Oefentoets Biologie: Bloed | Omloop | VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 6

Deze digitale toets over de bloedsomloop en bloedvaten is gericht op leerlingen in de biologie en biedt inzicht in de kleine en grote bloedsomloop, inclusief de functies van verschillende bloedvaten en de impact van bloedstolsels. Test je kennis met interactieve vragen en diagrammen om de complexe werking van het menselijk circulatiesysteem te begrijpen. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Veranderingen in de kleine bloedsomloop

5/5 Bloedvaten.
Zie figuur A 813 van de bijlage.

Als het bloed van bloedvat R naar bloedvat P stroomt, treden er veranderingen op in de hoeveelheid glucose en zuurstof in het bloed.

In de afbeelding (zie figuur A 813) zijn vier diagrammen getekend.

Welk diagram geeft die veranderingen in de kleine bloedsomloop juist weer als het bloed van bloedvat R naar bloedvat P stroomt?

afbeeldingafbeelding

Bloedvaten in de handen

1/4 Bloedstroom in je handen.
Zie figuur B 1969 van de bijlage.

Op de rugzijde van je handen zijn vaak bloedvaten te zien. In de afbeelding zijn deze bloedvaten getekend. Deze bloedvaten liggen dicht onder de huid.

Wat voor bloedvaten zijn in de afbeelding getekend?

afbeeldingafbeelding

Bloedvaten in de handen en bloedsomloop

2/4 Bloedstroom in je handen.

Tot welke bloedsomloop of bloedsomlopen behoren de bloedvaten in de handen?

Bloedstroom in de Handen

3/4 Bloedstroom in je handen.
Zie figuur B 2058 van de bijlage.

Op de volgende manier (zie de afbeelding) kun je bij jezelf zien hoe je bloed stroomt.

Tekening 1. Bal je linkerhand tot een vuist. Op de rug van die hand zie je bloedvaten. Druk één van die bloedvaten met je rechter middelvinger dicht.
Tekening 2. Strijk met de wijsvinger van de rechterhand het bloed in het dichtgedrukte vat weg in de richting van de pols.
Tekening 3. Als je het vat dicht blijft drukken stroomt er geen nieuw bloed in dit vat omdat kleppen het bloed verhinderen terug te stromen.
Tekening 4. Als je niet meer op het vat drukt, stroomt het vat weer vol.

In welke richting stroomt normaal het bloed in dit dichtgedrukte bloedvat?

afbeeldingafbeelding

Kleppen in de bloedstroom van handen

4/4 Bloedstroom in je handen.
Zie figuur B 2058 van de bijlage.

In situatie 3 (zie de afbeelding, tekening 3) verhinderen kleppen dat het bloed terugstroomt.

Op welke plaats bevinden zich de kleppen die in deze situatie het bloed tegenhouden?

afbeeldingafbeelding

Zuurstofrijk Bloed naar de Lever

1/2 Bloedvaten.
Zie figuur A 326 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een gedeelte van de bloedsomloop van de mens weergegeven.

Uit welk bloedvat ontvangt de lever van de mens zuurstofrijk bloed?

afbeeldingafbeelding

Bloedvaten in de kleine bloedsomloop

2/2 Bloedvaten.
Zie figuur A 326 van de bijlage.

Maakt één van de in de afbeelding genummerde bloedvaten deel uit van de kleine bloedsomloop?
Zo ja, welk?

afbeeldingafbeelding

Bloedcirculatie volgens William Harvey

1/2 Harvey.

In de zeventiende eeuw ontdekte William Harvey dat bloed in het bloedvatenstelsel een kringloop doorloopt.
Vóór die tijd dacht men dat bloed door het hart gemaakt werd en in de weefsels werd verbruikt. Harvey toonde aan dat dit onwaarschijnlijk was.
Harvey stelde vast dat bij een volwassen mens het hart per slag ongeveer 50 ml bloed wegpompt. Hij telde 70 hartslagen in één
minuut.

Bereken hoeveel liter (1 liter = 1000 ml) bloed het hart volgens Harvey per minuut wegpompt.

Bloedverbruik in weefsels: onwaarschijnlijkheid uitleg

2/2 Harvey.

Leg uit waarom het onwaarschijnlijk is, dat een mens het bloed in de weefsels verbruikt.

De bloedsomloop en bloedvaten

Een deel van de bloedsomloop - 3 j/o-vragen.
Zie figuur B 3529 van de bijlage.

Kies: juist of onjuist.

In de afbeelding is een deel van de bloedsomloop schematisch getekend.

1. Bloedvat P is een slagadertje.

2. Het bloed stroomt van P naar Q.

3. De bloeddruk bij P is lager dan de bloeddruk bij Q.

afbeeldingafbeelding

De bloedsomloop en bloedvaten

Een deel van de bloedsomloop - 3 j/o-vragen.
Zie figuur B 3529 van de bijlage.

In de afbeelding is een deel van de bloedsomloop schematisch getekend.

1. Bloedvat Q is een adertje.

2. Het bloed stroomt van Q naar P.

3. De bloeddruk bij P is hoger dan de bloeddruk bij Q.

afbeeldingafbeelding

Bloedvaten en hun functies

Bloedsomloop.
Zie figuur B 3524 van de bijlage.

In de afbeelding is een deel van het bloedvatenstelsel van de mens schematisch getekend.

1. Welke van de genummerde bloedvaten zijn aders?
In (oplopende volgorde) de nummers , , en

2. Is het bloed in bloedvat 1 zuurstofrijk of zuurstofarm?

3. In welk van de genummerde bloedvaten wisselt het glucosegehalte van het bloed het sterkst gedurende een etmaal?

afbeeldingafbeelding

Bloedvaten en hun functies

Bloedsomloop.
Zie figuur B 3524 van de bijlage.

In de afbeelding is een deel van het bloedvatenstelsel van de mens schematisch getekend.

1. Welke van de genummerde bloedvaten zijn slagaders?
In (oplopende volgorde) de nummers , en

2. Is het bloed in bloedvat 1 zuurstofrijk of zuurstofarm?

3. In welk van de genummerde bloedvaten 2, 3 of 4 heeft het bloed gemiddeld het hoogste glucosegehalte? bloedvat

afbeeldingafbeelding

Bloedvaten in de bloedsomloop

1/7 Bloedsomloop.
Zie figuur A 382 van de bijlage.

In een reclamefolder van een geneesmiddelenfabrikant staat de volgende tekst over de bloedsomloop.

Een mens heeft een hart en een bloedsomloop. Of eigenlijk: een hart en twee bloedsomlopen. Een kleine bloedsomloop en een grote bloedsomloop. De grote zorgt ervoor dat het voedsel- en zuurstofrijke bloed over de weefsels en organen wordt verdeeld.
Het bloed wordt door het hart in de slagaders gepompt. Het bloed komt na zijn omloop via de aders weer terug in het hart.

In de afbeelding (figuur A 382) zijn schematisch de bloedsomlopen met enkele bloedvaten getekend. In het linkerbeen zijn twee bloedvaten genummerd.

Welke bloedvaten, die in de afbeelding zijn benoemd, horen bij de kleine bloedsomloop?

afbeeldingafbeelding

Bloedvaten en hun voedingsstoffen en zuurstof

2/7 Bloedsomloop.
Zie figuur A 382 van de bijlage.

Welk nummer heeft het bloedvat met het hoogste gehalte aan voedingsstoffen?
En welk nummer heeft het bloedvat met het hoogste gehalte aan zuurstof?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Bloedcirculatie en medicijnafgifte

3/7 Bloedsomloop.
Zie figuur A 382 van de bijlage.

Een patiënt slikt een bepaald medicijn dat de productie van urine moet stimuleren. Dat medicijn wordt via de wand van het verteringskanaal opgenomen in het bloed.

Twee beweringen over de weg van het medicijn na opname in het bloed zijn:

I. Het medicijn bereikt na opname in het bloed eerder de longen dan de nieren.
II. De totale hoeveelheid van het opgenomen medicijn bereikt de nieren meteen de eerste keer nadat ze de linker kamer is gepasseerd.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Kleppen in het Bloedvatenstelsel

4/7 Bloedsomloop.
Zie figuur A 382 van de bijlage.

Drie delen van het bloedvatenstelsel zijn: een beenader, een beenslagader en het hart.

In welk of in welke van deze delen komen kleppen voor?

afbeeldingafbeelding

Bloedstroom vanuit het hart naar de longen

5/7 Bloedsomloop.
Zie figuur A 382 van de bijlage.

Uit welk deel van het hart stroomt het bloed direct de longslagader in?

afbeeldingafbeelding

Aders die bloed naar het hart brengen

6/7 Bloedsomloop.
Zie figuur A 382 van de bijlage.

In de tekst staat dat het bloed via aders naar het hart terugstroomt.

Noem twee verschillende aders van waaruit bloed rechtstreeks in het hart terecht komt.

afbeeldingafbeelding

Gevolgen van een bloedvatverstopping

7/7 Bloedsomloop.
Zie figuur A 382 van de bijlage.

Soms raakt een bloedvat verstopt door een bloedstolsel. Wanneer een slagader van het rechterbeen verstopt raakt door een stolsel, kunnen cellen in de rechtervoet doodgaan.

Leg uit dat het stolsel in het bloedvat ertoe kan leiden dat die cellen doodgaan.

afbeeldingafbeelding