Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - groei | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie

Lengtegroei bij houtachtige planten.

Waar vindt lengtegroei van houtachtige planten plaats?

Plantenanatomie

Celstrekking.
Zie figuur A 220 van de bijlage.

In de tekeningen is een kiemende boon op twee verschillende tijdstippen weergegeven.

In welk gebied of in welke gebieden van de wortel heeft in de tussenliggende lid celstrekking plaatsgevonden?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Groei kruidachtige plant.
Zie figuur B 2183 van de bijlage.

De tekening stelt een kruidachtige plant voor in het voorjaar.

Op welke van de aangegeven plaatsen bevindt zich een groeipunt?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Lengtegroei bij houtige planten.

Waar vindt lengtegroei bij houtige planten plaats?

Plantenanatomie

Lengtegroei bij tak van paardenkastanje.
Zie figuur B 2197 van de bijlage.

De tekening geeft een tak van een paardekastanje weer tijdens de winter.

Welk cijfer geeft een plaats aan van waaruit in het voorjaar lengtegroei van deze tak plaatsvindt?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Celdelingen wortel.
Zie figuur B 2521 van de bijlage.

De tekening geeft een lengtedoorsnede weer van een deel van een wortel.

Welk cijfer geeft de plaats aan waar de meeste celdelingen plaatsvinden?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Groei van boomstam.

Iemand slaat een spijker op 1 meter hoogte in een boomstam. De boom is op dat moment 10 meter hoog. In twee jaar tijd groeit de boom nog 1 meter.

Hoe hoog zit de spijker na deze twee jaar?

Plantenanatomie

Geschiedschrijving door een boom.

Tijdens een zware storm is in Nederland een meer dan duizend jaar oude eik omgewaaid. Bij het opruimen van de boom heeft men de stam dwars doorgezaagd.
Na bestudering van het zaagvlak concludeerden biologen dat er omstreeks het jaar 1000 mogelijk een periode van droogte was.

Waarnaar keken de biologen speciaal bij het bestuderen van het zaagvlak en hoe konden ze hieruit concluderen dat het omstreeks het jaar 1000 mogelijk erg droog was?

Plantenanatomie

Wortel van plant.
Zie figuur B 3341 van de bijlage.

Om te onderzoeken in welke richting de wortels van een kiemplantje groeien, wordt een experiment gedaan (zie de afbeelding).
In tekening 1 zijn drie kiemplantjes zó in een petrischaaltje geplaatst, dat hun wortels horizontaal (zaad 1), omlaag (zaad 2) en omhoog (zaad 3) gericht zijn.
Tekening 2 laat hetzelfde petrischaaltje twee dagen later zien.

Noem een aanvulling of een verbetering van het experiment, waardoor de resultaten betrouwbaarder worden.

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Processen in een plant.

Drie processen die voorkomen bij een plant zijn:

1. herstel van weefsels na beschadiging,
2. diktegroei door cambium,
3. vorming van helmdraden.

Bij welke van deze processen vindt mitose plaats?

Plantenfysiologie

Doorsnede wortel.
Zie figuur A 174 van de bijlage.

De tekening stelt een lengtedoorsnede voor van een deel van een wortel van een plant.

I. Bij R vindt vooral meiose plaats.
II. Bij Q vindt vooral mitose plaats.

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Boomstammen.
Zie figuur B 1102 van de bijlage.

De stam van de middelste boom op de afbeelding is dunner dan die van de beide andere bomen.

Wat kan de oorzaak of wat kunnen de oorzaken zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Cambium.

Welke soort cellen worden door het cambium in de stam van een boom gevormd en in welke richting?

Plantenfysiologie

Proces in een plant.

Een proces dat plaats vindt in een plant wordt omschreven als:

zuurstof en glucose geeft energie, koolstofdioxide en water.

In welk of in welke van de weefsels cambium, dekweefsel en vulweefsel vindt dit proces plaats?

Plantenfysiologie

Groei van kiemplantje.

Een kiemplantje van een eik wordt in een oplossing met voedingszouten geplaatst. Na een jaar is de plant 200 gram zwaarder geworden.
De plant heeft 2 gram van de zouten opgenomen.

Hoeveel water en CO2 heeft de plant opgenomen?
Is er water gebruikt bij de celgroei?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Jaarringen.
Zie figuur B 338 van de bijlage.

In een dwarsdoorsnede van een boomstam is het hout dat in een jaar is gevormd, te zien als een jaarring.
Van een boom wordt de stam op de plaatsen 1 en 2 doorgezaagd (zie tekening).

Is het aantal jaarringen op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?
Is de omtrek van de laatstgevormde jaarring op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Celstrekking.

Het langer worden van plantencellen is onder andere een gevolg van celstrekking.

Wat is de oorzaak van deze celstrekking?

Plantenfysiologie

Meristeem-kweekmethode.

I. De meristeem-kweekmethode wordt vooral toegepast om de snelle en goedkope wijze van planten kweken.
II. Met deze meristeemmethode worden zowel plantaardige als dierlijke organismen voortgekweekt.

Plantenfysiologie

Kieming van erwten.
Zie figuur B 957 van de bijlage.

In vijf bakjes worden droge erwten onder verschillende omstandigheden gelegd om na te gaan of ze kiemen.
De bakjes 2, 3, 4 en 5 zijn luchtdicht afgesloten.

In welke bakjes zullen zich uit de erwten kiemplantjes kunnen ontwikkelen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Groei van waterplantjes.

In twee glazen buisjes bevindt zich water met een waterplantje. De temperatuur van het water in beide buisjes wordt op 25°C gehouden. Buisje 1 staat in het donker. Buisje 2 staat in het licht.
Na enige tijd blijkt, dat het plantje in buisje 1 het meest in lengte is toegenomen.
Hier volgen twee beweringen over deze lengtegroei:

1. Voor de lengtegroei is een constante temperatuur nodig,
2. Voor de lengtegroei is licht nodig.

Welke van deze beweringen wordt (worden) door deze proef bevestigd?