Plantenanatomie
Anatomie blad.
Zie figuur B 1075 van de bijlage.
De tekening stelt schematisch een deel van een doorsnede van een blad van een groene plant voor.
In welke weefsels bevatten de cellen altijd bladgroenkorrels?
afbeelding
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 1, HAVO 2, HAVO 3
NVON
cc-by-sa-40
Anatomie blad.
Zie figuur B 1075 van de bijlage.
De tekening stelt schematisch een deel van een doorsnede van een blad van een groene plant voor.
In welke weefsels bevatten de cellen altijd bladgroenkorrels?
afbeelding
Anatomie blad.
Zie figuur B 1913 van de bijlage.
De afbeelding geeft een doorsnede weer van een deel van een blad van een plant.
Wat wordt met P aangegeven?
afbeelding
Nerven van blad.
Twee beweringen over de nerven van een blad zijn:
I. In de nerven komen vaatbundels voor.
II. De nerven geven stevigheid aan het blad.
Nerven van blad.
Drie beweringen over de nerven van een blad zijn:
1. nerven geven stevigheid aan een blad,
2. nerven bevatten houtvaten,
3. nerven bevatten bastvaten.
Welke van deze beweringen zijn juist?
Diktegroei.
Diktegroei van bomen begint door deling en groei van cellen in
Tulp.
Uit koolstofdioxide en water kan in planten glucose en zuurstof ontstaan.
In welke van de organen: wortels, bloemstelen en bladeren kan bij tulpen dit proces plaatsvinden?
Lengtegroei bij tak van paardenkastanje.
Zie figuur B 2197 van de bijlage.
De tekening geeft een tak van een paardekastanje weer tijdens de winter.
Welk cijfer geeft een plaats aan van waaruit in het voorjaar lengtegroei van deze tak plaatsvindt?
afbeelding
Dwarsdoorsnede vaatbundel van boterbloem.
Zie figuur A 172 van de bijlage.
De foto stelt een dwarsdoorsnede van een vaatbundel in de stengel van een boterbloem voor.
Ligt zijde P of zijde Q het dichtst bij de opperhuid van de stengel?
Geeft cijfer 1 of cijfer 2 een houtvat aan?
afbeelding
afbeelding
Transport in plant.
Zie figuur B 1884 van de bijlage.
De afbeelding geeft een boterbloem weer.
In welke van de aangegeven delen komen transportvaten voor?
afbeelding
Transportweefsel plant.
Transportkanalen voor het vervoer van water in een plant, treffen we aan
afbeelding
Vaatbundels in zaadplanten.
Waar komen in een zaadplant vaatbundels voor?
Litteken op een takje.
Zie figuur B 2150 van de bijlage.
Een leerlinge haalt in december een takje van een Paardenkastanje af. Zij onderzoekt dit takje en ontdekt er bepaalde littekens op. Van zo'n litteken maakt zij de tekening die als de afbeelding is weergegeven. De leraar vertelt haar dat op de plaats van dit litteken vroeger een steel van een blad heeft vastgezeten. In dit litteken zijn ronde afdrukjes te zien.
Wat heeft waarschijnlijk op de plaats van zo'n rond afdrukje (p) gezeten, toen het blad nog aan het takje zat?
Daar zat waarschijnlijk een [invulveld].
afbeelding
Koolstofdioxideproductie.
Zie figuur B 680 van de bijlage.
De tekening stelt een doorsnede van een deel van een blad voor. De bladgroenkorrels zijn niet getekend.
Het blad bevindt zich aan een plant die in het zonlicht staat.
In welke van de aangegeven cellen ontstaat CO2
?
En in welke O2
?
afbeelding
afbeelding
Doorsnede blad.
Zie figuur B 681 van de bijlage.
De tekening stelt een doorsnede van een deel van een blad met bladgroen voor.
Welk gas of welke gassen verbruikt cel P in het licht?
Welk gas of welke gassen verbruikt cel Q in het licht?
afbeelding
afbeelding
Doorsnede van blad.
Zie figuur B 676 van de bijlage.
De tekening stelt een doorsnede van een deel van een blad voor. De bladgroenkorrels zijn niet getekend.
In welke van de aangegeven cellen kan fotosynthese plaatsvinden?
afbeelding
Groei van waterplantjes.
In twee glazen buisjes bevindt zich water met een waterplantje. De temperatuur van het water in beide buisjes wordt op 25°C gehouden. Buisje 1 staat in het donker. Buisje 2 staat in het licht.
Na enige tijd blijkt, dat het plantje in buisje 1 het meest in lengte is toegenomen.
Hier volgen twee beweringen over deze lengtegroei:
1. Voor de lengtegroei is een constante temperatuur nodig,
2. Voor de lengtegroei is licht nodig.
Welke van deze beweringen wordt (worden) door deze proef bevestigd?
Kiemplantjes van maïs.
Zie figuur B 1701 van de bijlage.
In de potten 1 en 2 bevinden zich vijf dagen oude kiemplantjes van maïs.
Pot 1 heeft al die tijd in het licht gestaan. Pot 2 stond steeds in het donker.
Welke van onderstaande conclusies uit dit experiment is juist?
afbeelding
Een huidmondje.
Zie figuur B 2860 van de bijlage.
In de afbeelding is tweemaal hetzelfde huidmondje van een blad getekend Via de huidmondjes worden gassen opgenomen en afgegeven. Er zijn sluitcellen en andere opperhuidcellen getekend. Het verschil tussen beide tekeningen is de opening van het huidmondje.
In welke stand zullen de huidmondjes de plant het best tegen het verlies van water beschermen?
Of heeft de stand van de huidmondjes geen invloed?
afbeelding
Doorsnede van blad.
Zie figuur B 1847 van de bijlage.
De tekening stelt een doorsnede voor van een deel van een blad.
Welk van de aangegeven delen speelt een rol bij het regelen van de verdamping door het blad?
afbeelding
Kieming.
Wanneer de kiem die in een boon aanwezig is, gaat uitgroeien, verbruikt deze daarvoor energie.
Waaruit krijgt de kiem deze energie?