Oefentoets Biologie: Gedrag - Broedzorg | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4

Deze digitale toets over het gedrag van Berberapen en koekoeken biedt leerlingen inzicht in dierenbiologie en gedragsstudies. Geschikt voor studenten in het voortgezet onderwijs, bevat de toets vragen over broedzorg, agressie en sleutelprikkels in de natuur. - 19 vragen

Aantal vragen

19

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag van Berberapen

1/2 Berberapen.

Hieronder is een artikel uit een tijdschrift weergegeven.

Tekst:
Berberapen leven in groepen in Noord-Afrika, op 1000 tot 2000 meter hoogte waar het in de winter zeer koud is. Deze zoogdieren eten gras, vruchten en andere planten, maar ook wel insecten en spinnen. Bij berberapen krijgt een vrouwtje meestal één jong per jaar. De baby's zijn in de groep erg belangrijk. Al vrij snel na de geboorte in het voorjaar nemen de volwassen mannetjes de baby's regelmatig van de vrouwtjes
over, dragen ze op hun rug en beschermen ze.
Een mannetje neemt een baby soms ook mee bij het benaderen van een ander mannetje. Het lijkt erop dat daardoor het andere mannetje minder agressief is.

In de tekst wordt gedrag genoemd dat broedzorg heet.

Citeer de twee eerste en de twee laatste woorden van de zin waarin dit gedrag wordt beschreven.

Prikkel voor agressieonderdrukking bij Berberapen

2/2 Berberapen.

Wat is volgens de tekst de mogelijke prikkel voor het onderdrukken van de agressie bij de mannetjesapen van deze soort?

Broedzorg bij de koekoek

1/5 De koekoek.
Zie figuur B 4339 van de bijlage.

In een artikel staat de volgende informatie over de koekoek. De koekoek is een vogel die in Nederland voorkomt. Een ‘vreemde vogel' kun je wel zeggen. Zo heeft de koekoek een voorkeur voor harige rupsen die door bijna geen andere vogelsoort worden gegeten. Ook maakt de koekoek nooit zelf een nest, maar legt het vrouwtje de eieren in de nesten van een andere vogelsoort. Er wordt één ei per nest gelegd. Het uitbroeden en voeren van de jonge koekoek wordt aan de ‘pleegouders' overgelaten.
Als de jonge koekoek gevoerd wordt, komen de echte ouders af en toe kijken. Als het jong het nest verlaat, geven ze het vliegles, en daar houdt hun zorg mee op.

In de bovenstaande informatie worden voorbeelden van broedzorg genoemd.

Noem twee vormen van broedzorg die bij de koekoek ontbreken.

afbeeldingafbeelding

Koekoek: Erfelijk of Aangeleerd Gedrag?

2/5 De koekoek.

Is het leggen van een ei in het nest van een andere vogelsoort erfelijk gedrag of is het aangeleerd gedrag? Leg je antwoord uit.

Functie van geluid bij de koekoek

3/5 De koekoek.

Het koekoeksmannetje roept zijn eigen naam. Met dat geluid wordt in de paartijd een vrouwtje gelokt.

Noem een andere functie van het maken van geluid door de koekoek.

Sleutelprikkels bij koekoeksjongeren

4/5 De koekoek.

Een koekoeksjong probeert direct na het uitkomen uit zijn ei alle andere eieren uit het nest te duwen. Als dat niet lukt, moet het koekoeksjong het nest soms delen met een andere vogel. Toch krijgt het koekoeksjong het meeste voedsel, doordat het een veel grotere oranjerode bek heeft dan het andere vogeltje.

Deze kleur van de bek is een uitwendige prikkel voor de ouder om te voeren.

Hoe wordt zo'n extra sterke sleutelprikkel genoemd? Een [invulveld] prikkel

Sleutelprikkel voor pleegoudergedrag bij eieren

5/5 De koekoek.

Het ei van een koekoek heeft wel dezelfde kleur als de eieren van de pleegouders, maar de vorm is anders. Toch wordt dit vreemde ei door de pleegouders geaccepteerd.
Twee leerlingen gaan een onderzoek doen naar dit gedrag. Voor hun onderzoek hebben ze de beschikking over vier typen nep-eieren. Deze eieren hebben dezelfde temperatuur en geur als de eigen eieren van de pleegouders, maar kunnen in vorm en kleur verschillen (zie de tabel).
afbeeldingafbeelding
In een aantal nesten worden de echte eieren vervangen door één van de vier typen nep-eieren. De leerlingen ontdekken dat nep-eieren van type 2 en van type 4 door de pleegouders in de steek worden gelaten.

Wat is de sleutelprikkel voor het in de steek laten van de eieren?

Inwendige prikkel van het koekoeksjong

1/3 Koekoeken.
Zie figuur B 3294 van de bijlage.

Koekoeken zijn vogels die hun eieren leggen in nesten van andere soorten vogels. Zo gauw er enkele eitjes van de andere vogels in zo'n nest liggen, legt de koekoek er één bij. Als de jonge koekoek uit het ei gekomen is, duwt hij de andere eieren en jongen het nest uit. Wanneer een gastouder komt aanvliegen met insecten, doet het koekoeksjong zijn snavel wijd open. Bij het zien van de fel rood gekleurde binnenkant van de bek voert hij de jonge koekoek met de insecten.

Wat is de inwendige prikkel voor het koekoeksjong om zijn snavel wijd open te doen?

afbeeldingafbeelding

Sleutelprikkel voor het voeden van koekoeksjong

2/3 Koekoeken.

Wat is de sleutelprikkel voor de gastouders om het koekoeksjong te voeren?

Effect van geluid op voedselvoorziening bij vogels

3/3 Koekoeken.

Een koekoeksjong is veel groter dan een jong van de gastouders. Het wordt na ongeveer 10 dagen zelfs groter dan een volwassen gastouder. De gastouders voeren het ene koekoeksjong evenveel insecten als ze anders aan een heel nest met hun eigen jongen zouden voeren.
Onderzoekers doen een experiment om na te gaan of er nog andere prikkels zijn om zoveel voedsel voor één jong aan te voeren.
In tien nesten (nr. 1 t/m 10) van gastouders zetten ze een jong van een merel dat net zo groot is als een koekoeksjong.
Bij vijf van die nesten (nr. 6 t/m 10) plaatsen ze bovendien een luidspreker waaruit het gepiep van een koekoeksjong klinkt.
De jonge merels in de nesten 6 t/m 10 worden daarna door hun gastouders met veel meer insecten gevoerd dan die in de nesten 1 t/m 5.

Schrijf op welke conclusie je kunt trekken uit de resultaten van dit experiment.

Functie van inrolgedrag bij zilvermeeuwen

1/2 Super-ei.
Zie figuur B 3347 van de bijlage.

Zilvermeeuwen rollen eieren die uit het nest zijn gerold, weer terug in het nest.
Bij onderzoek is gebleken dat zij namaak-eieren, die veel groter zijn dan de eigen eieren, eerder in het nest rollen dan de eigen eieren. Zo'n namaak-ei heeft hetzelfde kleurpatroon als het eigen ei.

Noem een functie van het inrolgedrag van de zilvermeeuw.

afbeeldingafbeelding

Supranormale prikkels en inrolgedrag

2/2 Super-ei.

Is een groot namaak-ei buiten het nest een supranormale prikkel voor het inrolgedrag?
En is een normaal ei buiten het nest een supranormale prikkel voor het inrolgedrag?

Sleutelprikkels in het vogelgedrag

1/4 Vogelgedrag.
Zie figuur B 2959 van de bijlage.

Bij een bepaalde meeuwensoort zijn de eieren en de jongen lichtbruin gespikkeld, zodat ze niet opvallen in de omgeving. De binnenkant van de eierschalen is wit. Na het uitkomen van de eieren verwijderen de ouders de resten van de eierschalen uit het nest. Er is een onderzoek gedaan naar de sleutelprikkel voor dit gedrag.
Onderzoekers hebben verschillende voorwerpen in nesten van deze meeuwen gelegd (zie de tabel).
Vervolgens hebben ze geteld hoe vaak de meeuwen zo'n voorwerp uit het nest verwijderden. De resultaten zijn weergegeven in het diagram.

Welke kleur is volgens de resultaten de sleutelprikkel voor de meeuwen om een voorwerp uit het nest te verwijderen?

deze kleur is [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Eetgedrag van roofdieren bij eieren

2/4 Vogelgedrag.
Zie figuur B 2960 van de bijlage.

Een onderzoeker vermoedt, dat lege eierschalen bij het nest roofdieren aantrekken die de eieren opeten. Hij doet het volgende experiment:
Op 450 plaatsen in de duinen wordt een meeuwenei neergelegd. Op verschillende afstanden van zo'n ei wordt een halve eierschaal gelegd. Daarna wordt bijgehouden hoeveel van de eieren door roofdieren worden gevonden en opgegeten. De resultaten staan weergegeven in de tabel.

afbeeldingafbeelding

Hoeveel procent van de eieren uit groep 1 is opgegeten?

Dit percentage bedraagt [invulveld] %

afbeeldingafbeelding

Vogelgedrag en Staafdiagram Maken

3/4 Vogelgedrag.
Zie figuur A 1008 van de bijlage.

Op de uitwerkbijlage staat een onvolledig staafdiagram.

Maak met behulp van de gegevens uit de tabel dit staafdiagram af.

afbeeldingafbeelding

Conclusie over eierschalen en roofdieren

4/4 Vogelgedrag.

Schrijf een conclusie op uit de resultaten van dit experiment.

Functie van de kleur bij honingzuigers

1/3 Honingzuigers.

Honingzuigers zijn kleine vogels. Bij een bepaalde soort hebben de mannetjes in de voortplantingstijd zwarte veren met een blauwgroene glans. Bovendien hebben ze dan aan weerszijden van hun borst kleine oranje plukjes. Buiten het broedseizoen zijn ze net als de vrouwtjes en de jongen onopvallend gekleurd.
De honingzuiger bouwt met gras, blaadjes en haren een nest dat in een boom hangt. Beide ouders vertonen broedzorggedrag. De jongen geven poepjes af die door de ouders worden afgevoerd.
Als een roofvogel probeert de eieren of de jonge vogeltjes uit het nest te stelen, gaan de ouders de vogel "pesten". Ze vliegen dan met veel lawaai langs de rover en proberen hem zelfs te pikken.

Leg uit wat een functie is van de opvallende kleur die het mannetje een deel van het jaar heeft.

afbeeldingafbeelding

Voordelen van het verwijderen van poepjes

2/3 Honingzuigers.

Het afvoeren van de poepjes van de jongen voorkomt dat ze ziekten oplopen door infectie.

Noem nog een ander voordeel van het verwijderen van de poepjes.

Gedrag van honingzuigers zonder mannetje

3/3 Honingzuigers.
Zie figuur C 406 van de bijlage.

Onderzoekers wilden weten of het gedrag van een vrouwtje verandert, als ze alleen voor de jongen zou moeten zorgen. Hiervoor werden bij een aantal nesten de mannetjes weggevangen. Nesten die door beide ouders werden verzorgd, werden als controlegroep gebruikt. De overige omstandigheden waren gelijk.
Tijdens het onderzoek werd het volgende genoteerd:

- het aantal bezoeken aan het nest
- de tijd die op het nest werd doorgebracht tijdens een bezoek
- het aantal poepjes dat uit het nest werd afgevoerd
- de tijd die aan het pesten van roofvogels werd besteed.

In de afbeelding worden de resultaten weergegeven in vier staafdiagrammen.

Naar aanleiding van deze resultaten worden twee uitspraken gedaan.

Als er geen mannetje is, brengt het vrouwtje in totaal meer tijd per uur door op het nest dan wanneer er wel een mannetje is.
Als er geen mannetje is, besteedt het vrouwtje meer tijd aan pesten dan wanneer er wel een mannetje is.

Geef bij elke uitspraak aan of deze juist is of onjuist.

afbeeldingafbeelding