Oefentoets Biologie: Genetica - dihybried | HAVO 4/HAVO 5 | variant 2

Deze oefentoets bevat 74 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

74

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Genetica

Hoenders.
Zie figuur A 111 van de bijlage.

Bij hoenders komt de eigenschap rozenkam (P) en de eigenschap erwtenkam (Q) voor.
Deze eigenschappen zijn niet gekoppeld en liggen niet op een geslachtschromosoom. Een combinatie van de allelen P en Q levert een zogenaamde walnootkam op. Dieren die voor beide eigenschappen heterozygoot recessief zijn, hebben een normale kam.

Bij welke kruising heeft ongeveer 75% van de nakomelingen een walnootkam?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Honden.

Bij honden is donkere vachtkleur (allel A) dominant over albino (geen kleurstof, allel a). Kort haar (allel B) is dominant over lang haar (allel b). De genen erven onafhankelijk van elkaar over.

Hieronder staan van een kruising de fenotypen gegeven van de ouders en van de nakomelingen, plus de aantallen nakomelingen.

afbeeldingafbeelding

De mogelijke genotypen van de ouders zijn

Genetica

Een dihybride kruising.

Van een diersoort is het allel voor zwart haar (E) dominant over dat voor rood haar (e). Het allel voor krullend haar (F) is dominant over dat voor sluik haar (f).
In de F1 van een kruising is de verhouding zwart krullend : zwart sluik : rood krullend : rood sluik = 1 : 1 : 1 : 1.

Wat zijn de genotypen van de ouders?

Genetica

Een dihybride kruising.

Bij Drosophila is het allel voor rode ogen (R) dominant over dat voor bruine ogen (r). Het allel voor rechte vleugels (V) is dominant over dat voor gekrulde vleugels (v).

De kruising RrVv x rrvv heeft het volgende resultaat:

- 527 rode ogen en rechte vleugels
- 529 rode ogen en gekrulde vleugels
- 530 bruine ogen en rechte vleugels
- 531 bruine ogen en gekrulde vleugels

De resultaten van deze proef zijn duidelijk een bewijs van

Genetica

Een kruising.

Twee planten met het genotype EeFf planten zich onderling voort. De afbeelding hieronder geeft het kruisingsschema van deze kruising weer.

afbeeldingafbeelding

In dit schema zijn op de plaatsen P, Q, R en S geen genotypen ingevuld.

Over de nakomelingen waarvan de genotypen op de plaatsen P, Q, R en S kunnen worden ingevuld, worden vier beweringen gedaan:

1. Deze nakomelingen zijn allemaal heterozygoot voor beide kenmerken.
2. Deze nakomelingen zijn allemaal homozygoot voor minstens één van beide kenmerken.
3. De nakomelingen op de plaatsen P en Q hebben een zelfde fenotype als hun ouders.
4. De nakomelingen op de plaatsen R en S hebben een ander fenotype dan hun ouders.

Welke van deze beweringen zijn juist?

Genetica

Vachtkleur.

Bij muizen komen de volgende allelen voor:

- allel H veroorzaakt beharing, allel h veroorzaakt kaalheid.
- allel R veroorzaakt bruine vachtharen en allel r veroorzaakt witte vachtharen.

De genoemde allelen zijn niet X-chromosomaal en niet gekoppeld.
Twee muizen met het genotype HhRr krijgen nakomelingen.

Hoe groot is de kans dat het eerstgeboren jong een bruine vacht zal hebben?

Genetica

Een dihybride kruising bij hoenders.
Zie figuur A 111 van de bijlage.

Bij hoenders komt de eigenschap rozenkam (P) en de eigenschap erwtenkam (Q) voor.
Deze eigenschappen zijn niet gekoppeld en liggen niet op een geslachtschromosoom. Een combinatie van de allelen P en Q levert een zogenaamde walnootkam op.
Dieren die voor beide eigenschappen heterozygoot recessief zijn, hebben een normale kam.

Welke van onderstaande kruisingen resulteert in een F1 waarin zowel dieren met een walnootkam als dieren met een normale kam voorkomen?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Appelbomen.

Appelboom 1 heeft ten aanzien van twee eigenschappen het genotype RRqq.
De bloemen van deze boom worden bestoven en bevrucht door stuifmeelkorrels van appelboom 2, die ten aanzien van deze eigenschappen het genotype rrQQ heeft.

Wat zal het genotype zijn van de volgende cellen?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Erwten kruisen.

Men kruist twee homozygote erwtenplanten: een plant met rode bloemen en gaafrandige bladeren en een plant met witte bloemen en gekartelde bladeren. Het allel voor rode bloemkleur is dominant over het allel voor witte bloemkleur en het allel voor gekartelde bladrand is dominant over het allel voor gave bladrand. Deze eigenschappen erven onafhankelijk van elkaar over.
De exemplaren uit de F1 worden teruggekruist met de roodbloemige, gaafrandige ouder.

Hoe groot zijn de te verwachten percentages van de verschillende fenotypen die uit deze terugkruising ontstaan?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Muizen.

Bij muizen is het allel E (lange staart) dominant over het allel e (korte staart); het allel F (krullend haar) dominant over het allel f (glad haar).

In de F1 heeft 50% van de vele nakomelingen een lange staart en glad haar en 50% een korte staart en glad haar.

Wat is het genotype van één van de ouders?

Genetica

Cavia's kruisen.

Men kruist een witte ruigharige cavia met een zwarte gladharige.
Met betrekking tot deze kenmerken vinden we in de volgende generatie vier verschillende fenotypen in de verhouding 1 : 1 : 1 : 1.
A staat voor het allel zwartharig en a voor witharig, B voor ruigharig en b voor gladharig.
A en B zijn dominant.

Het genotype van de ouders moet dan voorgesteld worden door

Genetica

De rundervacht.

Twee runderen worden gekruist. Bij deze kruising wordt gelet op de kleur en het kleurpatroon van de vacht.
Het allel E (effen patroon) is dominant over het allel e (gevlekt patroon).
Het allel F (bruin) is dominant over het allel f (rood).

In de F1 is de verhouding:
afbeeldingafbeelding

Wat zijn de genotypen van de ouders?

Genetica

De rundervacht.

Bij runderen zijn de genen voor de haarkleur en voor het vlekkenpatroon niet gekoppeld en niet X-chromosomaal. De nakomelingen van bepaalde effen zwarte koeien en een roodbonte stier zijn altijd effen zwart. Bij onderlinge kruising van dergelijke F1 -individuen ontstaat een F2 met 32 individuen.

Hoeveel bonte runderen kunnen verwacht worden?

Genetica

Planten kruisen.

Een plant met brede, behaarde bladeren wordt gekruist met een plant met smalle, kale bladeren. Alle F1 -individuen hebben brede bladeren, maar 50% heeft behaarde en 50% kale bladeren. Zelfbestuiving van F1 -planten met brede, kale bladeren levert nakomelingen (F2 ) op in de volgende verhouding:

9 breed, kaal : 3 breed, behaard : 3 smal, kaal : 1 smal, behaard.

In welke verhouding zullen de verschillende fenotypen voorkomen bij F2 -individuen, ontstaan na zelfbestuiving van de F1 -planten met brede, behaarde bladeren?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Erwten kruisen.

Planten met ronde, gele erwten worden gekruist met planten met groene, kantige erwten. De allelen voor geel (G) en rond (R) zijn dominant en niet gekoppeld.
In de F1 komen vier verschillende fenotypen voor.

Wat is het genotype van de ouderplant met ronde, gele erwten?

Genetica

Konijnen kruisen.

Twee konijnen die voor dezelfde twee eigenschappen heterozygoot zijn, worden gekruist. De twee betrokken genen zijn niet gekoppeld.

Hoe groot is de kans dat een nakomeling voor elk van deze twee genen alleen de dominante allelen bezit?

Genetica

Planten kruisen.

Bij een plant die heterozygoot is voor twee eigenschappen, treedt zelfbestuiving op. De betrokken genen zijn niet gekoppeld.

Hoe groot is de kans op nakomelingen die eveneens heterozygoot voor beide eigenschappen zijn?

Genetica

Cavia's kruisen.

Een gladharige, zwarte cavia en een ruwharige, witte cavia hebben in totaal 6 nakomelingen. Deze nakomelingen zijn ruwharig, er zijn zwarte en witte bij.

Kan hieruit met zekerheid worden afgeleid of het allel voor ruwharig dominant is?
En het allel voor zwart?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Muizen kruisen.

Bij muizen is het allel voor een bruine vacht dominant over dat voor een witte vacht; het allel voor donkere ogen is dominant over dat voor rode ogen.
Een homozygote, bruinharige, donkerogige muis wordt gekruist met een witharige, roodogige muis. De betrokken genen zijn niet gekoppeld en niet X-chromosomaal.

Hoeveel verschillende genotypen kunnen in de F2 worden aangetroffen?

Genetica

Cavia's kruisen.

Twee zwarte ruigharige cavia's paren verscheidene keren met elkaar. Onder hun nakomelingen bevinden zich een wit ruigharig dier en een wit gladharig dier.

Wat zal de theoretische verhouding zijn tussen witte ruigharige en witte gladharige dieren van deze nakomelingschap?

Genetica

Oogkleur.
Zie figuur B 508 van de bijlage.

Hoewel het een vereenvoudiging van de werkelijkheid is, kan gesteld worden dat bij de mens het allel voor bruine oogkleur dominant is over dat voor blauwe oogkleur en dat het allel voor sluik haar dominant is over dat voor krullend haar.
De genen voor oogkleur en haartype zijn niet gekoppeld en niet X-chromosomaal.

In de stamboom, figuur B 508, zijn de fenotypen van een aantal personen weergegeven.

Kan persoon Q blauwe ogen hebben?
En krullend haar?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Genetica

Genotypen.

Een mannetje en een vrouwtje van een bepaalde zoogdiersoort die beide het genotype EeFf hebben, krijgen samen nakomelingen.
De betrokken genen zijn niet gekoppeld.

Hoeveel verschillende genotypen met betrekking tot deze genen kunnen bij de nakomelingen voorkomen?

Genetica

Erfelijke doofheid.

Sommige vormen van doofheid bij zoogdieren zijn erfelijk.
Voor de vorming van een normaal gehoororgaan komt bij de hond een dominant allel E voor. Honden met het genotype ee zijn doof.
Voor de vorming van een normale gehoorzenuw komt een dominant allel F voor. De honden met het genotype ff zijn eveneens doof.
De genen zijn niet gekoppeld en niet X-chromosomaal.
Er wordt een doof jong geboren, terwijl het ouderpaar niet doof is.

Uit welke van de onderstaande kruisingen kan dit dove jong geboren zijn?

Genetica

Planten kruisen.
Zie figuur B 1711 van de bijlage.

In de figuur staan de kiemplanten van de variëteiten I en II van één plantensoort.
De plant van variëteit I vertoont voor beide eigenschappen de dominante aanleg. Als men later beide planten met elkaar kruist, vertoont de volgende generatie kiemplanten de reeds genoemde combinaties van eigenschappen.
Bovendien vertoont deze generatie de combinaties: blauwe stengel met gave bladeren en groene stengel met ingesneden bladeren.

Welk van onderstaande beweringen over de erfelijke aanleg van de planten I en II is juist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een dihybride kruising.

Bij welke van onderstaande dihybride kruisingen is de kans het grootst dat de nakomelingen voor beide betrokken eigenschappen heterozygoot zijn?

Genetica

Een dihybride kruising.

Een plant heeft het genotype QqRr. De betrokken genen zijn niet gekoppeld.

Hoe groot is de kans dat een stuifmeelkorrel van deze plant tegelijkertijd het allel q en het allel R bevat?

Genetica

Veren bij hoenders.

Bij hoenders wordt de kleur van het verenpakket bepaald door twee allelenparen. Het dominante allel R veroorzaakt een gekleurd verenkleed. Het recessieve allel r veroorzaakt een wit verenkleed. Het dominante allel Q veroorzaakt blokkering van de werking van allel R (verenkleed wordt dan wit). Het recessieve allel q veroorzaakt geen blokkering. De allelen R en r liggen in een ander chromosoom dan de allelen Q en q.
Een kip met het genotype QQRR wordt gekruist met een haan met het genotype qqrr. Hun nakomelingen (F2 ) worden onderling verder gefokt.

Welk deel van de volwassen nakomelingen in de F2 zal, naar verwachting, een gekleurd verenkleed hebben?

Genetica

Tomaten.

Bij de tomaat is het allel E voor enkelvoudige bloeiwijze dominant over het allel e voor samengestelde bloeiwijze. Het allel R voor ingesneden bladrand is dominant over het allel r voor gave bladrand.
Een plant met een enkelvoudige bloeiwijze en ingesneden bladeren wordt gekruist met een plant met een samengestelde bloeiwijze en gave bladeren. Van de nakomelingen heeft 50% een enkelvoudige bloeiwijze en ingesneden bladeren en 50% een samengestelde bloeiwijze en gave bladeren.

Is het genotype van de ouderplant met de enkelvoudige bloeiwijze en de ingesneden bladeren EERr of EeRr?
Zijn de genen voor bloeiwijze en voor vorm van de bladrand gekoppeld?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Fruitvliegen.

Een fruitvlieg met een grijs lichaam en normale vleugels wordt gekruist met een fruitvlieg met een zwart lichaam en rudimentaire vleugels. De genen voor lichaamskleur en vleugellengte zijn en blijven gekoppeld.
Alle F1 -individuen hebben een grijs lichaam en normale vleugels. Deze F1 -individuen paren onderling.

Hoeveel verschillende genotypen met betrekking tot deze eigenschappen komen er voor in de F2 ?

Genetica

Een dihybride hondenkruising.

Bij honden is het allel voor donkerbruine haarkleur (E) dominant over het allel voor witte haarkleur (e). Het allel voor kort haar (F) is dominant over het allel voor lang haar (f). Een aantal malen worden donkerbruine, kortharige dieren, die allemaal hetzelfde genotype hebben, gekruist met witte, kortharige dieren. De fenotypen van de nakomelingen met hun aantallen staan in onderstaande tabel.

afbeeldingafbeelding

Welke zijn de genotypen van de ouderparen?

Genetica

Cockerspaniël.

Bij het hondenras Cockerspaniël wordt een effen vacht veroorzaakt door een dominant allel (E) en een witgevlekte vacht door een recessief allel (e). Een zwarte vacht wordt veroorzaakt door een dominant allel (F) en een rode vacht door een recessief allel (f).
Een effen rood mannetje en een zwart-wit gevlekt vrouwtje krijgen een nest jongen van de volgende samenstelling:

1 effen zwart,
1 effen rood,
1 zwart-wit gevlekt,
2 rood-wit gevlekt.

Welk genotype heeft de effen rode vader van deze jongen?
En welk genotype heeft de zwart-witte moeder?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Bananenvliegjes.

Bij bananenvliegjes is het allel Q dominant over het allel q. Het allel R is dominant over het allel r. De genen zijn niet gekoppeld.

Bij welke van onderstaande kruisingen kunnen individuen ontstaan die homozygoot zijn voor beide recessieve allelen?

Genetica

Erwtenkruising.

Bij erwten is het allel voor paarse bloemen (E) dominant over dat voor witte bloemen (e). Het allel voor lange stengel (langstro, F) is dominant over dat voor korte stengel (kortstro, f). De betrokken genen voor bloemkleur en stengellengte zijn niet gekoppeld. De kruising EeFf x eeff kan nakomelingen opleveren, verdeeld over vier verschillende fenotypen.

Hoe zal naar verwachting de verhouding tussen de aantallen nakomelingen met elk fenotype zijn?

De verhouding paars-langstro : paars-kortstro : wit-langstro : wit-kortstro zal zijn

Genetica

Runderen.

Bij runderen wordt de kleur van de vacht bepaald door de allelen E en e; het patroon van de vacht (effen of bont) door de allelen F en f. De genen voor vachtkleur en patroon van de vacht liggen op verschillende chromosomen.
Vier roodbonte koeien worden geïnsemineerd met spermacellen van een zwarte effen stier. De koeien en de stier zijn alle homozygoot voor beide eigenschappen. Twee koeien krijgen elk een koekalf, de andere twee koeien krijgen elk een stierkalf. Alle vier de kalveren zijn zwart en effen.
Deze kalveren groeien op en paren onderling. Er ontstaat een nakomelingschap, die bestaat uit onder andere zwartbonte en rode effen kalveren.
Er wordt aangenomen dat er geen mutatie optreedt.

Welk genotype kan of welke genotypen kunnen voorkomen bij de zwartbonte kalveren in deze nakomelingschap?
En bij de rode effen kalveren?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Bananenvliegjes.

Bij bananenvliegjes is het allel voor een grijze lichaamskleur (G) dominant over dat voor een zwarte lichaamskleur (g). Het allel voor lange vleugels (F) is dominant over dat voor korte vleugels (f). Deze allelen zijn niet X-chromosomaal.
Een grijze vlieg met lange vleugels wordt gekruist met een grijze vlieg met korte vleugels.
De nakomelingschap bestaat uit de volgende individuen:

58 grijs, langvleugelig
56 grijs, kortvleugelig
18 zwart, langvleugelig
19 zwart, kortvleugelig

Wat zijn de genotypen van de ouders?

Genetica

Katten.

Bij katten is het allel voor effen zwarte vacht dominant over dat voor gevlekte vacht. Het allel voor kort haar is dominant over dat voor lang haar. De genen voor vachttekening en haarlengte zijn niet gekoppeld.
Een homozygote, effen zwarte, kortharige kater paart elk jaar met een gevlekte, langharige poes. Hun nakomelingen paren ook elk jaar met elkaar. Hieruit ontstaat de F2 .

Hoeveel verschillende fenotypen wat betreft de vachtkleur en de haarlengte kunnen theoretisch in deze F2 worden aangetroffen?

Genetica

Konijnen kruisen.

Men kruist een homozygoot zwart-ruwharig konijn met een wit-gladharig konijn. Het allel voor zwart haar is dominant over dat voor wit haar. Bij kruising van individuen uit de F1 , ontstaat een F2 , waarin ongeveer 75% van de nakomelingschap zwart-ruwharig is.

Welke van de onderstaande beweringen over het genotype van de ouders is hiermee in overeenstemming?

De allelen voor

Genetica

Geno- en fenotypen.

Een bepaalde plant heeft genotype EeFf. Allel E is gekoppeld met allel F. Deze plant vormt voortplantingscellen. De allelen blijven volledig gekoppeld.

Welk genotype of welke genotypen kunnen de voortplantingscellen hebben?

Genetica

Planten kruisen.

Een bepaalde zaadplant is heterozygoot voor twee eigenschappen. Het genotype is EeFf. Het dominante allel E is gekoppeld met het dominante allel F. Deze allelen blijven tijdens de vorming van de voortplantingscellen volledig gekoppeld.
Er treedt zelfbestuiving op, waarna talrijke nakomelingen ontstaan.

Welk deel van deze nakomelingschap heeft een fenotype dat is bepaald door beide dominante allelen?

Genetica

Rood haar met blanke huid.

Mensen met rood haar hebben veelal ook sproeten in een blanke huid.

Men zou dit kunnen verklaren als

Genetica

Vliegen kruisen.

Bij Drosophila is het allel voor lange vleugels dominant over dat voor korte vleugels. Het allel voor een grijs lichaam is dominant over dat voor een zwart lichaam. De genen voor vleugellengte en lichaamskleur erven gekoppeld over; deze koppeling wordt niet verbroken.
Een kortvleugelig zwart mannetje wordt gekruist met een homozygoot vrouwtje met lange vleugels en grijze lichaamskleur. Daarna wordt een mannelijke nakomeling gekruist met een kortvleugelig, zwart vrouwtje.

Hoe ziet een talrijke nakomelingschap van deze laatste kruising er waarschijnlijk uit?

Genetica

Welke gameten?
Zie figuur B 2078 van de bijlage.

Een bepaald diploïd organisme wordt gekenmerkt door het genotype EeffGg. In de tekening zijn de twee betrokken chromosomenparen weergegeven. Aangenomen wordt dat er geen mutaties optreden en dat gekoppelde genen gekoppeld blijven.

Hoeveel verschillende typen voortplantingscellen kunnen door dit organisme met betrekking tot de genoemde genen worden gevormd?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Blauwzuur bij klaver.

Sommige klaverplanten bevatten blauwzuur, waardoor zij tegen vraat beschermd worden. Voor de productie van blauwzuur is het noodzakelijk dat twee dominante allelen A en B aanwezig zijn.
Er worden twee klaverplanten gekruist, die geen van beide blauwzuur kunnen maken. De helft van de F1 -individuen blijkt wel blauwzuur te kunnen maken, de andere helft niet.

Wat waren de genotypen van de beide ouders?

Genetica

Bloemkleuren.

Bekend is dat bij een bepaalde plantensoort de bloemkleur bepaald wordt door twee genen A en B die niet op eenzelfde chromosoom liggen.
Als in een plant van één van beide genen één of meer dominante allelen voorkomen, is de bloemkleur rood.
Alleen de dubbel homozygoot recessieve planten hebben witte bloemen.
Bij een kruising tussen een plant met rode bloemen en één met witte bloemen ontstaat een F1 die ook bestaat uit planten met rode en planten met witte bloemen, en wel in de verhouding rood : wit = 1 : 1

Welke van de onderstaande mogelijkheden geeft het genotype van de ouders weer?

Genetica

Bladgroen bij variëteiten van maïs.

Twee variëteiten van maïs worden onderzocht. Het genotype van planten van variëteit 1 is QQRr en van variëteit 2 QqRR.
Zelfbestuiving bij planten van variëteit 1 en zelfbestuiving bij planten van variëteit 2 leveren zaden op waarvan 75% zich ontwikkelt tot normale groene kiemplanten en 25% tot witte kiemplanten die het bladgroen missen.
Planten van variëteit 1 worden nu gekruist met planten van variëteit 2. De nakomelingen van deze kruising ontwikkelen zich voor 100% tot normale groene kiemplanten. Onder deze nakomelingen bevinden zich planten met het genotype QqRr. Zelfbestuiving van planten met dit genotype levert een nieuwe generatie waaruit zich groene 9/16 kiemplanten en 7/16 witte kiemplanten ontwikkelen.

Welke genotypen kunnen bij het deel groene kiemplanten voorkomen?

Genetica

1/3 Cavia's kruisen.

Gegeven een kruising van cavia's:

- zwart, gladharig x wit, ruwharig.

De F1 -dieren zijn alle zwart, ruwharig.

Hoe erven de eigenschappen over?

Genetica

2/3 Cavia's kruisen.

Werk de genotypen uit tot en met de F2 .

Genetica

3/3 Cavia's kruisen.

Wat is de verhouding van de fenotypen in de F2 ?

Genetica

1/3 Een kruising.

Gegeven een kruising van cavia's: zwart, gladharig x wit, ruwharig.

De F1 -dieren zijn alle zwart, ruwharig.

Hoe erven de eigenschappen over?

Genetica

2/3 Een kruising.

Werk de genotypen uit tot en met de F2 .

Genetica

3/3 Een kruising.

Wat is de verhouding van de fenotypen in de F2 ?

Genetica

1/3 Een kruising.

Men kruist een erwtenplant met gele, ronde zaden met een plant met groene kantige zaden.
Er ontstaan in de F1 vier verschillende fenotypen in de zaden.
Geel en rond zijn dominant.

Wat is het genotype van de ouderplant met gele, ronde zaden?

Genetica

2/3 Een kruising.

Welke andere genotypen kunnen planten met gele, ronde zaden hebben?

Genetica

3/3 Een kruising.

Wat is het resultaat (fenotype) van de terugkruising van planten met gele, ronde zaden met de dubbelrecessieve ouder?

Genetica

Maïs kruisen.

Bij maïsplanten bestaat de bloeiwijze uit een bloeikolf in de oksel van een blad en waarop de vrouwelijke bloemen zitten. De mannelijke bloemen bevinden als een bloeipluim in de top van de plant.
Men kruist twee maïsplanten waarvan de maïskorrels zijn:

- zwart, geschrompeld en geel, glad.

In de F1 ontstaan planten waarvan de kolven geheel uit zwarte en geschrompelde korrels bestaan.

Geef met een kruisingsschema aan hoe de maïskolven in de F2 er uit zullen zien?

Genetica

Koeien kruisen.

Bij runderen bestaat het zogenaamde 'blaarkop'-type uit een dier met een egale lichaamskleur en een witte kop.
Gekruist worden twee homozygote runderen:

- rode, blaarkop koe x zwart, bonte stier.

Alle F1 -dieren zijn zwart en blaarkop.
Na onderlinge kruising van de F1 -dieren ontstaat een F2 met:

zwart, blaarkop,
zwart, bont,
rood, blaarkop,
rood, bont.

Hoe erven de kleur en het kleurpatroon bij runderen over? Verklaar deze uitspraak met een snelrekenschema.

Genetica

1/2 Leeuwenbekjes.

Gegeven een kruising van leeuwenbekjes:

- rode, onregelmatige bloemen x witte, regelmatige bloemen.

De F2 ziet er als volgt uit:

119 rose, onregelmatig,
61 rode, onregelmatig,
21 rode, regelmatig,
62 witte onregelmatig,
39 rose, regelmatig,
18 witte, regelmatig.

Wat is het genotype van de ouders?

Genetica

2/2 Leeuwenbekjes.

Wat zijn de geno- en fenotypen van de F1 -planten?

Genetica

7/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7122 van de bijlage.

Zoals je kunt verwachten, zijn niet alle websites het met elkaar eens. Hadden ze het op www.biodoen.nl over een overerving met multipele allelen bij oogkleur van de mens, de website www.erfelijkheid.nl gaat uit van twee genen, met elk twee allelen. Er is een gen voor bruine (B) of blauwe (b) ogen, en een gen voor groene (G) of blauwe (g) ogen. Een complicerende factor is dat het dominante bruine allel van het eerste gen tevens het dominante groene allel uit het tweede gen overheerst, zodat groen alleen tot uiting komt in het fenotype bij een homozygoot recessief genotype voor het eerste gen (bb). Dit geeft de volgende mogelijkheden:
afbeeldingafbeelding
Er van uitgaande dat deze theorie over de overerving van oogkleur juist is, moet je de volgende vragen beantwoorden.

Zie volgende scherm

Genetica

8/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7122 van de bijlage.

Bij de onderstaande kruising is alleen het fenotype van de ouders bekend, en dus niet het genotype:

afbeeldingafbeelding x afbeeldingafbeelding (groen x bruin)

Welke bewering is juist? Je kunt meerdere antwoorden aanklikken.

afbeeldingafbeelding

Genetica

9/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7122 van de bijlage.

Bij de onderstaande kruising is het fenotype van de ouders bekend (en dus niet het genotype), maar wel dat beide ouders homozygoot zijn voor beide genen:

afbeeldingafbeelding x afbeeldingafbeelding (groen x bruin)

Welke bewering is juist? Je kunt meerdere antwoorden aanklikken.

afbeeldingafbeelding

Genetica

10/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7122 van de bijlage.

Bij de onderstaande kruising is het genotype van de ouders bekend:

Bb GG x Bb gg

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

11/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7122 van de bijlage.

Bij de onderstaande kruising is het genotype van de ouders bekend:

Bb Gg x Bb Gg

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Tarwe.

Van een tarweplant met het genotype Aabb wordt een stempel bestoven met stuifmeel afkomstig uit een tarweplant met het genotype aabb.

De genotypen die men in het kiemwit van de zaden die ten gevolge van deze bestuiving en de daarop volgende bevruchting zijn ontstaan, kan verwachten zijn

Genetica

Resus.

Een man komt voor de rechtbank in een vaderschapszaak. Hij heeft bloedgroep B en is resuspositief. De moeder heeft bloedgroep B en is resusnegatief. Haar kind heeft bloedgroep A en is resusnegatief.

Wat is de juiste conclusie over de man?

Genetica

Dagkoekoeksbloem.
Zie figuur B 5428 van de bijlage.

Bij de dagkoekoeksbloem (Melandrium rubrum) zijn de geslachtschromosomen van vrouwelijke planten XX en van mannelijke planten XY. Het gen voor bladvorm is X-chromosomaal. Het dominante allel E veroorzaakt brede bladeren, het recessieve allel e smalle bladeren. Stuifmeelkorrels met allel e gaan dood.
Een vrouwelijke plant die homozygoot is voor brede bladeren, wordt gekruist met een mannelijke smalbladige plant.

Welk deel van de nakomelingen zal mannelijk zijn en welk deel van deze mannelijke nakomelingen heeft brede bladeren?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Bloedgroepen.

Welk van de volgende ouderparen kan een kind hebben dat bloedgroep O, resuspositief is?

Genetica

Leeuwenbekjes.

Men kruist twee variëteiten van de leeuwenbek. De ene draagt rode bloemen en heeft een behaarde stengel en de andere heeft witte bloemen en een kale stengel. De F1 -planten hebben rose bloemen, terwijl de stengels behaard zijn.

Welke van de volgende beweringen is juist?

Genetica

Caviakruising.

Een zwarte, kortharige cavia wordt gekruist met een zwarte, langharige cavia. het fenotype van de nakomelingen en hun aantallen zijn hieronder weergegeven: zwart, kort: zwart, lang: wit, kort: wit, lang = 33: 29: 8: 11.
Van het gen voor haarkleur is het allel voor zwart haar (A) dominant over het allel voor wit haar (a). Van het gen voor haarlengte is het allel voor kort haar (B) dominant over het allel voor lang haar (b).
De twee genen zijn niet gekoppeld.

Wat zijn de genotypen van de ouders?

Genetica

Kruising van Drosophila's.

Men kruist een heterozygoot Drosophila-wijfje ( BbLl) met een grijs lichaam en lange vleugels met een mannetje (bbll) met een zwart lichaam en korte vleugels.
Grijs lichaam (B) en lange vleugels (L) zijn dominante allelen.
De nakomelingen zien er als volgt uit:

vrouwtjes mannetjes
grijs lichaam, korte vleugels 45 47
grijs lichaam, lange vleugels 5 6
zwart lichaam, korte vleugels 7 4
zwart lichaam, lange vleugels 48 42

Wat kan men hieruit concluderen?

Genetica

Dierengenetica.

Bij een diersoort is het allel voor zwart haar (E) dominant over dat voor rood haar (e). Het allel voor krullend haar (F) is dominant over dat voor sluik haar (f).
In de F1 is de verhouding zwart, krullend: zwart, sluik: rood, krullend: rood, sluik 1:1:1:1.

Wat zijn de genotypen van de ouders?

Genetica

Erwten.
Zie figuur B 5466 van de bijlage.

Stel dat bij de erwten van Mendel kleur en vorm gekoppeld zouden overerven en wel voor 100%, wat zou men dan uitgaande van een P met zaadvaste gele, ronde en groene, hoekige erwten, in de F2 vinden?

afbeeldingafbeelding

Genetica

HLA-factoren.

Tegenwoordig wordt regelmatig weefsel- of orgaantransplantatie toegepast: weefsel of een orgaan van een donor wordt overgebracht in het lichaam van een patiënt van wie het desbetreffende weefsel of orgaan niet meer functioneert. Een belangrijk probleem hierbij is de afweer die optreedt in het lichaam van de patiënt, waardoor afstoting van het ontvangen weefsel of orgaan kan optreden. Bij het herkennen van de eigen lichaamscellen en bij deze afweer tegen lichaamsvreemde elementen spelen de zogeheten HLA-factoren een belangrijke rol.
HLA-factoren zijn membraaneiwitten. De HLA-moleculen en de genen voor deze eiwitten worden verdeeld in de groepen A, B, C en D. Zowel groep A, als B, als C, als D omvat meer dan twee allelen die met nummers worden aangegeven, bijvoorbeeld A1, A2, A3, enzovoort.

Vastgesteld is dat bij willekeurige ouderparen met twee kinderen die geen ééneiige tweelingen zijn, de kans dat deze kinderen precies dezelfde HLA-factoren hebben, 25% is.

Zijn genen voor HLA-factoren gekoppeld of niet, of is dat op grond van dit gegeven niet te bepalen?