Assimilatie_dissimilatie
4/4 Een kamerplant.
In deze plant wordt een stof gevormd die met behulp van kalkwater kan worden aangetoond.
Welke stof is dit?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 1, HAVO 2
NVON
cc-by-sa-40
4/4 Een kamerplant.
In deze plant wordt een stof gevormd die met behulp van kalkwater kan worden aangetoond.
Welke stof is dit?
1/2 Koolstofdioxide in organismen.
Zie figuur B 2075 van de bijlage.
De afbeelding geeft vier organismen weer.
Welk van de organismen in de afbeelding kan bij de stofwisseling koolstofdioxide verbruiken?
afbeelding
2/2 Koolstofdioxide in organismen.
Zie figuur B 2075 van de bijlage.
Welke van de organismen in de afbeelding kunnen bij de stofwisseling koolstofdioxide produceren?
afbeelding
1/2 Koolstofdioxide in oceanen.
De laatste eeuw is de productie van koolstofdioxide geweldig toegenomen. Oceanen nemen ongeveer een derde deel van dit gas op. Een deel van een oceaan dat veel algen bevat, neemt meer koolstofdioxide op dan een deel met weinig algen.
Geef voor deze grotere opname een verklaring.
2/2 Koolstofdioxide in oceanen.
Onderzoekers hebben berekend dat tot 1780 de productie van koolstofdioxide gelijk was aan de koolstofdioxide-opname door de oceanen. Tegenwoordig wordt er meer koolstofdioxide geproduceerd dan de oceanen aankunnen.
Noem twee voorbeelden van menselijke activiteit waardoor de productie van koolstofdioxide tegenwoordig groter is.
1/2 Koolstofdioxide.
Zie figuur B 3353 van de bijlage.
Voor een experiment worden twee even grote bladeren van dezelfde plant in twee potten gedaan (zie de afbeelding 1). Pot P wordt in het licht geplaatst, pot Q in het donker. De overige omstandigheden zijn gelijk.
Zie figuur B 3858 van de bijlage.
Op een aantal tijdstippen wordt de hoeveelheid koolstofdioxide in beide potten gemeten. De metingen van pot P worden uitgezet in een diagram. In de afbeelding zijn drie diagrammen weergegeven.
Welk diagram geeft het verloop van de hoeveelheid koolstofdioxide in pot P juist weer? Leg je antwoord uit.
afbeelding
afbeelding
2/2 Koolstofdioxide.
Zie figuur A 878 van de bijlage.
Op de uitwerkbijlage staat een stuk grafiekpapier met een assenstelsel afgebeeld. Punt R geeft de hoeveelheid koolstofdioxide weer in pot Q aan het begin van het experiment.
Teken vanuit punt R een lijn die het verloop van de hoeveelheid koolstofdioxide in pot Q aangeeft tijdens het experiment. Gebruik het assenstelsel op de uitwerkbijlage.
afbeelding
1/4 Een paardenbloem.
Zie figuur B 1535 van de bijlage.
In de afbeelding is een paardenbloem weergegeven. Twee processen in een paardenbloem, 's morgens rond elf uur in de maand mei, zijn:
1. glucose maken uit andere stoffen,
2. andere stoffen maken uit glucose.
Ontstaat bij één van deze processen zuurstof?
afbeelding
2/4 Een paardenbloem.
Welke van de volgende beweringen over de fotosynthese en de verbranding in deze paardenbloem is of welke zijn juist?
1. De paardenbloem produceert in het zonlicht meer koolstofdioxide dan zij zelf verbruikt.
2. De paardenbloem produceert in het zonlicht minder zuurstof dan zij zelf verbruikt.
1/3 Petunia's.
Zie figuur B 3324 van de bijlage.
Een petunia is een sierplant die vaak in tuinen en op balkons te zien is. Een onderzoekster doet een kruisingsexperiment met petuniaplanten. Ze heeft hierbij planten met normaal groene bladeren tot haar beschikking, maar ook planten met bleekgroene bladeren.
De onderzoekster brengt stuifmeel van een normaal groene plant op stempels van dezelfde plant. Dit wordt zelfbestuiving genoemd. Onder de nakomelingen uit deze kruising komen zowel normaal groene als bleekgroene planten voor.
Het valt de onderzoekster op, dat de normaal groene planten veel beter groeien dan de bleekgroene. Ze bekijkt bladcellen van beide typen planten door een microscoop. Ze ziet dat cellen van de bleekgroene bladeren veel minder bladgroenkorrels bevatten dan die van normaal groene bladeren.
In welk deel van een plantencel bevinden zich de bladgroenkorrels?
afbeelding
2/3 Petunia's.
Leg uit waardoor de planten met cellen met veel bladgroenkorrels beter groeien dan de planten met cellen met weinig bladgroenkorrels.
3/3 Petunia's.
Een petunia met normaal groene bladeren en één met bleekgroene bladeren worden naast elkaar voor het raam in de zon gezet.
Wordt in de genoemde bladcellen van deze twee planten zuurstof geproduceerd?
En wordt in de genoemde bladcellen van deze twee planten koolstofdioxide geproduceerd?
In de genoemde bladcellen van normaal groene planten wel/geen [invulveld] productie van zuurstof.
In de genoemde bladcellen van normaal groene planten wel/geen [invulveld] productie van koolstofdioxide.
In de genoemde bladcellen van bleekgroene planten wel/geen [invulveld] productie van zuurstof.
In de genoemde bladcellen van bleekgroene planten wel/geen [invulveld] productie van koolstofdioxide.
1/2 Waterpest.
Zie figuur B 3328 van de bijlage.
Amina en Claudia doen een experiment met waterpest, een waterplantje. Ze weten dat de plantjes zuurstof maken bij de fotosynthese. Ze onderzoeken de invloed van licht op dit proces.
Een deel van de proefopstelling, bak 1, is getekend in de afbeelding.
Bak 1 staat voor het raam in de zon. Ze zien gasbelletjes uit de plantjes omhoog stijgen. Dit blijken zuurstofbelletjes te zijn.
Voor de fotosynthese is water nodig.
Welke andere stof wordt verbruikt bij de fotosynthese?
de stof: [invulveld]
afbeelding
2/2 Waterpest.
Bij de proefopstelling gebruiken de leerlingen nog een tweede bak: bak 2.
Welk verschil moet er zijn met bak 1?
afbeelding
Vier beweringen over het vrijkomen van energie.
Er worden de volgende vier beweringen over het vrijkomen van energie gedaan:
1. bij de omzetting van suiker en zuurstof in water en koolstofdioxide komt energie vrij.
2. bij de omzetting van water en koolstofdioxide in suiker en zuurstof komt energie vrij.
3. in spiercellen kan energie vrijkomen.
4. in cellen met bladgroen kan energie vrijkomen.
Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?
Een proef.
Zie figuur B 3208 van de bijlage.
Zie figuur A 1014 van de bijlage.
Bij een proef worden twee vissen en een waterplant in een aquarium gedaan. Regelmatig wordt de hoeveelheid koolstofdioxide in het water bepaald. De resultaten zijn weergegeven in het diagram (A 1014).
Wat moet op het stippellijntje bij de y-as van het diagram staan?
afbeelding
afbeelding
1/2 Een proef.
Zie figuur B 3169 van de bijlage.
Sommige kamerplanten hebben bladeren met witte en groene strepen. Irene zet zo'n kamerplant twee dagen in het licht. Een andere plant van deze soort zet zij twee dagen in het donker. Beide planten staan bij kamertemperatuur.
Zie figuur B 3170 van de bijlage.
Hierna onderzoekt Irene of in bladeren van beide planten zetmeel aanwezig is. Ze gebruikt een bepaalde oplossing om zetmeel aan te tonen. De resultaten van deze proef zijn hieronder weergegeven.
Welke oplossing gebruikte Irene om zetmeel aan te tonen?
afbeelding
afbeelding
2/2 Een proef.
Welke conclusie is het meest juist op grond van de resultaten van deze proef?
1/3 Een experiment.
Zie figuur B 1184 van de bijlage.
Leerlingen doen een experiment met een waterplant.
Een takje waterpest wordt afgesneden en omgekeerd in een reageerbuis met slootwater voor het raam gezet.
Iedere ochtend om 10 uur doen ze een waarneming.
Vanuit het plantje stijgen gasbelletjes op.
Uit welk gas bestaan de belletjes vooral?
afbeelding
2/3 Een experiment.
Op vier achtereenvolgende dagen tellen de leerlingen 's morgens om 10 uur het aantal gasbelletjes dat per minuut opstijgt. Ze noteren ook de weersomstandigheden. De temperatuur in het lokaal is steeds 20°C.
De resultaten staan weergegeven in onderstaande tabel.
afbeelding
Zie figuur B 2908 van de bijlage.
Maak op het uitwerkblad een staafdiagram van de resultaten.
afbeelding