken of de plant, die stuifmeel heeft geleverd, heterozygoot is geweest voor het gen voor zaadkleur?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Genetica

Bijen.

Bij bijen is de koningin (het vruchtbare wijfje) diploïd, de dar (het mannetje) is haploïd. Bij kruising van een donkerbruine koningin met een donkerbruine dar ontstaan wijfjes, die alle donkerbruin zijn; van de mannetjes is 50% donkerbruin en 50% is lichtbruin. Het dominante allel wordt weergegeven door E.

Wat zijn de genotypen van de donkerbruine koningin en de donkerbruine dar?

Genetica

Stuifmeel bij maïs.

Bij maïs groeien stuifmeelkorrels met het genotype E snel door de stijl en die met het genotype e langzaam.
Een plant met het genotype Ee wordt gestoven met zeer veel stuifmeelkorrels van een andere plant met hetzelfde genotype.

Welke uitspraak met betrekking tot het stuifmeel dat de nakomelingplanten vormen is juist?

Genetica

Suikermaïs.

Alle stempels van een plant van suikermaïs (genotype ee) worden bestoven met het stuifmeel van een zetmeelplant (genotype Ee). De stijlen worden hierna vlak boven de vruchtbeginsels doorgeknipt. Dit gebeurt op vier verschillende tijdstippen (zie tabel). Er ontstaan verschillende nakomelingschappen, die in de vier gevallen niet even groot zijn.

afbeeldingafbeelding

Als verklaring voor de afwijking van de 1 : 1 verhouding wordt gegeven:

1. in de suikermaïsplant heeft ook zelfbestuiving plaatsgevonden,
2. de gemiddelde groeisnelheid van stuifmeelbuizen met E is groter dan die met e,
3. bij de vorming van de stuifmeelkorrels zijn mutaties opgetreden.

Welke verklaring wordt of welke verklaringen worden door de resultaten gesteund?

Genetica

Genotypen.

Een bepaalde plant heeft het genotype Ee. Na zelfbestuiving ontstaan er veel zaden.

Welke genotypen kunnen gevonden worden in de cellen van de kiem en welke in die van de zaadhuid van deze zaden?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Bloemkleur.
Zie figuur B 154 van de bijlage.

De figuur stelt voor een stamper na bestuiving. De getekende stuifmeelkorrel afkomstig van een plant, die heterozygoot is voor bloemkleur. Deze plant heeft in een diploïde cel één allel voor rode en één allel voor witte bloemkleur. Kern K bevat een allel voor rode bloemkleur. Aangenomen wordt dat er geen mutaties optreden.
Over de allelen voor bloemkleur in de kernen L en M worden vier uitspraken gedaan.

Welke uitspraak is de juiste?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Vleugelstompjes.

Bij fruitvliegjes is het allel voor normale vleugels dominant over dat voor vleugelstompjes.
Twee fruitvliegjes paren: het mannetje heeft normale vleugels: het vrouwtje heeft vleugelstompjes. Van hun eerste tien nakomelingen hebben vier mannetjes normale vleugels, drie vrouwtjes normale vleugels en drie vrouwtjes vleugelstompjes. Vervolgens komen er in totaal nog ongeveer honderd nakomelingen.

Welk deel van deze nakomelingschap bestaat uit mannetjes met vleugelstompjes en welk deel uit vrouwtjes met vleugelstompjes?

Genetica

Allelen bij de mens.

Bij de mens kunnen de allelen G en g in het genotype voorkomen.
Bij een bepaalde vrouw komt het allel G in het fenotype tot uitdrukking. Zij heeft twee zoons en twee dochters.
Bij de ene dochter komt allel G in het fenotype tot uitdrukking; bij de andere dochter allel g. Evenzo komt bij de ene zoon allel G in het fenotype tot uitdrukking en bij de andere zoon allel g.

Welk genotype kan de vader van deze kinderen volgens deze gegevens gehad hebben?

Genetica

Gekleurde maïskolven.

Bij maïsplanten wordt de kleur van een maïskorrel veroorzaakt door de kleur van de kiem die zich in de korrel bevindt.
Een kweker heeft op een veld maïsplanten gekweekt uit genetisch identieke gele korrels. Hij heeft op een ander veld maïsplanten gekweekt uit genetisch identieke zwarte korrels. De velden liggen niet ver van elkaar. Aan de planten die uit de zwarte korrels zijn gekweekt, ontstaan kolven met ruim twee keer zoveel zwarte als gele korrels. Aan de planten die uit gele korrels zijn gekweekt, ontstaan kolven met vooral gele, maar ook een aantal zwarte korrels.
Ter verklaring hiervan worden de volgende veronderstellingen gedaan:

1. de zwarte maïskorrels waaruit het ene veld planten is gekweekt, waren heterozygoot voor korrelkleur;
2. het allel voor zwarte korrels is dominant over het allel voor gele korrels;
3. er is stuifmeel van het ene type maïsplant op stempels van het andere type maïsplant terecht gekomen.

Welke veronderstelling kan of welke veronderstellingen kunnen juist zijn?

De veronderstelling(en):

Genetica

Staarten bij muizen.

Bij muizen komt een erfelijk bepaalde misvorming van de staart voor. Een mannetje met een misvormde staart paart met een vrouwtje met eveneens een misvormde staart. Er ontstaan uit een aantal opeenvolgende worpen in totaal de volgende nakomelingen:

28 vrouwtjes met een misvormde staart;
15 mannetjes met een normale staart;
13 mannetjes met een misvormde staart.

Een mannetje P uit deze nakomelingschap met een misvormde staart paart vervolgens met een vrouwtje Q met een normale staart. Uit deze paring ontstaat een aantal nakomelingen: als eerste een mannetje R, als tweede een vrouwtje S. Er doen zich geen mutaties voor.

Is de kans voor R op een normale staart even groot als de kans voor S op een normale staart?
Zo neen, is de kans voor R op een normale staart groter of kleiner dan de kans voor S op een normale staart?
En wat is daarvoor de verklaring?

Genetica

Afwijkende vleugels.

Twee bananenvliegjes met normale vleugels paren. Onder de nakomelingen komen zowel dieren met normale vleugels als dieren met verschrompelde vleugels (vestigal) voor, zowel bij vrouwtjes als bij mannetjes. Er wordt verder gekweekt met alle nakomelingen die normale vleugels hebben. Hieruit ontstaat een tweede generatie nakomelingen.

Welk deel van deze laatste generatie nakomelingen heeft vestigal vleugels?

Genetica

Een erwtenplant.
Zie figuur B 1491 van de bijlage.

Uit een gele erwt met een doorzichtige zaadhuid wordt een erwtenplant opgekweekt. Na zelfbestuiving ontstaan in de peulen van deze plant gele en groene erwten (zie afbeelding). De zaadkleur wordt bij deze erwten bepaald door het genotype van het embryo. Over de erwten in de peulen van deze plant worden de volgende vier beweringen gedaan:

1. De erwten zijn haploïd; elke gele erwt heeft één allel voor gele zaadkleur in het genotype van het embryo en elke groene erwt één allel voor groene zaadkleur.
2. De erwten zijn diploïd; elke gele erwt heeft altijd twee allelen voor gele zaadkleur in het genotype van het embryo en elke groene erwt twee allelen voor groene zaadkleur.
3. De erwten zijn diploïd; een gele erwt heeft òf twee allelen voor gele zaadkleur in het genotype van het embryo òf één allel voor gele en één allel voor groene zaadkleur. Elke groene erwt heeft twee allelen voor groene zaadkleur in het genotype van het embryo.
4. De erwten zijn diploïd; elke gele erwt heeft twee allelen voor gele zaadkleur in het genotype van het embryo.
Een groene erwt heeft òf twee allelen voor groene zaadkleur in het genotype van het embryo, òf één allel voor groene zaadkleur en één allel voor gele zaadkleur.

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Kruisingen.

Bij welke van de onderstaande kruisingen is de kans op heterozygote nakomelingen het grootst?

Genetica

Een kruising.

De F1 van P: AA x aa wordt tot in de Fn door zelfbestuiving voort gekweekt.

In elke volgende generatie zien we dat

Genetica

1/3 Een monohybride kruising.

Bij een monohybride kruising ontstaan in de F1 twee verschillende fenotypen.

In welke verhouding ontstaan deze twee fenotypen?

Genetica

2/3 Een monohybride kruising.

Indien de twee ouders niet in uiterlijk zouden verschillen, hoe wordt dan de fenotypenverhouding in de F1 ?

Genetica

3/3 Een monohybride kruising.

Indien wordt uitgegaan van het gestelde in de vorige vraag en er ontstaan drie verschillende fenotypen, hoe vindt dan de overerving plaats en in welke verhouding ontstaan de fenotypen?

Genetica

1/2 Een plant kruisen.

Men kruist een rondbladige plant met een ovaalbladige; beide zijn homozygoot.
In de F2 ontstaan 2 verschillende fenotypen.

Wat is met zekerheid over de overerving van beide eigenschappen te zeggen?

Genetica

2/2 Een plant kruisen.

Met welk gegeven ten aanzien van de F1 of met welk gegeven ten aanzien van de F2 kan met zekerheid de soort overerving worden aangegeven? (beide mogelijkheden noemen)

Genetica

1/2 Een plant kruisen.

Men kruist een rondbladige plant met een ovaalbladige; beide zijn homozygoot.
In de F2 ontstaan 2 verschillende fenotypen.

Wat is met zekerheid over de overerving van beide eigenschappen te zeggen?

Genetica

2/2 Een plant kruisen.

Met welk gegeven ten aanzien van de F1 of met welk gegeven ten aanzien van de F2 kan met zekerheid de soort overerving worden aangegeven? (beide mogelijkheden noemen)

Genetica

1/3 Een monohybride kruising.

Bij een monohybride kruising ontstaan in de F1 twee verschillende fenotypen.

In welke verhouding ontstaan deze twee fenotypen?

Genetica

2/3 Een monohybride kruising.

Indien de twee ouders niet in uiterlijk zouden verschillen, hoe wordt dan de fenotypenverhouding in de F1 ?

Genetica

3/3 Een monohybride kruising.

Indien wordt uitgegaan van het gestelde in de vorige vraag en er ontstaan drie verschillende fenotypen, hoe vindt dan de overerving plaats en in welke verhouding ontstaan de fenotypen?

Genetica

1/4 Brandnetels.

Gegeven een kruising van homozygote brandnetelvariëteiten: gezaagde bladranden x gave bladranden.

In de F1 zijn alle bladeren gezaagd. De F1 -planten worden onderling gekruist.

Welk gegeven kan hier als overbodig worden aangeduid?

Genetica

2/4 Brandnetels.

Welk genotype hebben de planten in de F1 ?

Genetica

3/4 Brandnetels.

Geef in een kruisingsschema de genotypen van de F2 .

Genetica

4/4 Brandnetels.

Welke fenotypen en in welke verhoudingen krijg je in de F2 ?

Genetica

1/4 Cavia's kruisen.

Gegeven een kruising van homozygote cavia's: mannetje met bruine vacht x vrouwtje met donkere vacht.

De F2 geeft 100 nakomelingen:

12 bruine mannetjes en 13 bruine vrouwtjes,
38 donkere mannetjes en 37 donkere vrouwtjes.

Welke gegevens zijn overbodig?

Genetica

2/4 Cavia's kruisen.

Welke haarkleur is dominant?

Genetica

3/4 Cavia's kruisen.

Welk fenotype heeft de F1 ?

Genetica

4/4 Cavia's kruisen.

Welke genotypen heeft de F2 ?

Genetica

1/5 Sleutelbloemen kruisen.

Gegeven een kruising van sleutelbloemen: korte bloemsteel x lange bloemsteel.

In de F1 zijn er 113 planten met een lange bloemsteel en 117 met een korte bloemsteel.
Een kruising A van 2 kortgesteelde planten onderling levert altijd kortgesteelde nakomelingen op.
Een kruising B van 2 langgesteelde planten leverde op: 187 langgesteelde en 61 kortgesteelde.

Hoe erft de eigenschap 'steellengte' over?

Genetica

2/5 Sleutelbloemen kruisen.

Zou kruising A of kruising B weggelaten kunnen worden in de gegevens?

Genetica

3/5 Sleutelbloemen kruisen.

Wat is het genotype van de ouderplanten?

Genetica

4/5 Sleutelbloemen kruisen.

Wat is het genotype van de F1 -planten?

Genetica

5/5 Sleutelbloemen kruisen.

Wat is het feno- en genotype van de kruising van 2 langgesteelde ouderplanten?

Genetica

1/3 Oogkleur.

Uit een ouderpaar met vader met bruine ogen en moeder met bruine ogen wordt een kind geboren met blauwe ogen.

Hoe erft de oogkleur over?

Genetica

2/3 Oogkleur.

Welke genotypen hebben deze ouders?

Genetica

3/3 Oogkleur.

Is er in dit gezin kans op kinderen met bruine ogen? Verklaar.

Genetica

1/2 Kortvingerigheid.

Kortvingerigheid erft bij de mens dominant.

Kan er uit een ouderpaar dat normale vingers heeft een kind met korte vingers worden geboren?

Genetica

2/2 Kortvingerigheid.

Kan er uit 2 ouders, die korte vingers hebben, een kind worden geboren dat lange vingers heeft? Verklaar.

Genetica

1/3 Schapen kruisen.

Albinisme is bij schapen recessief ten opzichte van zwart.

- kruising: zwart schaap x .........ram.

Het moederschaap krijgt in verschillende worpen in totaal 4 lammeren waarvan er 2 zwart zijn en 2 wit.

Welke kleur had de ram?

Genetica

2/3 Schapen kruisen.

Welk gegeven maakt de conclusie bij de vorige vraag erg onbetrouwbaar?

Genetica

3/3 Schapen kruisen.

Wat is het genotype van een wit schaap?

Genetica

1/2 Proeven.

Voor 81 leerlingen had een chemische stof (fenylthio-ureum) een bittere smaak; de overige 30 proefden geen bitterheid.
Vier niet-proevende leerlingen hadden ieder twee ouders die wel de bittere smaak konden proeven.
De proevende leerlingen hadden nooit twee niet-proevende ouders.

Hoe erft het kunnen proeven van de bittere stof over?

Genetica

1/2 Proeven.

Wat is het genotype van proevers en niet-proevers?

Genetica

Een tonggootje.
Zie figuur B 895 van de bijlage.

De meeste mensen kunnen met hun tong een gootje maken (zie de afbeelding), maar er zijn ook mensen die dat niet kunnen. Deze eigenschap is erfelijk bepaald.
Een heterozygote moeder die een gootje kan maken en een vader die dat niet kan krijgen een kind.

Hoe groot is de kans dat dit kind een gootje kan maken? De kans is [invulveld] %

afbeeldingafbeelding