Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie - Osmose_diffusie | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 5 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

5

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose-diffusie

1/3 Bloed.
Zie figuur B 484 van de bijlage.

Bloed van een zoogdier wordt zodanig behandeld dat fibrinogeen niet kan worden omgezet in fibrine. Rode bloedcellen uit dit bloed worden in verschillende NaCl-oplossingen gebracht. In het diagram is weergegeven welk percentage van de rode bloedcellen in de verschillende NaCl-oplossingen wordt gehemolyseerd. Onder hemolyseren verstaat men het vrijkomen van hemoglobine uit rode bloedcellen, nadat zij zijn gebarsten.
Een analist vult drie reageerbuizen ieder met 1 ml behandeld zoogdierbloed. In iedere buis doet hij vervolgens 5 ml van een NaCl-oplossing met de volgende concentraties :

buis 1 : 0,1% NaCl
buis 2 : 0,5% NaCl
buis 3 : 0,9% NaCl

Na 60 minuten centrifugeert hij alle buizen, waardoor in elke buis een bezinkingslaag ontstaat met daarboven een vloeistof.

Hoe wordt de vloeistof genoemd die boven de bezinkingslaag in buis 3 aanwezig is?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/3 Bloed.

Aangenomen wordt dat bij het begin van het experiment het aantal rode bloedcellen in iedere buis even groot was.

In welke buis zal na het centrifugeren het kleinste volume aan bezinksel aanwezig zijn?

Osmose-diffusie

3/3 Bloed.

Hoe groot is onder natuurlijke omstandigheden de concentratie van opgeloste deeltjes in rode bloedcellen?

Osmose-diffusie

1/2 Rode bloedcellen.

Het bloedplasma van de mens heeft een gemiddelde concentratie van opgeloste deeltjes die gelijk is aan die van een 0,9% NaCl-oplossing. Bij een experiment worden rode bloedcellen in een oplossing P gelegd met een onbekende concentratie van opgeloste deeltjes. De opgeloste deeltjes in oplossing P kunnen geen celmembraan passeren. Na enige tijd worden de rode bloedcellen onder de microscoop bekeken. Het blijkt dat ze gezwollen zijn.

Is de concentratie van opgeloste deeltjes in deze gezwollen rode bloedcellen kleiner dan, gelijk aan of groter dan die van een 0,9% NaCl-oplossing?

Osmose-diffusie

2/2 Rode bloedcellen.

Terwijl de gezwollen rode bloedcellen nog onder de microscoop liggen, wordt een oplossing Q onder het dekglaasje gebracht. Het volume van de cellen wordt daardoor kleiner.

Is de concentratie van opgeloste deeltjes in oplossing Q kleiner dan, gelijk aan of groter dan die in oplossing P?