Deze oefentoets bevat 19 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Hieronder is een artikel uit een tijdschrift weergegeven.
Tekst: Berberapen leven in groepen in Noord-Afrika, op 1000 tot 2000 meter hoogte waar het in de winter zeer koud is. Deze zoogdieren eten gras, vruchten en andere planten, maar ook wel insecten en spinnen. Bij berberapen krijgt een vrouwtje meestal één jong per jaar. De baby's zijn in de groep erg belangrijk. Al vrij snel na de geboorte in het voorjaar nemen de volwassen mannetjes de baby's regelmatig van de vrouwtjes over, dragen ze op hun rug en beschermen ze. Een mannetje neemt een baby soms ook mee bij het benaderen van een ander mannetje. Het lijkt erop dat daardoor het andere mannetje minder agressief is.
In de tekst wordt gedrag genoemd dat broedzorg heet.
Citeer de twee eerste en de twee laatste woorden van de zin waarin dit gedrag wordt beschreven.
Gedrag
2/2 Berberapen.
Wat is volgens de tekst de mogelijke prikkel voor het onderdrukken van de agressie bij de mannetjesapen van deze soort?
Gedrag
1/5 De koekoek. Zie figuur B 4339 van de bijlage.
In een artikel staat de volgende informatie over de koekoek. De koekoek is een vogel die in Nederland voorkomt. Een ‘vreemde vogel' kun je wel zeggen. Zo heeft de koekoek een voorkeur voor harige rupsen die door bijna geen andere vogelsoort worden gegeten. Ook maakt de koekoek nooit zelf een nest, maar legt het vrouwtje de eieren in de nesten van een andere vogelsoort. Er wordt één ei per nest gelegd. Het uitbroeden en voeren van de jonge koekoek wordt aan de ‘pleegouders' overgelaten. Als de jonge koekoek gevoerd wordt, komen de echte ouders af en toe kijken. Als het jong het nest verlaat, geven ze het vliegles, en daar houdt hun zorg mee op.
In de bovenstaande informatie worden voorbeelden van broedzorg genoemd.
Noem twee vormen van broedzorg die bij de koekoek ontbreken.
afbeelding
Gedrag
2/5 De koekoek.
Is het leggen van een ei in het nest van een andere vogelsoort erfelijk gedrag of is het aangeleerd gedrag? Leg je antwoord uit.
Gedrag
3/5 De koekoek.
Het koekoeksmannetje roept zijn eigen naam. Met dat geluid wordt in de paartijd een vrouwtje gelokt.
Noem een andere functie van het maken van geluid door de koekoek.
Gedrag
4/5 De koekoek.
Een koekoeksjong probeert direct na het uitkomen uit zijn ei alle andere eieren uit het nest te duwen. Als dat niet lukt, moet het koekoeksjong het nest soms delen met een andere vogel. Toch krijgt het koekoeksjong het meeste voedsel, doordat het een veel grotere oranjerode bek heeft dan het andere vogeltje.
Deze kleur van de bek is een uitwendige prikkel voor de ouder om te voeren.
Hoe wordt zo'n extra sterke sleutelprikkel genoemd? Een [invulveld] prikkel
Gedrag
5/5 De koekoek.
Het ei van een koekoek heeft wel dezelfde kleur als de eieren van de pleegouders, maar de vorm is anders. Toch wordt dit vreemde ei door de pleegouders geaccepteerd. Twee leerlingen gaan een onderzoek doen naar dit gedrag. Voor hun onderzoek hebben ze de beschikking over vier typen nep-eieren. Deze eieren hebben dezelfde temperatuur en geur als de eigen eieren van de pleegouders, maar kunnen in vorm en kleur verschillen (zie de tabel). afbeelding In een aantal nesten worden de echte eieren vervangen door één van de vier typen nep-eieren. De leerlingen ontdekken dat nep-eieren van type 2 en van type 4 door de pleegouders in de steek worden gelaten.
Wat is de sleutelprikkel voor het in de steek laten van de eieren?
Gedrag
1/3 Koekoeken. Zie figuur B 3294 van de bijlage.
Koekoeken zijn vogels die hun eieren leggen in nesten van andere soorten vogels. Zo gauw er enkele eitjes van de andere vogels in zo'n nest liggen, legt de koekoek er één bij. Als de jonge koekoek uit het ei gekomen is, duwt hij de andere eieren en jongen het nest uit. Wanneer een gastouder komt aanvliegen met insecten, doet het koekoeksjong zijn snavel wijd open. Bij het zien van de fel rood gekleurde binnenkant van de bek voert hij de jonge koekoek met de insecten.
Wat is de inwendige prikkel voor het koekoeksjong om zijn snavel wijd open te doen?
afbeelding
Gedrag
2/3 Koekoeken.
Wat is de sleutelprikkel voor de gastouders om het koekoeksjong te voeren?
Gedrag
3/3 Koekoeken.
Een koekoeksjong is veel groter dan een jong van de gastouders. Het wordt na ongeveer 10 dagen zelfs groter dan een volwassen gastouder. De gastouders voeren het ene koekoeksjong evenveel insecten als ze anders aan een heel nest met hun eigen jongen zouden voeren. Onderzoekers doen een experiment om na te gaan of er nog andere prikkels zijn om zoveel voedsel voor één jong aan te voeren. In tien nesten (nr. 1 t/m 10) van gastouders zetten ze een jong van een merel dat net zo groot is als een koekoeksjong. Bij vijf van die nesten (nr. 6 t/m 10) plaatsen ze bovendien een luidspreker waaruit het gepiep van een koekoeksjong klinkt. De jonge merels in de nesten 6 t/m 10 worden daarna door hun gastouders met veel meer insecten gevoerd dan die in de nesten 1 t/m 5.
Schrijf op welke conclusie je kunt trekken uit de resultaten van dit experiment.
Gedrag
1/2 Super-ei. Zie figuur B 3347 van de bijlage.
Zilvermeeuwen rollen eieren die uit het nest zijn gerold, weer terug in het nest. Bij onderzoek is gebleken dat zij namaak-eieren, die veel groter zijn dan de eigen eieren, eerder in het nest rollen dan de eigen eieren. Zo'n namaak-ei heeft hetzelfde kleurpatroon als het eigen ei.
Noem een functie van het inrolgedrag van de zilvermeeuw.
afbeelding
Gedrag
2/2 Super-ei.
Is een groot namaak-ei buiten het nest een supranormale prikkel voor het inrolgedrag? En is een normaal ei buiten het nest een supranormale prikkel voor het inrolgedrag?
Gedrag
1/4 Vogelgedrag. Zie figuur B 2959 van de bijlage.
Bij een bepaalde meeuwensoort zijn de eieren en de jongen lichtbruin gespikkeld, zodat ze niet opvallen in de omgeving. De binnenkant van de eierschalen is wit. Na het uitkomen van de eieren verwijderen de ouders de resten van de eierschalen uit het nest. Er is een onderzoek gedaan naar de sleutelprikkel voor dit gedrag. Onderzoekers hebben verschillende voorwerpen in nesten van deze meeuwen gelegd (zie de tabel). Vervolgens hebben ze geteld hoe vaak de meeuwen zo'n voorwerp uit het nest verwijderden. De resultaten zijn weergegeven in het diagram.
Welke kleur is volgens de resultaten de sleutelprikkel voor de meeuwen om een voorwerp uit het nest te verwijderen?
deze kleur is [invulveld]
afbeelding
Gedrag
2/4 Vogelgedrag. Zie figuur B 2960 van de bijlage.
Een onderzoeker vermoedt, dat lege eierschalen bij het nest roofdieren aantrekken die de eieren opeten. Hij doet het volgende experiment: Op 450 plaatsen in de duinen wordt een meeuwenei neergelegd. Op verschillende afstanden van zo'n ei wordt een halve eierschaal gelegd. Daarna wordt bijgehouden hoeveel van de eieren door roofdieren worden gevonden en opgegeten. De resultaten staan weergegeven in de tabel.
afbeelding
Hoeveel procent van de eieren uit groep 1 is opgegeten?
Dit percentage bedraagt [invulveld] %
afbeelding
Gedrag
3/4 Vogelgedrag. Zie figuur A 1008 van de bijlage.
Op de uitwerkbijlage staat een onvolledig staafdiagram.
Maak met behulp van de gegevens uit de tabel dit staafdiagram af.
afbeelding
Gedrag
4/4 Vogelgedrag.
Schrijf een conclusie op uit de resultaten van dit experiment.
Gedrag
1/3 Honingzuigers.
Honingzuigers zijn kleine vogels. Bij een bepaalde soort hebben de mannetjes in de voortplantingstijd zwarte veren met een blauwgroene glans. Bovendien hebben ze dan aan weerszijden van hun borst kleine oranje plukjes. Buiten het broedseizoen zijn ze net als de vrouwtjes en de jongen onopvallend gekleurd. De honingzuiger bouwt met gras, blaadjes en haren een nest dat in een boom hangt. Beide ouders vertonen broedzorggedrag. De jongen geven poepjes af die door de ouders worden afgevoerd. Als een roofvogel probeert de eieren of de jonge vogeltjes uit het nest te stelen, gaan de ouders de vogel "pesten". Ze vliegen dan met veel lawaai langs de rover en proberen hem zelfs te pikken.
Leg uit wat een functie is van de opvallende kleur die het mannetje een deel van het jaar heeft.
afbeelding
Gedrag
2/3 Honingzuigers.
Het afvoeren van de poepjes van de jongen voorkomt dat ze ziekten oplopen door infectie.
Noem nog een ander voordeel van het verwijderen van de poepjes.