Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - kieming | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Etheen.
Zie figuur B 2551.
afbeeldingafbeelding

Rijpe appels geven voortdurend het gas etheen af. Etheen heeft een grote invloed op planten.

Een leerling doet een proef met als onderzoeksvraag: Welke invloed heeft etheen op de lengtegroei van de stengels van ontkiemende erwten?

Ze zet vier schaaltjes met elk tien ontkiemende erwten onder glazen stolpen. Door het toevoegen van een rijpe appel komt er etheen in de lucht onder een stolp. In de afbeelding is een van de stolpen getekend.

Haar proefopzet is:

- schaaltje 1: erwten 48 uur onder een stolp zonder appel (= 0 uur in etheen);
- schaaltje 2: erwten eerst 24 uur onder een stolp met een rijpe appel, daarna 24 uur onder een stolp zonder appel (= 24 uur in etheen en 24 uur zonder etheen);
- schaaltje 3: erwten eerst 36 uur onder een stolp met een rijpe appel, daarna 12 uur onder een stolp zonder appel (= 36 uur in etheen en 12 uur zonder etheen);
- schaaltje 4: erwten 48 uur onder een stolp met een rijpe appel (= 48 uur in etheen).

Zie volgende scherm



-

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Kiemende bonen.
Zie figuur B 3390 van de bijlage.

Iemand onderzoekt welke gassen ontkiemende bonen en bonenplanten opnemen en afgeven.
Hij plaatst de ontkiemende bonen en de bonenplanten in afgesloten glazen bakken met lucht, zoals in de afbeelding is aangegeven. De temperatuur is 20°C. De proef duurt 24 uur.

In welke bak zal het zuurstofgehalte het laagst zijn na afloop van deze proef?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Kiemende bonen.
Zie figuur B 3390 van de bijlage.

In welke bak zal het koolstofdioxidegehalte het laagst zijn na afloop van deze proef?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Kiemproeven.

Op de bodem van vier petrischalen worden filtreerpapiertjes gelegd. In elk schaaltje worden 24 zaden van een ui en wat water gedaan. De schaaltjes worden onder verschillende omstandigheden bewaard (zie de tabel).
Na een week wordt bekeken hoeveel zaadjes zijn ontkiemd en hoe de kiemplantjes er uitzien.
Het resultaat is eveneens in de tabel weergegeven.
afbeeldingafbeelding

Iemand vergelijkt steeds twee schaaltjes met elkaar: 1 met 3, 1 met 4 en 2 met 3.

Uit welke vergelijking kan iets over de invloed van de temperatuur worden geconcludeerd?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Kiemproeven.

Is licht nodig voor de ontkieming van zaden van een ui?
En voor de vorming van bladgroen in de plantjes?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/5 Kiemende bonen.
Zie figuur B 775 van de bijlage.

In de tekeningen zijn vier stadia van de ontkieming van een zaad van een bonenplant weergegeven.
De zaadlobben in de stadia 1, 2 en 3 bevatten zetmeel.
De bladeren in de stadia 3 en 4 bevatten bladgroen.

Heeft het zaad water nodig voor de ontkieming?
En zuurstof?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/5 Kiemende bonen.
Zie figuur B 775 van de bijlage.

In welke stadia vindt verbranding plaats?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/5 Kiemende bonen.
Zie figuur B 775 van de bijlage.

Tussen welke stadia treedt celstrekking op?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

4/5 Kiemende bonen.
Zie figuur B 775 van de bijlage.

De groei van de plant vindt plaats met behulp van stoffen uit de zaadlobben en met behulp van de in de bladeren gevormde stoffen.

Waaruit komen de stoffen voor de groei tussen de stadia 3 en 4?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

5/5 Kiemende bonen.
Zie figuur B 775 van de bijlage.

Treedt tussen de getekende stadia meiose op?
Zo ja, tussen welke stadia?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Kieming van zaden.
Zie figuur B 2028 van de bijlage.

De afbeelding geeft een proefopstelling weer: op natte watten liggen dennenzaden of witte bonen, in het licht of in het donker.
Na enige tijd zijn alle zaden ontkiemd. De kiemplantjes van de dennenzaden bevatten bladgroen, zowel in bak 1 als in bak 2. De kiemplantjes van de witte bonen in bak 3 bevatten eveneens bladgroen; de kiemplantjes van de witte bonen in bak 4 bevatten echter geen bladgroen.

Blijkt uit de proef die bij de afbeelding is beschreven dat dennenzaden voor het ontkiemen licht nodig hebben?
En dat witte bonen voor het ontkiemen licht nodig hebben?

afbeeldingafbeelding


-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Kieming van zaden.
Zie figuur B 2028 van de bijlage.

De afbeelding geeft de proefopstelling weer: op natte watten liggen dennenzaden of witte bonen, in het licht of in het donker.
Na enige tijd zijn alle zaden ontkiemd. De kiemplantjes van de dennenzaden bevatten bladgroen, zowel in bak 1 als in bak 2. De kiemplantjes van de witte bonen in bak 3 bevatten eveneens bladgroen; de kiemplantjes van de witte bonen in bak 4 bevatten echter geen bladgroen.

Blijkt uit de proef die bij de afbeelding is beschreven dat kiemplantjes van dennen voor de vorming van bladgroen licht nodig hebben?
En dat kiemplantjes van witte bonen voor de vorming van bladgroen licht nodig hebben?

afbeeldingafbeelding





-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Een proef met zaden.

Een leerling doet een proef met twintig zaden. Zij verdeelt de twintig zaden in twee groepen van tien (groep 1 en groep 2). De zaden van groep 1 wegen evenveel als de zaden van groep 2.
Zij legt de zaden van groep 1 op vochtige watten, in een glazen bak in het donker. Tijdens de proef blijven deze watten vochtig.
Zij legt de zaden van groep 2 op droge watten, in een glazen bak in het licht.
Na een dag weegt zij beide groepen zaden. Het gewicht van de zaden van groep 1 blijkt te zijn toegenomen. Het gewicht van de zaden van groep 2 blijkt gelijk te zijn gebleven.

Leg uit waardoor de zaden van groep 1 zwaarder zijn geworden.

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Een proef met zaden.

Een leerling doet een proef met twintig zaden. Zij verdeelt de twintig zaden in twee groepen van tien (groep 1 en groep 2). De zaden van groep 1 wegen evenveel als de zaden van groep 2.
Zij legt de zaden van groep 1 op vochtige watten, in een glazen bak in het donker. Tijdens de proef blijven deze watten vochtig.
Zij legt de zaden van groep 2 op droge watten, in een glazen bak in het licht.

De leerling gebruikte de zaden van groep 2 als controlegroep.

Welke onnauwkeurigheid bevatte haar proefopstelling?

Plantenanatomie en -fysiologie

De boon.
Zie figuur B 1189 van de bijlage.

In de afbeelding hiernaast is een bruine boon schematisch getekend.

1. Met welk nummer is de kiem aangegeven? Met nummer [invulveld].

2. Met welk nummer is het deel aangegeven dat het zaad beschermt? Met nummer [invulveld].

3. Met welk nummer is het deel aangegeven waarmee de bruine boon heeft vastgezeten aan de moederplant? Met nummer [invulveld].

4. Hoe heet het deel dat is aangegeven met nummer 4? De/het [invulveld].

5. Hoe heet de opening in de zaadhuid, waardoor water kan worden opgenomen? De/het [invulveld].

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/4 Gelijke kiemkracht.

KIEMKRACHTIG ZAAD.

De rijpheid van een plantenzaad is af te lezen aan zijn concentratie bladgroen. Uitgaande hiervan ontwikkelden Wageningse plantkundigen een machine die rijpe zaden selecteert. Zodra dr. Henk Jalink de Seed Master II aanschakelt, begint het apparaat vreselijk te ratelen. Het geluid doet nog het meest denken aan een luidruchtige Geigerteller. De herrie wordt veroorzaakt door de duizenden zaden die hij in no time selecteert. Koolzaden, voor deze demonstratie.

De ronde, bruingekleurde zaadjes storten vanuit een reservoir via een metalen goot anderhalve meter naar beneden. Dan komen ze in een rond, ijzeren vat terecht. Daar worden ze een voor een geselecteerd. De optimaal rijpe zaden rollen verder en schieten via een korte slang een plastic fles in. De minder rijpe zaden worden met een korte stoot perslucht weggeblazen. Ze ketsen via de wand van de ijzeren doos naar beneden, waar ze in een plastic bak vallen. "Onze selectie baseert zich op een nog niet eerder toegepast principe. We gebruiken laserlicht", zegt Jalink, die als fysicus is verbonden aan het Centrum voor Plantenveredelings- en Reproductieonderzoek (CPRO-DLO) in Wageningen.[...]

"Het principe van de Seed Master is verbluffend simpel. Het apparaat selecteert zaden op hun concentratie bladgroen. Deze kleurstof wordt voornamelijk aangetroffen in bladeren en geeft ze hun groene kleur. Bladgroen vangt lichtenergie op en de plant legt de ingevangen energie vast in chemische verbindingen, met name zetmeel, en gebruikt die energie op een later tijdstip weer voor processen als groei en zaadvorming.[...]
Als je bladgroen in zaad belicht zendt dit het merendeel aan licht weer uit als licht met een andere kleur. Er treedt dus fluorescentie op. Dat gebeurt in nog minder dan een miljoenste van een seconde. En die fluorescentie is te meten. Het is zo'n simpel gegeven. We verbazen ons er nog steeds over dat niemand voor ons op het idee is gekomen om dit toe te passen bij de selectie van zaad. Het bladgroen zit soms ongelijk over het zaad verdeeld. Door het zaad van drie kanten te belichten kun je de concentratie nauwkeuriger bepalen. Dat gebeurt in het ijzeren vat."

Jalink trof de kleurstof bijvoorbeeld aan in negen jaar oude tomatenzaden. Zolang het zaad droog bewaard blijft, is bladgroen blijkbaar stabiel aanwezig. Maar dat verandert zodra een zaad gaat uitrijpen. Dan verdwijnt het bladgroen langzaam, zo ontdekte de Wageninger. Het wordt afgebroken. Die afbraak blijkt keurig gelijk te lopen met de rijping. Hoe minder bladgroen, hoe rijper het zaad. En de mate van rijping houdt weer verband met de kiemkracht van een plant. Zaai je een onrijp zaad dan krijg je geen of een kreupele kiemplant. Hetzelfde geldt voor een zaad dat te ver is doorgerijpt. Via de concentratie bladgroen en daaropvolgende kiemproeven kunnen we de beste fase van rijping vaststellen. We kunnen de selectie afstemmen op die rijpingsfase. Dit is beter dan de normale selectie die zich gebruik maakt van vorm, grootte, kleur of ruwheid van het zaad. Het verband met de rijping is in deze gevallen minder duidelijk."

Het gelijktijdig kiemen van zaden is nog verder te verhogen via een zaadbehandeling die de laatste tien jaar in gebruik is geraakt: het primen. Hierbij worden zaden voorgekiemd in een waterige oplossing waaruit ze net genoeg vocht kunnen opnemen om op gang te komen, maar te weinig om helemaal te kiemen. Daarna worden ze terug gedroogd. Ze staan dan als het ware in de startblokken. Eenmaal uitgezaaid kiemen zulke zaden sneller en gelijkmatiger dan onbehandeld zaad. "Je weet niet wat je ziet", aldus Jalink. "Bijna alle zaden kiemen binnen een periode van ongeveer drie uur."

(NRC-Handelsblad, 21 maart 1998).

Zie volgende scherm.




-

Plantenanatomie en -fysiologie

2/4 Gelijke kiemkracht.

In het artikel worden zaden geselecteerd op rijpheid.

Welk nut heeft het voor verbouwers van gewassen dat deze zaadselectie wordt uitgevoerd?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/4 Gelijke kiemkracht.

Wat gebeurt er met het reservevoedsel en de kiem in het zaad tijdens het primen?

Plantenanatomie en -fysiologie

4/4 Gelijke kiemkracht.

Hoe maken mensen gebruik van het reservevoedsel in bepaalde zaden?

Plantenfysiologie

Glucose uit zetmeel.
Zie figuur B 724 van de bijlage.

Een kiemende boon (zie tekening) bevindt zich onder de grond.

In welk of in welke van de aangegeven delen kan zich glucose bevinden dat ontstaan is uit zetmeel?