Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 8

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose

Kloppende vacuole.

Wanneer we een zoetwateramoebe in zeewater brengen, dan zal

Diffusie

1/3 Diffusiewet van Fick.

Trilhaardiertjes bewegen zich voort in water.

Daarmee veranderen ze met betrekking tot de zuurstofopname in gunstige zin de waarde van een variabele in de wet van Fick:

D = C.(P1 -P2 ).O/d

De waarde van welke variabele veranderen de pantoffeldiertjes?

Diffusie

2/3 Diffusiewet van Fick.

Als een krokodil in plaats van één kamer twee gescheiden hartkamers zou bezitten, welke variabele zou hij daarmee dan in gunstige zin veranderen in onderstaande wet van Fick?

D = C.(P1 -P2 ).O/d

Diffusie

3/3 Diffusiewet van Fick.

Een duiker maakt gebruik van een snorkelbuis.

Welke variabele zou hij daarmee in ongunstige zin veranderen in onderstaande wet van Fick?

D = C.(P1 -P2 ).O/d

Diffusie

Diffusiesnelheid.

De diffusiesnelheid van een stof is afhankelijk van een aantal grootheden die met elkaar in verband zijn gebracht in de wet van Fick.
In die wet is:

D de hoeveelheid per tijdseenheid verplaatste stof;
(C1 -C2 ) het verschil in in concentratie van de diffunderende deeltjes in twee ruimtes;
l de diffusieweg;
O het oppervlak waardoor de diffusie plaatsvindt;
K de diffusieconstante.

Wat is de juiste samenhang van deze grootheden?

Ecologie

Drinkwaterbereiding.

Er zijn gebieden op aarde waar weinig neerslag valt en waar drinkwater wordt bereid uit zeewater. In sommige "zoetwaterfabrieken" wordt zeewater onder druk door een semi-permeabel vlies geperst.
Hieronder staan vier beweringen over dit procédé van drinkwaterbereiding.

Klik de juiste bewering of de juiste beweringen aan.

Osmose

Waterverplaatsing.
Zie figuur B 5062 van de bijlage.

Een levende cel wordt op tijdstip t = 0 in een bepaalde vloeistof gelegd. In de afbeelding staat hoe pv, de osmotische waarde in de cel, daardoor in de loop van de tijd verandert.

Wat valt op te merken over de waterverplaatsing via het celmembraan van deze cel tussen 0 en 2 uur?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Osmotische waarde van een cel.
Zie figuur B 5063 van de bijlage.

Een levende cel wordt op tijdstip t = 0 in een bepaalde vloeistof gelegd. In de afbeelding hiernaast staat hoe ðv , de osmotische waarde in de cel, daardoor in de loop van de tijd verandert.

Wat valt op te merken over de waterverplaatsing via het celmembraan van deze cel tussen 0 en 2 uur? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Osmose

Kleurstof in de vacuole.

Bij een bepaalde plantensoort hebben de planten paarse bladeren. De paarse kleur wordt veroorzaakt door een kleurstof in het vacuolevocht. Op een gegeven ogenblik hangen de bladeren van deze plant een beetje slap.
Een preparaat met enkele levende cellen van een blad van deze plant wordt in zuiver water gelegd.

Gebeurt er dan iets met de kleur van het vacuolevocht in deze cellen en zo ja, wat? Wat is hiervoor de verklaring?

Osmose

Osmotische waarde.
Zie figuur A 1136 van de bijlage.

In nevenstaande grafiek zie je de celspanning en de osmotische waarde van het vacuolevocht van een plantaardige cel.

Wat gebeurt er als het celvolume afneemt van 100% naar 65%?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Waterdiertjes.

In een praktische opdracht krijgt Stella twee buisjes met eencellige diertjes. In het ene buisje zitten diertjes uit het Alkmaardermeer, in het andere buisje zitten diertjes uit de Noordzee. Zij moet uitzoeken in welk buisje de diertjes uit de beide gebieden nu precies zitten.

Wat kan Stella nu het beste doen?

Osmose

Osmose.
Zie figuur B 5064 van de bijlage.

Celmembranen hebben semipermeabele membranen kenmerken, wat osmotische verschijnselen tot gevolg heeft.
Om dit te onderzoeken heeft een student een U-vormige buis in het midden gescheiden door een semi-permeabel membraan (zie afbeelding hiernaast).
Aan één kant van het membraan wordt de buis met 30 ml van een 1M glucose oplossing gevuld (R). De andere kant van de buis wordt met 30 ml van een 1M NaCl-oplossing gevuld (S).
Na enkele uren kijkt de student naar de opstelling.

Wat neemt hij waar aan de hoogte van de vloeistofkolom van R en S?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Twee waterige oplossingen.

Een waterige oplossing van 1 mol glucose heeft t.o.v. een waterige oplossing van 1 mol CuSO4

Osmose

Een cel in een oplossing.

Als een cel vanuit een bepaalde oplossing wordt overgebracht naar een oplossing met een hogere concentratie aan osmotisch belangrijke deeltjes dan de uitgangsoplossing, dan

Osmose

Twee osmometers.
Zie figuur B 5065 van de bijlage.

In elk van twee identieke osmometers en de daarbij behorende bekerglazen brengt men op tijdstip t = 1 een gelijk aantal ml van oplossingen van dezelfde stof.
Op tijdstip t = 2 ziet men de hiernaast afgebeelde situaties, waarbij c de concentratie aangeeft.

Wat geldt met betrekking tot de concentraties van de oplossingen in de osmometers en/of de bekerglazen op tijdstip t = 2?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een proefopstelling met een membraan.
Zie figuur B 5066 van de bijlage.

In nevenstaande proefopstelling zijn de compartimenten I en II gescheiden door een semipermeabel membraan.
Men vult compartiment I met een 1,0% glucose-oplossing en compartiment II met een 1,0% zetmeeloplossing. Bij het begin van het experiment is het vloeistofniveau in I even hoog als in II.

Wat zal er vervolgens gebeuren?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Celplasma van een amoebe.

Het celplasma van een amoebe heeft een hogere concentratie aan opgeloste stoffen dan het zoetwater waarin dit diertje leeft.

Hoe wordt die hogere concentratie veroorzaakt?