Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
20
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
VWO 4, VWO 5, VWO 6
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Ecologie
5/5 Het Oranje zandoogje.
Tijdens onderzoek van een bepaalde populatie van het Oranje zandoogje werden vlinders gemerkt. 84 gemerkte vrouwtjes en 166 gemerkte mannetjes werden in deze populatie losgelaten. Het terugvangstpercentage lag op 38% van de gemerkte vrouwtjes en op 57% van de gemerkte mannetjes.
Bereken het percentage vrouwtjes in deze populatie van het Oranje zandoogje.
Ecologie
1/5 In een meer. Zie figuur C 166 en A 530 van de bijlage.
In een gematigd klimaat op het Noordelijk halfrond wordt een onderzoek gedaan naar de concentraties van O2
, CO2
, NO3
-
(nitraat) en NH4
+
(ammonium) op verschillende diepten in een meer.
Zie figuur A 530 van de bijlage.
De resultaten zijn weergegeven in de afbeelding. Tevens is de temperatuur op verschillende diepten in het meer weergegeven. De metingen zijn gedaan tijdens de zomermaanden. In het meer bestaat een stabiel ecosysteem.
Over het feit dat op 20 m diepte geen nitraat voorkomt, maar wel ammonium, worden de volgende beweringen gedaan:
1. Op 20 m diepte is geen zuurstof aanwezig zodat nitrificerende bacteriën niet in staat zijn tot de omzetting van ammonium in nitraat. 2. Op 20 m diepte is de temperatuur zo laag dat alle stofwisselingsprocessen worden beperkt en geen nitraat uit ammonium kan worden gevormd.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
afbeeldingafbeelding
Ecologie
2/5 In een meer. Zie figuur B 2603 van de bijlage.
In ditzelfde meer wordt op een bepaalde diepte het verloop van de hoeveelheid mineralen gemeten gedurende een jaar. Het resultaat van deze metingen is weergegeven in de afbeelding. In de afbeelding is ook het verloop van de concentratie fytoplankton (= plantaardig plankton) en van twee andere factoren weergegeven.
Welke van de grafieken 1, 2 en 3 geeft het verloop van de hoeveelheid mineralen weer?
afbeelding
Ecologie
3/5 In een meer.
Van vijf verschillende meren werden dagelijks de biomassa (B) en de productiviteit (P) van het fytoplankton berekend. De resultaten van deze berekeningen zijn weergegeven in de tabel hieronder.
afbeelding
De verhouding tussen deze grootheden B en P levert een waarde op die men de turnover-tijd noemt. Deze turnover-tijd geeft weer hoe lang het zou duren voor de biomassa van de producenten vernieuwd is.
Zie volgende scherm
Ecologie
4/5 In een meer.
Op grond van de turnover-tijd kan men een uitspraak doen over de verhouding tussen nanoplankton en netplankton in een meer. Nanoplankton bestaat uit soorten fytoplankton met zeer kleine individuen die niet in een fijnmazig net achterblijven. Netplankton bestaat uit soorten fytoplankton met grotere individuen die wel in een fijnmazig net achterblijven. Nanoplankton deelt zich sneller dan netplankton. In een zesde meer bleek de turnover-tijd 1,75/dag te zijn.
Bereken in welk of in welke van de meren 1 t/m 5 zich in verhouding meer netplankton bevindt dan in meer 6.
Ecologie
5/5 In een meer. Zie figuur A 531 en C 43 van de bijlage.
In de afbeelding zijn kwantitatieve gegevens vermeld voor energiestromen in een ecosysteem in een meer; alle getallen geven procenten aan. De in de producenten vastgelegde energie is in de afbeelding gesteld op 100%.
Zie figuur C 43 van de bijlage.
Teken op de bijlage met behulp van de gegevens uit afbeelding C 43, nauwkeurig op schaal, een piramide van energie die in de trofische niveaus P, C1
, C2
en C3
uit afbeelding aanwezig is.
afbeeldingafbeelding
Ecologie
De Oosterscheldedam.
Tekst: De Oosterschelde is een zeearm. Bij laag water zijn grote delen van de Oosterschelde drooggevallen. Op de grote zandige platen die dan zichtbaar zijn, krioelt het van de vogels die op zoek zijn naar wormen en schelpen in de bodem. Door de vloed worden de vogels verdreven en kunnen de talrijke wormen en schelpdieren de microscopisch kleine algen en diertjes vangen die in het zeewater rondzweven. In de Oosterschelde is een waterdoorlatende dam gebouwd. De Oosterscheldedam gaat alleen met storm helemaal dicht. Door de dam verandert het waterpeil bij hoog en laag water minder dan vroeger. Daardoor is het deel dat bij laag water droogvalt kleiner geworden. Een bepaalde plaats in de Oosterschelde valt tegenwoordig nog maar zelden droog. Op die plaats zitten meer wormen in de bodem dan voor de komst van de dam.
Welke twee biotische factoren houden verband met deze toename van het aantal wormen? Welke invloed heeft elke factor op het aantal wormen?
afbeelding
Ecologie
Competitie. Zie figuur C 280 en C 281 van de bijlage.
In een ecosysteem kunnen verschillende vormen van competitie voorkomen. Een vorm van competitie is interspecifieke competitie, dit is competitie tussen organismen van verschillende soorten. Een voorbeeld van interspecifieke competitie bij soorten vinken is te vinden op de Galápagos-eilanden. Vier Galápagos-eilanden zijn: Charles, Chatam, Daphne en Crossmann. De tabel hieronder geeft de aan- of afwezigheid van twee vinkensoorten, Geospiza fortis en Geospiza fuliginosa, op deze eilanden. afbeelding Zie figuur C 280 van de bijlage.
Een verschil tussen G. fortis en G. fuliginosa is de snavelhoogte (zie de afbeelding). De snavelhoogte hangt samen met de aard van het voedsel dat de vinken eten. In de afbeelding zijn twee diagrammen getekend waarin de snavelhoogten van de genoemde vinkensoorten op de eilanden Daphne en Crossmann zijn weergegeven.
De verdelingen van snavelhoogten van de vinken G. fortis en G. fuliginosa op de eilanden Charles en Chatam zijn al vele jaren lang dezelfde.
Zie figuur C 281 van de bijlage.
Vier leerlingen tekenen ieder een diagram waarin zij de snavelhoogten van de vinken G. fortis en G. fuliginosa op de eilanden Charles en Chatam volgens hun verwachting hebben uitgezet tegen het aantal vinken (zie de afbeelding).
Welke van deze leerlingen heeft een juist diagram getekend?
afbeeldingafbeelding
Ecologie
Metingen in een ecosysteem.
Een onderzoeker bepaalt de totale hoeveelheid chlorofyl in een bepaald ecosysteem in Nederland. Een aantal studenten doet een bewering over de grootheid waarover de onderzoeker door bepaling van de hoeveelheid chlorofyl de meest directe informatie krijgt.
Volgens student 1 kan de onderzoeker op grond van de gevonden hoeveelheid chlorofyl bepalen of het een climax-ecosysteem is. Volgens student 2 kan de onderzoeker op grond van de gevonden hoeveelheid chlorofyl bepalen of het een pionier-ecosysteem is. Volgens student 3 kan de onderzoeker op grond van de gevonden hoeveelheid chlorofyl een schatting maken van de bruto primaire productie die in het ecosysteem mogelijk is. Volgens student 4 kan de onderzoeker op grond van de gevonden hoeveelheid chlorofyl een schatting maken van de netto primaire productie die in het ecosysteem mogelijk is. Volgens student 5 kan de onderzoeker op grond van de gevonden hoeveelheid chlorofyl een schatting maken van de biomassa van de reducenten in het ecosysteem.
Welke van deze student noemt de juiste grootheid?
Ecologie
Biomassa. Zie figuur B 1230 van de bijlage.
In de afbeelding is een piramide van biomassa getekend van de voedselketen:
gras ® sprinkhaan ® spitsmuis.
Welke van de volgende beweringen hierover is juist?
afbeelding
Ecologie
Plantenpopulaties. Zie figuur C 101 van de bijlage.
In een berggebied in de Verenigde Staten van Amerika komen op verschillende hoogten populaties van dezelfde plantensoort voor. Van deze verschillende populaties werden zaden verzameld. Uit deze zaden werd vervolgens in een proeftuin op zeeniveau een groot aantal planten gekweekt. Deze planten bleken in de proeftuin te verschillen in gemiddelde lengte, afhankelijk van de populatie waaruit de zaden waren gewonnen.
Zie figuur C 101 van de bijlage.
In de afbeelding is getekend op welke hoogte in het berggebied de zaden van negen verschillende populaties van deze soort werden verzameld. Bovendien is de gemiddelde lengte van de planten van elke populatie na het kweken in de proeftuin weergegeven. Er wordt van uitgegaan dat geen mutaties optreden. Naar aanleiding van deze resultaten worden twee beweringen gedaan:
1. de onderlinge lengteverschillen van de planten in de proeftuinen zijn modificaties; 2. de onderlinge lengteverschillen van de planten in de proeftuin zijn veroorzaakt door verschillen in genotype van de planten in deze populaties.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist op grond van deze resultaten?
afbeelding
afbeelding
Ecologie
Voedsel in de woestijn.
Bij een voedselproject in een woestijngebied overweegt men water van grote diepte op te pompen en in bekkens te verzamelen. Dit water bevat veel keukenzout (NaCl). In dit water kan men, eventueel na toevoeging van andere elementen, algen kweken. Algen zijn planten die kunnen dienen als voedsel voor dieren en mensen. Er worden drie situaties genoemd waarin de algen als voedsel kunnen worden gebruikt:
1. als voer voor vee dat wordt gehouden voor vleesproductie; 2. als voer voor in de bekkens te kweken consumptievissen; 3. voor menselijke consumptie.
Vergelijk deze drie situaties waarin de algen kunnen worden gebruikt. Ga ervan uit dat de netto primaire productie in deze situaties even groot is. In elke situatie komt een andere hoeveelheid biomassa in de vorm van voedsel voor de mens ter beschikking.
Welke van deze situaties levert de grootste hoeveelheid voedsel voor de mens op?
Ecologie
Een weiland. Zie figuur A 275 van de bijlage.
In de afbeelding is schematisch weergegeven wat er gebeurt met 1000 MJ lichtenergie die op 1 m2
grasland valt.
Hoe groot is de bruto primaire productie van 1 m2
grasland?
afbeelding
Ecologie
Productiviteit. Zie figuur A 666 van de bijlage.
In de afbeelding wordt het patroon weergegeven van energiestromen in een ecosysteem. Over het schema in de afbeelding worden de volgende beweringen gedaan:
1. Organismen van trofisch niveau n kunnen afkomstig zijn uit elk van de vier rijken waarin organismen worden ingedeeld. 2. Rn+1 geeft het energieverlies door dissimilatie aan bij organismen van trofisch niveau n + 1.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
afbeelding
Ecologie
Reductie.
De organische stoffen van de bladeren die in de herfst van de bomen vallen, zijn in de volgende zomer voor een groot deel verdwenen door de werking van micro-organismen.
Zijn deze stoffen omgezet in anorganische en/of organische stoffen? Komen deze stoffen binnen of buiten de micro-organismen voor?
Ecologie
Een loofbos. Zie figuur B 1235 van de bijlage.
In de afbeelding is de begroeiing van een deel van een loofbos getekend. Twee lagen zijn genummerd.
Hoe wordt laag 1 genoemd? En hoe laag 2?
afbeelding
afbeelding
Ecologie
Successie in een ecosysteem.
Bij een ecosysteem in successie veranderen de diversiteit en het voedselweb.
Wordt de diversiteit groter of kleiner? Wordt het voedselweb eenvoudiger of ingewikkelder?
afbeelding
Ecologie
Een populatie. Zie figuur B 1318 van de bijlage.
In de afbeelding is de verdeling van verschillende leeftijdsklassen in een populatie van een bepaalde diersoort schematisch weergegeven. Elke tekening geeft deze verdeling weer op een ander tijdstip gedurende de ontwikkeling van deze populatie in een successiereeks.
In welke volgorde volgen deze verdelingen van leeftijdsklassen elkaar in de tijd op gedurende de beginperiode van een successiereeks?
afbeelding
Ecologie
Meeltorren. Zie figuur B 1280 van de bijlage.
Meeltorren zijn insecten die hun gehele levenscyclus kunnen doormaken in potten, met meel als enige voedselbron. In een experiment werd de overlevingskans onderzocht van larven van twee soorten meeltorren P en Q die samen in potten met meel werden gehouden. De cultures werden gehouden bij verschillende temperaturen en verschillende relatieve vochtigheden van de lucht. Als larven van soort P en soort Q in een pot meel werden samengebracht, overleefden steeds bijna alleen de larven van een soort: de ene keer van P, de andere keer van Q. In het diagram in de afbeelding is weergegeven in welk percentage van de gemengde cultures soort P overleefde en welk percentage soort Q. Drie beweringen over de tolerantie van de soorten P en Q in een gemengde culture zijn:
1. soort P heeft bij een relatieve luchtvochtigheid van 30% een grotere tolerantie voor een temperatuur van 24°C dan soort Q, 2. soort P heeft bij een relatieve luchtvochtigheid van 70% een grotere tolerantie voor een temperatuur van 34°C dan soort Q, 3. beide soorten hebben een even grote tolerantie voor temperaturen boven 24°C, onafhankelijk van de relatieve luchtvochtigheid.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
afbeelding
Ecologie
Een voedselketen.
In een voedselketen kan de hoeveelheid vastgelegde energie in de eerste schakel worden vergeleken met de hoeveelheid vastgelegde energie in de tweede schakel.
In welke van deze schakels is de hoeveelheid vastgelegde energie het grootst? Waardoor?