Genetica
Onzuivere lijn.
Een zuivere lijn kan "onzuiver" worden door
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Onzuivere lijn.
Een zuivere lijn kan "onzuiver" worden door
Zuivere lijnen.
Een plant heeft het genotype EeFfGgHh. Voor het overige is de plant homozygoot. Uit deze plant worden door zelfbestuiving zuivere lijnen gekweekt.
Hoeveel, in alle opzichten zuivere lijnen kunnen maximaal uit deze plant worden gekweekt?
Een partij bonen.
Zie figuur A 42 van de bijlage.
Van een partij bonen bepaalt men het gewicht per boon en geeft dit grafisch weer in de figuur.
Men zaait de bonen van de beide uiterste gewichtsklassen (gearceerde zones P en Q in diagram 1) uit. De opbrengsten van de bonen uit de gewichtsklassen P en Q staan uitgezet in diagram 2. De verschillende kweken zijn alle onder gelijke omstandigheden uitgevoerd.
Waardoor werd het verschil in gemiddelde opbrengst van de gewichtsklassen P en Q zoals uitgezet in diagram 2 veroorzaakt?
afbeelding
Zuivere lijnen.
Uit een plant worden door zelfbestuiving in een aantal generaties acht verschillende zuivere lijnen gekweekt.
Uit verdere experimenten blijkt, dat een groter aantal zuivere lijnen niet mogelijk is.
Voor hoeveel eigenschappen zal deze plant heterozygoot zijn geweest?
Een partij bonen.
In een zuivere lijn van bonen varieert de zaadlengte tussen 5 en 15 mm. De meeste bonen hebben een lengte die varieert tussen 9 en 11 mm.
Wat is voor dit laatste de verklaring?
Planten kweken.
Uit een heterozygote plant worden gelijktijdig zowel een zuivere lijn als een kloon gekweekt.
Hebben de planten van de zuivere lijn hetzelfde genotype als de ouderplant?
En de planten van de kloon?
afbeelding
Allelfrequenties.
Binnen een populatie komen allelen in bepaalde frequenties voor.
Waardoor kunnen deze frequenties in de loop van de tijd veranderen?
Partijen bonen.
Van een partij bonen, die alle het genotype hh hebben, bedraagt het gemiddelde gewicht per boon 0,44 gram.
Van een partij bonen, die alle het genotype HH hebben, bedraagt het gemiddelde gewicht per boon 0,56 gram.
Beide partijen bonen zijn onder dezelfde omstandigheden gekweekt. Uit beide partijen bonen worden planten opgekweekt.
Planten uit de ene partij bonen worden gekruist met planten uit de andere partij bonen. Zo wordt een F1
verkregen, waarvan de bonen een gemiddeld gewicht hebben van 0,56 gram. Door zelfbestuiving wordt hieruit een talrijke F2
verkregen.
Zowel de F1
-generatie als de F2
-generatie wordt onder dezelfde omstandigheden gekweekt als de oudergeneratie.
Wat is het te verwachten gemiddelde gewicht van de bonen van de F2
?
Variaties in grootte.
Aan één bepaalde erwtenplant groeien bladeren die variëren in grootte en erwten die variëren in grootte. Er wordt vanuit gegaan dat in de erwtenplanten geen mutaties optreden.
Waardoor kunnen de verschillen in grootte bij de volgroeide bladeren bepaald worden?
En bij rijpe erwten?
afbeelding
Een populatie eencelligen.
Zie figuur B 36 van de bijlage.
Met een groep eencellige dieren van dezelfde soort wordt een experiment gedaan. Dieren van deze soort kunnen zich zowel geslachtelijk als ongeslachtelijk voortplanten. De tien langste exemplaren worden steeds gekozen voor het kweken van een nieuwe generatie. Dit wordt gedurende tien generaties herhaald. Meting van de dieren van de tiende generatie blijkt hetzelfde diagram op te leveren als het getekende diagram van de eerste generatie.
Waardoor zijn de verschillen in lengte van deze dieren ontstaan?
afbeelding
Variaties in opbrenst.
Twee even grote groepen bonen, afkomstig uit één zuivere lijn, worden in verschillende milieus uitgezaaid. Er vindt alleen bestuiving plaats tussen bonenplanten, die behoren tot dezelfde groep.
De opbrengst van beide groepen is zeer verschillend.
Dit verschil kan zijn ontstaan door het optreden van
Erwten.
Over het gewicht van erwten van dezelfde soort en over hun genotype met betrekking tot het gewicht worden twee uitspraken gedaan:
1. Twee erwten kunnen hetzelfde gewicht hebben en een verschillend genotype.
2. Twee erwten kunnen hetzelfde genotype hebben en een verschillend gewicht.
Selectie?
Selectie bij een zuivere lijn heeft geen zin omdat alle individuen
Populatie genetica.
In een bepaalde populatie komen bij 84% van de individuen met de bloedgroepantigenen A en/of B deze antigenen ook voor in het speeksel. Men noemt deze mensen secretors'. Bij 16% van de individuen met de bloedgroepantigenen A en/of B komen die antigenen niet in het speeksel voor. Men noemt deze mensen non-secretors'. Het secretorgen (E) is dominant over het non-secretorgen (e). E en e zijn niet X-chromosomaal en erven onafhankelijk van de ABO-bloedgroepgenen over.
Op deze populatie is de Hardy-Weinberg regel van toepassing.
De verdeling van de bloedgroepen in deze populatie is gegeven in de tabel hieronder. Tevens is vermeld door welk genotype de bloedgroep bepaald wordt.
afbeelding
In een gezin hebben de vader en de moeder bloedgroep AB. Ze zijn beiden secretor. Zij krijgen samen een kind.
Bereken hoe groot de kans is dat dit kind non-secretor is en tegelijk bloedgroep A heeft.
1/2 De regel van Hardy-Weinberg.
Met de regel van Hardy-Weinberg kunnen berekeningen worden uitgevoerd met betrekking tot frequenties van allelen en genotypen in een populatie. De regel is toepasbaar in situaties die aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Noem vier van die voorwaarden.
2/2 De regel van Hardy-Weinberg.
In een populatie die voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de regel van Hardy-Weinberg, komt het genotype Gg twee keer zo vaak voor als het genotype gg.
Bereken de allelfrequentie van g.
1/2 Maïsrassen.
Zie figuur A 345 van de bijlage.
Bij maïs wordt de lengte van de kolven bepaald door een aantal verschillende genen. In de afbeelding is de frequentie van de kolflengten van twee maïsrassen G en H weergegeven. Ras G is een popcornras en ras H is een suikermaïsras. Beide rassen zijn homozygoot voor de te beschouwen eigenschappen.
Planten van ras G worden gekruist met planten van ras H. Hieruit ontstaat een F1
. De frequentieverdeling van de kolflengte van de F1
-planten is weergegeven in de afbeelding. Zelfbestuiving van de F1
-planten levert een F2
-generatie. De frequentieverdeling van de kolflengte van deze F2
-planten is weergegeven in de afbeelding. Er wordt van uitgegaan dat geen mutaties zijn opgetreden.
De variatie in kolflengten in de F2
is groter dan die in de F1
. Hierover worden twee beweringen gedaan:
1. de variatie ontstaat doordat bij de vorming van de gameten in F1
crossing-over is opgetreden;
2. de variatie ontstaat doordat in de F2
zowel homozygote als heterozygote planten aanwezig zijn.
Welke van deze beweringen kan of welke kunnen juist zijn?
afbeelding
afbeelding
2/2 Maïsrassen.
In een andere maïspopulatie vinden we lange maïsplanten en dwergmaïsplanten. Dwergmaïs is homozygoot voor de stengellengte en heeft genotype dd. De frequentie van het recessieve allel d is 0,2. De populatie is in (Hardy-Weinberg)evenwicht met betrekking tot dit gen. Twee willekeurige lange maïsplanten uit deze populatie worden gekruist.
Bereken de kans dat de eerste nakomeling die ontstaat uit deze kruising, een dwergmaïsplant is. Geef je antwoord in de vorm van een breuk.
1/2 PTC-proevers.
Zie figuur B 1316 van de bijlage.
PTC (= phenyl-thio-carbamide) is een stof met een bittere smaak. Het vermogen om PTC te kunnen proeven is erfelijk bepaald. Twee allelen spelen een rol: T voor proeven en t voor niet-proeven. Deze eigenschap beïnvloedt de voortplantingskansen niet.
In de afbeelding B 1316 is een stamboom gegeven van een bepaalde familie. Sommige leden van deze familie kunnen PTC proeven, anderen niet.
Van welke van de met nummers aangegeven personen is niet met zekerheid vast te stellen of deze homozygoot of heterozygoot voor de eigenschap PTC proeven is of zijn?
afbeelding
2/2 PTC-proevers.
Het blijkt dat 70% van de wereldbevolking PTC kan proeven.
Bereken de frequentie waarmee allel T en die waarmee allel t in de wereldbevolking voorkomt. Geef je antwoord in twee decimalen.