Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
De voorns krijgen in een dichtgevroren kanaal eerder last van zuurstofgebrek als er veel dood plantenmateriaal op de bodem ligt.
Leg uit waardoor veel dood plantenmateriaal leidt tot meer kans op zuurstofgebrek bij de voorns.
Dierfysiologie
3/3 Voorns en reigers.
Van de voorns die in het kanaal leven, is het aantal tamelijk constant. Dat geldt ook voor de reigers in de buurt, hoewel zij veel minder eieren leggen dan de voorns. Een voorn legt jaarlijks ongeveer 40.000 eieren, een reiger 4.
Verklaar, met behulp van het begrip verzorging, waardoor het komt dat bij de reigers het aantal ongeveer constant blijft met veel minder eieren dan bij de voorns.
Dierfysiologie
1/3 Winterrust.
De Grizzlybeer heeft in de zomer een lichaamstemperatuur van ongeveer 37°C. In de winter liggen de dieren meestal in hun holen te slapen. Hun lichaamstemperatuur daalt dan tot ongeveer 31°C. Af en toe verlaten ze hun hol om voedsel te zoeken. Vóór de winter slaat de Grizzlybeer een vetvoorraad op in zijn lichaam.
Waar wordt in het lichaam veel vet opgeslagen?
Dierfysiologie
2/3 Winterrust.
Het opgeslagen vet dient onder andere als reservevoedsel.
Noem nog een andere functie van de vetvoorraad.
Dierfysiologie
3/3 Winterrust.
Als de beer tijdens de winterrust ligt te slapen, is ook de hartslagfrequentie anders dan tijdens het slapen in de zomer.
Is het aantal hartslagen per minuut dan groter of kleiner dan in de zomer? Leg je antwoord uit.
Dierfysiologie
1/4 Zwanen. Zie figuur B 2538 van de bijlage.
Bepaalde zwanen maken soms lange trekvluchten. Om voldoende energie te hebben tijdens het vliegen bouwen zij een vetreserve op. Het vet kan tijdens het vliegen verbrand worden. Men heeft lang gedacht dat de vetreserve voldoende zou zijn voor de gehele trekvlucht. Die veronderstelling blijkt niet te kloppen. Zwanen hebben daarvoor een te kleine vetvoorraad. Zij verbranden bij een lange vlucht niet alleen vet, maar ook een deel van het spierweefsel.
Een grote vetreserve is een nadeel bij een lange vlucht.
Noem dit nadeel.
afbeelding
Dierfysiologie
2/4 Zwanen.
Bij zwanen zijn bepaalde spieren meer ontwikkeld dan andere spieren. Deze grote spieren verbruiken veel brandstof.
Waarvoor gebruikt een zwaan deze grote spieren vooral?
Dierfysiologie
3/4 Zwanen.
Bij het vliegen ontstaat veel water in een zwaan.
Wat is de naam van het proces waarbij dit water ontstaat?
Dierfysiologie
4/4 Zwanen. Zie figuur B 2539 van de bijlage.
De lichaamsbouw van zwanen is geschikt voor verblijf op het water en in de lucht. Zij eten vooral plantaardig voedsel.
Welke van de afgebeelde tekeningen hoort bij een zwaan?
afbeelding
Dierfysiologie
1/4 Zeehonden. Zie figuur B 3371 van de bijlage.
Zeehonden zijn aangepast aan het leven in zee. Ze kunnen zich soepel door het water bewegen. Daarbij halen ze snelheden van wel 35 kilometer per uur. Zo jagen ze bijvoorbeeld op hun voedsel.
In de afbeelding B 3371 zijn enkele voedselrelaties weergegeven. Daar is te zien dat een zeehond onder andere haring eet.
Welke twee andere soorten voedsel eet een zeehond volgens de afbeelding?
afbeelding
Dierfysiologie
2/4 Zeehonden.
Doordat het bloed van een zeehond veel bloeddeeltjes bevat die zuurstof transporteren, kan het dier lang onder water blijven.
Welke bloeddeeltjes worden hier bedoeld?
Dierfysiologie
3/4 Zeehonden. Zie figuur B 3372 van de bijlage.
In een verslag is te lezen hoeveel zeehonden in verschillende jaren in een bepaald gebied zijn geteld. Deze resultaten zijn in de grafiek van de afbeelding weergegeven. In de jaren 70 van de vorige eeuw hadden zeehonden veel te lijden onder milieuvervuiling. Doordat bepaalde maatregelen werden genomen, verbeterde de situatie.
In welke periode bleek dat de genomen maatregelen succesvol waren?
afbeelding
Stofwisseling dieren
1/2 De eekhoorn. Zie figuur B 4571 van de bijlage.
In een artikel staat: Eekhoorns leven in bossen. Ze hebben een korte snuit en grote ogen. Aan hun poten hebben ze stevige nagels, waarmee ze vlug in bomen kunnen klimmen. In de bomen voelen ze zich thuis. Met hun krachtige achterpoten kunnen ze enorme sprongen maken, bijvoorbeeld naar een andere boom. Als eekhoorns van boom tot boom springen, gebruiken ze hun grote staart om het evenwicht te bewaren. Eekhoorns eten eikels, beukennootjes en dergelijke. Hierbij gebruiken ze soms hun voorpoten.
De lichaamsbouw van een eekhoorn is aangepast aan het leven in bossen.
Schrijf twee van zulke aanpassingen op. Gebruik de bovenstaande informatie.
afbeelding
Stofwisseling dieren
2/2 De eekhoorn.
Eekhoorns zijn planteneters.
Welk soort kiezen hebben eekhoorns?
Stofwisseling dieren
1/5 Olifanten. Zie figuur B 3259 van de bijlage.
Er bestaan twee soorten olifanten: de Afrikaanse en de Indische olifant. De Indische olifant is gemakkelijker tam te maken dan de Afrikaanse olifant. Hij wordt daarom veel gebruikt voor het vervoeren van hout en andere spullen. Circusolifanten zijn allemaal Indische olifanten. Enkele verschillen tussen de beide soorten zijn: afbeelding
In de afbeelding zijn – bij dezelfde vergroting – de koppen van een Afrikaanse en een Indische olifant weergegeven. In de tabel staan enkele verschillen tussen de beide soorten olifanten.
Noem nog twee verschillen in bouw tussen een Afrikaanse en een Indische olifant. Gebruik hierbij de afbeelding.
afbeelding
Stofwisseling dieren
2/5 Olifanten. Zie figuur B 3260 en B 3259 van de bijlage.
In afbeelding zijn de botten van een poot van een olifant weergegeven.
Is deze poot van een Afrikaanse olifant of van een Indische olifant? Leg je antwoord uit met behulp van de informatie in afbeelding B 3259.
afbeeldingafbeelding
Stofwisseling dieren
3/5 Olifanten.
Alle olifantensoorten eten alleen maar plantaardig voedsel.
Welk type kiezen hebben olifanten?
Stofwisseling dieren
4/5 Olifanten.
Vooral in de oren geven bloedvaten warmte af. Door met de oren te wapperen kunnen olifanten daardoor afkoelen.
Noem nog een andere functie van de oren.
Stofwisseling dieren
5/5 Olifanten. Zie figuur B 3261 van de bijlage.
Olifanten hebben een slurf. Dit is een vergroeiing van de neus met de bovenlip. Met een slurf kan een olifant iets vastpakken.
Is een slurf een weefsel, een orgaan of een organisme?