Oefentoets Biologie: Spijsvertering | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 6

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spijsvertering

7/8 Mondbacteriën.

Bacteriële endocarditis is een ontsteking van de binnenwand van het hart (endocard), vooral van de hartkleppen.
De hartkleppen kunnen hierdoor ernstig beschadigd raken met als gevolg dat ze minder goed sluiten. Bacteriële endocarditis wordt veroorzaakt door een bacterie, Streptococcus mutans, in de bloedbaan.
Iedereen heeft deze bacteriën in de mond, maar ook wel eens in het bloed, bijvoorbeeld na het tandenpoetsen als het tandvlees beschadigd is. Om bacteriële endocarditis te krijgen moeten de bacteriën kans zien zich te nestelen op het weefsellaagje dat de hartkleppen bekleedt, het endocard. Dit is mogelijk als dat weefsel beschadigd is.

Leg aan de hand van de functie van de hartkleppen uit, wat een nadelig gevolg is van een slecht functionerende hartklep.

Spijsvertering

8/8 Mondbacteriën.

Als er endocarditis van de tweeslippige klep optreedt als gevolg van een tandheelkundige ingreep, heeft Streptococcus mutans in het lichaam een weg door de bloedbaan afgelegd.

Noem de bloedvaten en de delen van het hart die achtereenvolgens gepasseerd zijn door S. mutans, op de kortst mogelijke route.

Spijsvertering

1/2 De maag.

In de wand van de maag van de mens komen cellen voor die in bepaalde omstandigheden een hormoon kunnen afscheiden. Dit hormoon stimuleert de afgifte van maagsap door de maagsapklieren.

In welk van de bloedvaten aorta, longslagader of maagslagader zullen moleculen van dit hormoon na afscheiding het eerst terechtkomen?

Spijsvertering

2/2 De maag.

In de wand van de maag van de mens komen cellen voor die in bepaalde omstandigheden een hormoon kunnen afscheiden. Dit hormoon stimuleert de afgifte van maagsap door de maagsapklieren.

Zal de hydrolyse van eiwitten in de maag als gevolg van afscheiding van dit hormoon afnemen, gelijk blijven of toenemen?

Spijsvertering

1/3 Diabetes mellitus.

Diabetes mellitus (= suikerziekte) kan ontstaan door verschillende oorzaken.

De ziekte kan het gevolg zijn van het feit dat er onvoldoende insuline wordt geproduceerd (diabetes type 1).

Bij diabetes type II produceren de eilandjes van Langerhans wel insuline, maar nemen de cellen in het lichaam te weinig glucose uit de weefselvloeistof op door een ontregeling van het opname-mechanisme.

Bij het opname-mechanisme speelt de insuline-receptor een rol. Men veronderstelt dat er bij diabetes type II te weinig insuline-receptoren zijn of dat de receptoren te weinig affiniteit met insuline hebben. Bij beide typen diabetes wordt het teveel aan glucose in het bloed uitgescheiden met de urine.

Is het insulinegehalte in het bloed van onbehandelde patiënten met diabetes type II gemiddeld per 24 uur lager dan, gelijk aan of hoger dan dat bij gezonde mensen?

Spijsvertering

2/3 Diabetes mellitus.
Zie figuur B 1983 van de bijlage.

Glucose wordt in bepaalde weefsels van de mens omgezet in glycogeen.
Dit wordt opgeslagen. In de afbeelding zijn enkele typen weefsel weergegeven.

In welk of in welke van deze typen weefsel kunnen bij de mens grote hoeveelheden glycogeen worden opgeslagen?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

3/3 Diabetes mellitus.

Als een lijder aan diabetes niet wordt behandeld, ontstaan onder andere de volgende verschijnselen:

1. de geproduceerde urine bevat glucose,
2. de hoeveelheid geproduceerde urine neemt toe,
3. er vindt afzetting van vetten plaats op de vaatwanden.

Elk van deze verschijnselen heeft een directe oorzaak. Indirecte oorzaken worden hier buiten beschouwing gelaten.
Bekend zijn onder meer de volgende vier veranderingen:

P. de terugresorptie van water in de nieren neemt af,
Q. de osmotische waarde van het weefselvocht is verhoogd, doordat dit weefselvocht meer glucose dan normaal bevat,
R. er worden, in verhouding tot de totale hoeveelheid vetten, minder vetten in de vetcellen opgenomen,
S. het glucosegehalte van het bloed kan tot veel hogere waarden stijgen dan bij gezonde personen.

Welke van deze veranderingen is een directe oorzaak van welk van de genoemde verschijnselen?

Spijsvertering

1/3 Onderzoek naar de vertering van melkvet.
Zie figuur D 4 van de bijlage.

In melk komt onder andere vet voor. Dit melkvet wordt in de darm van de mens verteerd. Je wilt onderzoeken welke invloed gal heeft op de snelheid waarmee melkvet in het verteringskanaal wordt verteerd. Gal wordt in de twaalfvingerige darm aan de verteringssappen toegevoegd en emulgeert vetten.
In je onderzoek gebruik je de volgende materialen:

- volle melk
- een bepaalde indicator
- een bepaald verteringssap
- NaOH-oplossing
- een waterbad met temperatuurregulatie
- een oplossing met pH = 6,2
- reageerbuizen
- maatpipetten van 10 cm3
- druppelpipet
- stopwatch

afbeeldingafbeelding

De pH van volle melk is ongeveer 6,5. Een NaOH-oplossing gebruik je om de pH van een oplossing te verhogen. De mate van de vetvertering wordt gemeten door de kleuromslag van een zuur-base-indicator. Bij deze vetvertering treden pH-veranderingen op. Het experiment wordt niet in duplo uitgevoerd.

Welk of welke van de in afbeelding D 4 genoemde verteringssappen kun je voor je onderzoek gebruiken? Verklaar je antwoord.




-

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/3 Onderzoek naar de vertering van melkvet.
Zie figuur A 525 van de bijlage.

Welke van de indicatoren uit de afbeelding kies je voor je onderzoek? Geef met behulp van de informatie een toelichting op je keuze.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

3/3 Onderzoek naar de vertering van melkvet.

In je onderzoek gebruik je de volgende materialen:

- volle melk
- een bepaalde indicator
- een bepaald verteringssap
- NaOH-oplossing
- een waterbad met temperatuurregulatie
- een oplossing met pH = 6,2
- reageerbuizen
- maatpipetten van 10 cm3
- druppelpipet
- stopwatch

Beschrijf de opzet en de uitvoering van een experiment waarmee je de invloed van gal meet op de snelheid waarmee vet, aanwezig in volle melk, wordt verteerd door verteringssap. Beschrijf je handelingen in de juiste volgorde.

Gebruik alle genoemde materialen en geef van elk aan waarvoor je het gebruikt.




-

Spijsvertering

1/2 Vetvertering.

In melk komt onder andere vet voor. Dit melkvet wordt in de darm van de mens verteerd onder invloed van het enzym lipase dat zich in het alvleessap bevindt. Om de mate waarin de vetvertering in een experiment plaatsvindt te kunnen waarnemen, kun je gebruikmaken van de kleuromslag van de zuur-base-indicator fenolftaleïne. Fenolftaleïne is bij pH < 8,2 kleurloos en bij pH > 8,2 roze tot paars-rood. De pH van volle melk is lager dan 8,2.
Je gaat onderzoeken wat de invloed is van gal op de snelheid waarmee melkvet wordt verteerd. Je voert de proef als volgt in duplo uit:

- je vult buis 1 en 2 met melk, alvleessap, gal;
- je vult buis 3 en 4 met melk, alvleessap, water;
- aan elke buis voeg je evenveel fenolftaleïne toe;
- je maakt de pH van de buizen gelijk door toevoeging van NaOH;
- je controleert de pH met pH-papier.

De hoeveelheden melk, alvleessap, gal of water kies je niet willekeurig.

Aan welke voorwaarden moeten deze hoeveelheden in de buizen 1 en 3 voldoen?





-




-

Spijsvertering

2/2 Vetvertering.

In melk komt onder andere vet voor. Dit melkvet wordt in de darm van de mens verteerd onder invloed van het enzym lipase dat zich in het alvleessap bevindt. Om de mate waarin de vetvertering in een experiment plaatsvindt te kunnen waarnemen, kun je gebruikmaken van de kleuromslag van de zuur-base-indicator fenolftaleïne. Fenolftaleïne is bij pH < 8,2 kleurloos en bij pH > 8,2 roze tot paars-rood. De pH van volle melk is lager dan 8,2.

Je gaat onderzoeken wat de invloed is van gal op de snelheid waarmee melkvet wordt verteerd. Je voert de proef als volgt in duplo uit:

- je vult buis 1 en 2 met melk, alvleessap, gal;
- je vult buis 3 en 4 met melk, alvleessap, water;
- aan elke buis voeg je evenveel fenolftaleïne toe;
- je maakt de pH van de buizen gelijk door toevoeging van NaOH;
- je controleert de pH met pH-papier.

Welke waarde moet de pH in de buizen hebben na toevoeging van NaOH?




-

Spijsvertering

1/3 Maagzweer.

Veel mensen die een maagzweer hebben, weten erover mee te praten: de eenmaal in het maagslijmvlies ingenestelde bacterie Helicobacter pylori raak je niet zo makkelijk kwijt.
Wanneer H. pylori zich heeft gevestigd in het maagslijmvlies heeft de aspecifieke afweer in het maag-darmkanaal onvoldoende gewerkt.

Noem twee manieren waarop de aspecifieke afweer een maaginfectie door bacteriën kan voorkomen.

Spijsvertering

2/3 Maagzweer.

Activiteit van het immuunsysteem leidt tot de productie van een IgG, de antistof die wijst op een infectie met H. pylori.

Welke cellen produceren dit IgG en door welk type stoffen wordt de productie van IgG gereguleerd?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

3/3 Maagzweer.

De bacterie Helicobacter pylori kan van mens op mens worden overgedragen.

Beschrijf een route waarlangs de overdracht van H. pylori van mens op mens plaatsvindt.

Spijsvertering

1/2 Maagzweren.

Dr. B. Marshall onderzocht de oorzaak van het ontstaan van maagzweren.
Hij maakte preparaten van het maagslijmvlies van patiënten met een maagzweer en onderzocht die onder de microscoop.
In de preparaten ontdekte hij bacteriën van de soort Helicobacter pylori.
Deze bacteriën produceren het enzym urease.
Urease katalyseert de hydrolyse van ureum waarbij ammoniumhydroxide ontstaat.

Over de overleving van deze bacteriën in de maagholte worden de volgende beweringen gedaan:

1. Eventuele antistoffen tegen de bacteriën worden in de maagholte onwerkzaam, doordat ze worden verteerd;
2. Door de werking van urease wordt het zure milieu rond de bacteriën geneutraliseerd.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Spijsvertering

2/2 Maagzweren.

Mensen met een maagzweer volgen een bepaald dieet, waarbij het eiwitgehalte van de voeding beperkt wordt.
Daarbij dient een voldoende grote variatie aan eiwitbronnen gebruikt te worden.

Leg uit waarom het nodig is om een voldoende grote variatie aan eiwitbronnen te gebruiken.

Spijsvertering

1/10 Herprogrammeren van alvleeskliercellen.

Diabetes mellitus (suikerziekte) is een ernstige ziekte die op termijn kan leiden tot aandoeningen aan de nieren, ogen, voeten en hart en bloedvaten.
Er zijn verschillende typen diabetes te onderscheiden.
Bij type-1 diabetes maakt de alvleesklier geen of zeer weinig insuline aan ten gevolge van een uitgebreide vernietiging van ß-cellen.
De huidige behandeling is erop gericht de symptomen van type-1 diabetes te bestrijden met insuline-injecties, maar deze geven geen genezing.
Endocrinologen van de Harvard universiteit onderzoeken of ze exocriene alvleeskliercellen, die verteringsenzymen maken, kunnen ‘herprogrammeren' tot endocriene ß-cellen.
Als de veranderde cellen insuline gaan produceren, zou dit de diabetespatiënt kunnen genezen.

Een van de symptomen van diabetes is de productie van zoete urine.

Verklaar waardoor bij diabetespatiënten zoete urine wordt gevormd.

Spijsvertering

2/10 Herprogrammeren van alvleeskliercellen.

Een ander symptoom is dat de adem ruikt naar aceton of een ander ketozuur, als gevolg van keto-acidose.

Dat is een teken dat er voor de energievoorziening van cellen overgeschakeld is op een ander proces dan aerobe dissimilatie van glucose.

Welk ander proces?

Spijsvertering

3/10 Herprogrammeren van alvleeskliercellen.

De alvleesklier bevat behalve endocriene cellen ook exocriene cellen.

Wat is het onderscheid tussen endocriene en exocriene cellen?