Oefentoets Biologie: Evolutie - natuurlijke selectie | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 11 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

11

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Evolutie

Klifzwaluwen.

Een onderzoek aan een populatie klifzwaluwen op het Prinsen Eiland onthulde dat de kleinste en de grootste vogels relatief minder bijdragen aan de voortplanting dan de vogels van gemiddelde grootte.

Wat kun je daaruit afleiden?

Evolutie

2/4 Neanderthalers.

Er werd ontdekt dat Neanderthalers een bepaald gen MCR1 bezaten, dat rood haar, een bleke huid en sproeten veroorzaakt. Dat gen ziet er echter anders uit dan dat van moderne roodharigen.
Het idee is dat Neanderthalers en moderne mensen dit gen onafhankelijk van elkaar ontwikkelden. Een dergelijk gen levert voordeel op in gebieden met weinig zonneschijn: er wordt gemakkelijker vitamine D aangemaakt.

Door welk proces zal een dergelijk gen zich in een groep Neanderthalers of moderne mensen verspreid hebben?

Evolutie

De evolutie ligt op schema.
Zie figuur B 5672 van de bijlage.

Bekijk de afbeelding hiernaast.
De zin "De evolutie ligt op schema" in de afbeelding hiernaast is niet juist.

Waardoor wordt de richting en de snelheid van de evolutie vooral bepaald?

afbeeldingafbeelding

Evolutie

De 'fittest'.

Wie zijn de 'fittest' in de evolutie?

Evolutie

Taaislijmziekte.

De aanwezigheid van een CF-gen (gen voor taaislijmziekte) heeft niet alleen nadelen, maar ook een voordeel. Dragers van het CF-gen zijn beschermd tegen cholera.
Het CF-gen blijkt veel meer voor te komen in gebieden waar al vele generaties lang regelmatig cholera heerst, dan in choleravrije gebieden.

Noem de naam van het proces dat er toe heeft geleid dat het CF-gen in choleragebieden veel voorkomt.

Evolutie

Klimaat beïnvloedt het verspreidingsgebied van een organisme.
Zie figuur B 4389 van de bijlage.

In Nederland komen tientallen soorten lieveheersbeestjes voor. Een daarvan is het Tweestippig lieveheersbeestje, dat voorkomt in twee variaties: rood met zwarte stippen (zie de afbeelding, links) of zwart met rode stippen (zie de afbeelding, rechts).
De kleurvarianten zijn erfelijk bepaald en komen naast elkaar voor. De getalsmatige verhouding is echter niet overal hetzelfde.

In 1980 en in 1995 zijn tellingen verricht. Hieruit bleek, dat aan de kust vooral rode exemplaren voorkomen, terwijl in het zuidoosten relatief meer zwarte lieveheersbeestjes aanwezig zijn. Entomologen vermoeden dat het voorkomen van de twee kleurvarianten te maken heeft met de omgevingstemperatuur.
De temperatuur van het lieveheersbeestje bepaalt hoe actief ze zijn. Hoe actiever ze zijn, hoe vaker zij paren en hoe talrijker ze worden. Bij een lage omgevingstemperatuur, bijvoorbeeld in het voorjaar of 's morgens vroeg, hebben de lieveheersbeestjes zonnestraling nodig om actief te kunnen worden.

Zonnestraling warmt zwarte dieren sneller op dan rode. In het laboratorium is gemeten dat de zwarte lieveheersbeestjes onder dezelfde omstandigheden een hele graad Celsius warmer werden dan de rode variant.

In het zuidoosten van Nederland worden meer zwarte dan rode lieveheersbeestjes gevonden. Leg uit hoe dit komt.

afbeeldingafbeelding

Evolutie

Opgepast, hermelijnen!

In Nieuw-Zeeland heeft de populatie vliegenvangers zelf waakzaamheid ontwikkeld.

Leg uit hoe in Nieuw-Zeeland een blijvende waakzame populatie kon ontstaan na de verspreiding van de hermelijnen uit Europa.
Hoe wordt het proces, waardoor zo'n waakzame populatie ontstaat, genoemd?

Evolutie

De Europese rivierkreeft.
Zie figuur B 6826 van de bijlage.

De belangrijkste oorzaak waardoor de Europese rivierkreeft het zo moeilijk heeft om in Nederland te overleven is de besmetting met de zogenaamde kreeftenpest. Kreeftenpest wordt veroorzaakt door een schimmel. Die schimmel is in Europa terechtgekomen door de introductie van geïnfecteerde Amerikaanse rivierkreeften. De dieren van deze soort bestrijden de schimmel door hem in te kapselen. Bij een vervelling werpen ze de schimmel met het kapsel af. De Europese rivierkreeft bezit de eigenschap om de schimmel in te kapselen niet.

Het is echter aannemelijk dat alle kreeftensoorten van een gezamenlijke voorouder afstammen.

Waardoor zijn Amerikaanse rivierkreeften wel resistent geworden tegen kreeftenpest en Europese rivierkreeften niet?

afbeeldingafbeelding

Evolutie

Suikerriet wereldwijd.

Het suikerriet dat in Australië wordt verbouwd werd ingevoerd vanuit Zuid-Amerika. Er kwam echter ook een Zuid-Amerikaanse kever mee. Deze kever, de suikerrietkever, kan grote hoeveelheden suikerriet eten. De kever groeide uit tot een plaag voor de suikerrietplantages.
De Australische boeren kunnen de plaag bestrijden met pesticiden tegen de kever. Pesticiden zijn echter ook schadelijk voor andere organismen. Bovendien bestaat de kans dat de suikerrietkever resistent wordt.

Leg uit hoe een populatie suikerrietkevers kan ontstaan die resistent is tegen een bepaald type pesticide.

Evolutie

Een vreemde vogel op de Molukken.
Zie figuur B 2931 van de bijlage.

Tekst:
Het Moluks grootpoothoen (Eulipoa wallacei) is een bijzondere vogel. De wijfjes van deze soort broeden niet, maar graven een gat in een zandachtige bodem. Daar leggen ze hun ei in en gooien daarna het gat weer dicht. Ze bekommeren zich verder niet om het ei; het warme zand zorgt voor goede ontwikkelingskansen. De ontwikkelingstijd tot kuiken is circa 80 dagen. Het kuiken drukt de eischaal kapot en graaft zich met de pootjes een weg naar boven. Dat gebeurt in een rustig tempo. Het kuiken heeft veel vet opgeslagen in het lichaam.

Het is mogelijk dat het graafgedrag van het grootpoothoen al lang bestaat en overeenkomt met dat van reptielachtige voorouders van de vogels. Het is ook mogelijk dat het graafgedrag een moderne aanpassing is aan bepaalde omstandigheden in de evolutie van vogels.

Leg uit waardoor vogels die hun eieren begraven een mogelijk selectievoordeel hebben ten opzichte van vogels die broeden.




-

afbeeldingafbeelding

Evolutie

Betty en Abel.
Zie figuur B 3853 van de bijlage.

In 1996 ontdekte Gavin Hunt, een gedragsbioloog, dat de Nieuw-Caledonische kraai diverse soorten gereedschap, waaronder haakvormige, gebruikt om zijn prooi uit voor de snavel onbereikbare plekken te vissen. Het is niet duidelijk of dit gedrag erfelijk is.

Stel dat dit gedrag om voorwerpen te gebruiken wel erfelijk is, en stel dat veel Nieuw-Caledonische kraaien dit gedrag vertonen.

Leg uit hoe dit gedrag dan is ontstaan.
Leg uit hoe dit gedrag zich dan na vele generaties over vrijwel de hele populatie kraaien heeft verspreid.

afbeeldingafbeelding