Oefentoets Biologie: Assimilatie-dissimilatie | VWO 5/VWO 6 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Assimilatie_dissimilatie

Waterplanten & de afgifte en de opname van CO2 .

In de tabel zijn weergegeven de afgifte en de opname van koolstofdioxide door een waterplant met bladgroen bij verschillende temperaturen in het donker en in het licht. Iedere bepaling is gedaan nadat de plant zich aan de betreffende omstandigheden had aangepast.
afbeeldingafbeelding

Ga ervan uit dat de mate van dissimilatie onafhankelijk is van de verlichtingssterkte.

Wat is, bij dit onderzoek, de kleinste hoeveelheid O2 die per uur werd gevormd door fotosynthese en wat is de grootste hoeveelheid?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Tomatenplanten in een plantenkas.
Zie figuur B 96 van de bijlage.

In een plantenkas met tomatenplanten wordt gedurende een aantal uren het koolstofdioxidegehalte van de lucht gemeten.
De gevonden waarden zijn uitgezet in het diagram.

Is op tijdstip P de koolstofassimilatie groter dan de dissimilatie?
En op tijdstip Q?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Een cultuur van eencellige groenwieren.
Zie figuur B 271 van de bijlage.

Een cultuur van eencellige groenwieren wordt doorborreld met lucht.
In het linker deel van het diagram is het verband tussen de tijd en de CO2 -opname door deze wieren in het licht weergegeven.

In welke grafiek in het rechter deel van het diagram zijn de CO2 -opname en de CO2 -afgifte door deze wieren in het donker, op een juiste wijze uitgezet tegen de tijd?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Fotosynthese bij een vlierstruik.
Zie figuur B 1499 van de bijlage.


In de afbeelding is een deel van een vlierstruik getekend. Bij een onderzoek naar de fotosynthese bij een vlierstruik wordt een plant in een luchtdicht afgesloten ruimte geplaatst.
Bij het begin van het onderzoek (experiment 1) is de ruimte gevuld met buitenlucht. Vanaf het moment dat de plant in deze ruimte is geplaatst (tijdstip 0) wordt gedurende 8 uur elk uur het CO2 -gehalte van de lucht in deze ruimte gemeten. De resultaten zijn weergegeven in het diagram van de afbeelding.
Het experiment wordt vervolgens herhaald (experiment 2) met alleen dit verschil dat nu bij het begin van het experiment de ruimte wordt gevuld met CO2 -vrije lucht. Tijdens de experimenten worden de temperatuur en de verlichtingssterkte constant gehouden.

Zie figuur C 98 van de bijlage.

In de afbeelding zijn vier diagrammen A, B, C en D getekend.

In welk van deze diagrammen kan het CO2 -gehalte van de lucht in de ruimte gedurende experiment 2 juist zijn weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Opname van CO2 bij verschillende verlichtingssterkten
Zie figuur A 416 van de bijlage.

In een experiment wordt bij een plant de opname van CO2 bij verschillende verlichtingssterkten gemeten. De resultaten van deze metingen zijn in het diagram van de afbeelding weergegeven. De plant staat in een omgeving met een hoge luchtvochtigheid en heeft de beschikking over voldoende water.
Aangenomen wordt dat de intensiteit van de dissimilatie bij dit experiment niet door de verlichtingssterkte wordt beïnvloed.
Naar aanleiding van de resultaten worden de volgende beweringen gedaan:

1. bij verlichtingssterkte P is per tijdseenheid de diffusie van CO2 uit de cellen naar de intercellulaire ruimten groter dan die in de omgekeerde richting,
2. bij verlichtingssterkte R zijn de huidmondjes van het blad gesloten,
3. bij verlichtingssterkte R wordt per tijdseenheid meer ATP gevormd dan bij verlichtingssterkte P.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Chloroplast en mitochondrium.

Chloroplasten en mitochondriën worden met elkaar vergeleken. De volgende uitspraken worden over deze organellen gedaan:

1. in beide organellen bevinden zich eiwitten;
2. in beide organellen bevinden zich co-enzymen die waterstof kunnen binden;
3. in beide organellen kan ATP ontstaan;
4. in beide organellen kan zuurstof ontstaan.

Welke van deze uitspraken zijn juist?

Assimilatie_dissimilatie

O2 -uitwisseling bij verschillende verlichtingssterkten.
Zie figuur B 101 van de bijlage.

In het diagram is de O2 -uitwisseling van een plant met het milieu bij verschillende verlichtingssterkten weergegeven.

Zal de hoeveelheid organische stof van de plant bij verlichtingssterkte P toenemen of gelijk blijven?
Zal de hoeveelheid organische stof bij verlichtingssterkte Q toenemen of afnemen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Dissimilatie en drooggewicht bij een toendra-plant
Zie figuur B 182 van de bijlage.

Bij een toendra-plant wordt bij twee verschillende temperaturen de invloed onderzocht van de verlichtingssterkte op de CO2 -opname en de CO2 -afgifte per uur per gram drooggewicht. De resultaten zijn weergegeven in het diagram.
Aangenomen wordt dat de dissimilatiesnelheid per gram drooggewicht bij dezelfde temperatuur onafhankelijk is van de verlichtingssterkte.

Is bij verlichtingssterkte P de fotosynthese per gram drooggewicht het grootst bij 0°C of bij 20°C?
Zal bij verlichtingssterkte P de hoeveelheid organische stof van de plant toenemen bij 0°C of bij 20°C?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

O2 -uitwisseling bij verschillende verlichtingssterkten.
Zie figuur B 171 van de bijlage.

In het diagram is de CO2 -uitwisseling van een plant met het milieu bij verschillende verlichtingssterkten weergegeven. Aangenomen wordt, dat de dissimilatie-activiteit niet beïnvloed wordt door de verlichtingssterkte.

Hoeveel mol glucose wordt er per tijdseenheid gevormd door fotosynthese bij verlichtingssterkte P?
Blijft de hoeveelheid organische stof van de plant bij verlichtingssterkte Q gelijk of neemt deze toe?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

O2 -productie en O2 -verbruik.
Zie figuur B 213 van de bijlage.

In diagram 1 is de O2 -productie van een bepaalde plant weergegeven bij de fotosynthese. De metingen werden verricht bij verschillende verlichtingssterkten en 15°C.
Het gemeten O2 -verbruik bij de dissimilatie van glucose bij verschillende temperaturen door dezelfde plant is weergegeven in diagram 2.

Bij welke verlichtingssterkte is de fotosynthese even groot als de dissimilatie van deze plant bij een temperatuur van 15°C?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Netto zuurstofproductie van een plant.
Zie figuur A 7 van de bijlage.

In de figuur is de netto zuurstofproductie van een bepaalde plant bij 15°C en bij 25°C uitgezet tegen de lichtintensiteit.

Uit het verloop van de curven kan men afleiden dat bij een lichtintensiteit lager dan P

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Een tabaksplant in normale (16 O2 ) en zware (18 O2 ) zuurstof.
Zie figuur B 34 van de bijlage.

Een tabaksplant wordt geplaatst in een milieu met bepaalde concentraties van normale (16 O2 ) en zware (18 O2 ) zuurstof. Gedurende een bepaalde periode van duisternis, die door een korte periode van licht onderbroken wordt, onderzoekt men de veranderingen in de partiële gasdruk van beide isotopen. In het diagram is van beide isotopen de partiële gasdruk uitgezet tegen de tijd.

Uit het diagram kan men afleiden dat

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

de O2 -afgifte en de O2 -opname van een plant.
Zie figuur B 257 van de bijlage.

In het diagram is de O 2-opname en O2 -afgifte van een plant uitgezet tegen de verlichtingssterkte.

Neemt bij verlichtingssterkte P de hoeveelheid organische stoffen van de plant af, neemt zij toe of blijft zij gelijk?
Hoe is dit bij verlichtingssterkte Q?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Een oplossing met pantoffeldiertjes en algen.

In een oplossing zijn pantoffeldiertjes en algen aanwezig.
De oplossing staat in het licht. De pantoffeldiertjes verbruiken 0,10 mol glucose per week; de algen verbruiken 0,12 mol glucose per week.
De productie van glucose is 0,25 mol per week.

Wat is de netto zuurstofproductie per week in de oplossing?

Assimilatie_dissimilatie

de O2 -productie (1) en de O2 -afgifte (2) van een toendraplant.
Zie figuur A 77 van de bijlage.

Van een toendra-plant wordt de O2 -productie (1) en de O2 -afgifte (2) bepaald bij verschillende temperaturen (zie diagram).

Waardoor treedt in de O2 -afgifte (2) tussen de 20°C en 30°C een daling op?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Schaduwbladeren en zonnebladeren van een beuk.
Zie figuur C 38 van de bijlage.

Bij de beuk komen twee typen bladeren voor: schaduwbladeren en zonnebladeren. Zonnebladeren hebben meer lagen vulweefsel dan schaduwbladeren.
Van een zonneblad en een schaduwblad met dezelfde oppervlakten, van dezelfde boom, wordt de zuurstofafgifte per uur gemeten bij verschillende verlichtingssterkten.
De resultaten van het zonneblad zijn weergegeven in het bovenste diagram.

Welk van vier onderste diagrammen in figuur C 38 kan de resultaten voor het schaduwblad juist weergeven?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Beweringen over een toendraplant.
Zie figuur A 73 van de bijlage.

De O2 -productie in een toendra-plant wordt bij verschillende temperaturen bepaald. De resultaten zijn in het diagram weergegeven.
Eveneens wordt de O2 -afgifte door dezelfde plant bij verschillende temperaturen bepaald. Deze resultaten zijn ook in het diagram weergegeven.
Naar aanleiding van deze grafieken worden de volgende beweringen gedaan:

1. bij -10°C vindt in de plant geen stofwisseling plaats.
2. bij -3°C vindt in de plant alleen fotosynthese plaats.
3. bij 10°C zijn fotosynthese en dissimilatie even sterk als bij 30°C.
4. de fotosynthese neemt tussen de 10°C en 20°C sterker toe dan de dissimilatie.

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Zuurstofproductie en zuurstofverbruik bij een toendraplant.
Zie figuur A 39 van de bijlage.

Bij een bepaalde toendra-plant wordt in daglicht bij verschillende temperaturen een aantal metingen gedaan. Uit de resultaten van deze metingen wordt berekend hoeveel ml zuurstof de plant bij die verschillende temperaturen per minuut aan het milieu afgeeft. Ook wordt berekend hoeveel ml zuurstof er bij elke temperatuur door fotosynthese in de plant geproduceerd wordt. De resultaten zijn weergegeven in het diagram. Uit het verloop van de grafieken is af te leiden welke grafiek de zuurstofafgifte weergeeft en welke de zuurstofproductie.

Bij welke temperatuur of bij welke temperaturen is bij deze plant de zuurstofproductie door fotosynthese gelijk aan het zuurstofverbruik door dissimilatie?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Zuurstofafgifte bij verschillende verlichtingssterkten.
Zie figuur A 120 van de bijlage.

Een onderzoekster bepaalt de zuurstofafgifte door een geraniumplant bij verschillende verlichtingssterkten. De invloed van de verlichtingssterkte op de snelheid van de dissimilatie kan bij deze proef worden verwaarloosd. Bovendien mag ervan worden uitgegaan dat alleen aërobe dissimilatie optreedt waarbij uitsluitend glucose wordt gedissimileerd. Het resultaat van de metingen is in het afgebeelde diagram weergegeven. Met behulp van dit resultaat wil zij de volgende berekeningen uitvoeren:

1. berekening van de hoeveelheid koolstofdioxide die de plant netto per uur opneemt als de verlichtingssterkte P is;
2. berekening van de hoeveelheid zuurstof die de plant per uur bij de fotosynthese produceert als de verlichtingssterkte Q is;
3. berekening van de hoeveelheid glucose die de plant per uur bij de dissimilatie verbruikt als de verlichtingssterkte R is.

Welke van de genoemde berekeningen is of welke zijn uitvoerbaar met behulp van de gegevens in het diagram?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Temperatuur en de hoeveelheid afgegeven O2 .
Zie figuur B 2533 van de bijlage.

Van een bepaalde plant met bladgroen werd het O2 -verbruik tijdens de dissimilatie bij verschillende temperaturen bepaald. De resultaten daarvan zijn weergegeven in diagram 1 van de afbeelding. Van dezelfde plant werd de O2 -productie tijdens de fotosynthese bij één bepaalde verlichtingssterkte bij verschillende temperaturen bepaald. De resultaten van deze metingen zijn weergegeven in diagram 2 van de afbeelding. Er wordt aangenomen dat de intensiteit van de dissimilatie niet wordt beïnvloed door de verlichtingssterkte. In diagram 3 van de afbeelding zijn vier grafieken getekend.
Eén van deze grafieken geeft op juiste wijze het verband weer tussen de temperatuur en de hoeveelheid O2 die bij deze bepaalde verlichtingssterkte door de plant wordt afgegeven.

Welke grafiek is juist?

afbeeldingafbeelding