Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 - variant 1

Deze oefentoets bevat 11 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

11

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

2/3 Zwartvoetkatten.
Zie figuur A 1032 van de bijlage.

Voor het experiment worden de zwartvoetkatten gedurende twee weken elk alleen in een kooi geplaatst. In de eerste week wordt bij elke kat op de dagen 1, 3 en 5 een doek zonder geur in de kooi gelegd. Op deze drie dagen wordt 48 keer per dag het gedrag van elk dier genoteerd. In de tweede week wordt dit herhaald met doeken met de geur van kattenkruid.
In de afbeelding worden de resultaten van het experiment weergegeven.

Typ een conclusie uit de resultaten die past bij de onderzoeksvraag.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

3/3 Zwartvoetkatten.

Kan op de beschreven manier ook het sociale gedrag van de dieren onderzocht worden? Leg je antwoord uit.

Gedrag bij dieren

1/2 Roodborstjes.
Zie figuur B 5338 van de bijlage.

Roodborstjes zijn vogeltjes die in Nederland bijna overal voorkomen.
Ze hebben hun territoria in bossen, maar ook in parken en tuinen in de stad.

Klik hiernaast op de afbeelding.

In die afbeelding zijn de territoria van roodborstjes in een bepaald gebied weergegeven in de maanden april en december van hetzelfde jaar.

Noem twee verschillen tussen de territoria in april en in december.

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

2/2 Roodborstjes.
Zie figuur B 5338 van de bijlage.

Welke vorm van sociaal gedrag vertonen de roodborstjes wél in april, maar niet in december? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

Een gedragsonderzoek bij meeuwen.

Wetenschappers hebben het gedrag van een bepaald soort meeuwen onderzocht. Bij deze meeuwensoort begint het voortplantingsgedrag met paarvorming. Daarna volgen baltsgedrag, paring en broedzorg.
Zowel de mannetjes als de vrouwtjes van deze meeuwensoort hebben een gekleurde ring rond de ogen. Er is onderzocht of de kleur van de oogring van een mannetje invloed heeft op het paarvormingsgedrag van een vrouwtje.
In een meeuwenkolonie werd bij een deel van de mannetjes de oogring met een andere kleur overgeschilderd.
Van de onbehandelde mannetjes werd 98 procent door vrouwtjes uitgekozen om een paartje mee te vormen. Van de behandelde mannetjes was dit 20 procent.
De onderzoekers doen experimenten om het voortplantingsgedrag dat na de paarvorming optreedt te onderzoeken (zie de onderstaande tabel).
afbeeldingafbeelding

Heeft de kleur van de oogring van een mannetje ook invloed op het voortplantingsgedrag van een vrouwtje na de paarvorming? Leg je antwoord uit.

Gedrag

1/4 Agapornissen.
Zie figuur B 4354 van de bijlage.

Het gedrag van agapornissen wordt mede bepaald door het geslacht. Zo blijkt uit onderzoek dat de mannetjes de jongen vaker voeren dan de vrouwtjes en dat mannetjes met hun pootjes dichter bij elkaar zitten. Er is ook een verschil in bijtgedrag.
In de tabel staan de resultaten van een onderzoek naar het bijten van de vogels als mensen ze vastpakken. Het onderzoek werd gedaan met 29 vogels.

In de tabel hieronder staan de resultaten van een onderzoek naar bijtgedrag bij agapornissen.
afbeeldingafbeelding

Op de uitwerkbijlage is een stuk grafiekpapier afgebeeld.

Maak van de gegevens uit de tabel een staafdiagram waarin het verschil in bijtgedrag tussen mannetjes en vrouwtjes te zien is.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/4 Agapornissen.

Schrijf een conclusie op uit de resultaten van dit onderzoek naar het verband tussen het bijten en het geslacht van een agapornis.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

3/4 Agapornissen.

Noem een verbetering of een aanvulling van dit onderzoek waardoor de resultaten betrouwbaarder worden.

Gedrag

4/4 Agapornissen.

Noem twee vormen van sociaal gedrag die in de informatie worden genoemd.

Gedrag

Emelten.

Spreeuwen vangen emelten door met hun snavel een gangetje in de grond te maken. Zij kijken langs hun snavel in het gangetje of ze een emelt zien. Een spreeuw leert een gangetje in de grond te maken bij die gedeelten van een grasland waar de meeste emelten in de bodem zitten.

Wat is voor een spreeuw de inwendige prikkel voor haar voedselzoekgedrag?
Wat is een respons op die prikkel?

Gedrag

Mest verspreiden.

Om verdere verzuring van de bodem tegen te gaan, wordt het uitrijden van mest aan steeds meer regels gebonden. Op weilanden mag mest uitsluitend worden verspreid met behulp van bepaalde landbouwmachines, zoals de mestinjecteur die de mest direct in de bodem spuit (zie de afbeelding). Volgens een rapport van een onderzoeker is deze techniek gunstig voor het milieu, maar schadelijk voor de weidevogels. Het milieuvriendelijk uitrijden van mest tijdens het broedseizoen heeft namelijk rampzalige gevolgen voor de weidevogels in Nederland. Weidevogels leggen hun eieren in een nest op de grond. Als mest uitsluitend wordt verspreid met deze machines, gaat tijdens het broedseizoen, vroeg in het voorjaar, 90 tot 100% van alle legsels in de weilanden verloren.

Weidevogels broeden vroeg in het voorjaar.

Noem twee uitwendige prikkels die weidevogels in die periode kunnen aanzetten tot voortplantingsgedrag.

afbeeldingafbeelding