Oefentoets Biologie: Genetica - populatiegenetica | HAVO 4/HAVO 5
Deze oefentoets bevat 8 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
8
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
HAVO 4, HAVO 5
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Genetica
Een partij bonen. Zie figuur A 42 van de bijlage.
Van een partij bonen bepaalt men het gewicht per boon en geeft dit grafisch weer in de figuur. Men zaait de bonen van de beide uiterste gewichtsklassen (gearceerde zones P en Q in diagram 1) uit. De opbrengsten van de bonen uit de gewichtsklassen P en Q staan uitgezet in diagram 2. De verschillende kweken zijn alle onder gelijke omstandigheden uitgevoerd.
Waardoor werd het verschil in gemiddelde opbrengst van de gewichtsklassen P en Q zoals uitgezet in diagram 2 veroorzaakt?
afbeelding
Genetica
Merkwaardige schapen.
Bij schapen wordt een vrouwelijk dier een ooi en een mannelijk dier een ram genoemd. In 1968 ontdekte een schapenfokker een merkwaardig gekleurd ramlam bij zijn Texelse schapen. De grijsblauwe kleur van de vacht van het lam bleek een erfelijk bepaalde eigenschap te zijn en na enige jaren gericht fokken groeide het aantal 'blauwe' schapen tot ruim twintig. Door onderlinge kruisingen en terugkruisingen met ouderdieren werd de overerving van de afwijkende vachtkleur vastgesteld.
Welke van de onderstaande termen is van toepassing op de activiteit van de schapenfokker om zoveel mogelijk blauwe schapen te krijgen?
Genetica
Een kloon. Zie figuur B 1218 van de bijlage.
Men heeft een kloon van aardappelplanten. In het diagram is, in groepen die steeds gemiddeld vijf gram zwaarder zijn, het resultaat weergegeven van het wegen van de oogst. Het jaar daarop poot men alleen die aardappels, die zwaarder zijn dan 75 gram. Ook nu weegt men na de oogst de aardappels.
Te verwachten is, dat het gemiddelde gewicht van de aardappels uit deze laatste oogst zal liggen
afbeelding
Genetica
1/2 Allelen in een populatie. Zie figuur B 1398 van de bijlage.
Men voert een computersimulatie uit met de volgende gegevens. Er is een populatie dieren waarvan het aantal in elke generatie gelijk blijft. In deze populatie treedt een erfelijke verandering op, waardoor een bepaald dominant allel ontstaat. Dit dominante allel heeft tot gevolg dat de drager ervan gemiddeld 1% meer nakomelingen krijgt dan een individu dat dit allel niet heeft. Dit allel komt aanvankelijk voor bij 0,1% van de individuen.
De grafieken in de afbeelding B 1398 geven weer hoeveel procent van de populatie dit allel bezit na een aantal generaties. Er zijn twee simulaties afgebeeld:
Grafiek P geeft het verloop weer bij 50 nakomelingen per ouderpaar, grafiek Q geeft het verloop weer bij 5 nakomelingen per ouderpaar.
Hoe noemt men het proces waarbij individuen met het beschreven dominante allel een steeds groter percentage van de populatie gaan uitmaken?
afbeelding
Genetica
2/2 Allelen in een populatie. Zie figuur B 1398 van de bijlage.
Men voert ook een computersimulatie uit uitgaande van een erfelijke verandering die leidt tot een recessief allel. Individuen die homozygoot zijn voor dit gemuteerde allel krijgen 1% meer nakomelingen. Ook dit recessieve allel komt aanvankelijk voor bij 0,1% van de individuen. Men laat de computer de toename berekenen van het percentage dieren dat bevoordeeld is doordat dit allel tot uiting komt in het fenotype, als er 5 nakomelingen per ouderpaar zijn. Stel dat ook dit resultaat wordt uitgezet in een grafiek in de afbeelding B 1398.
Waar ligt deze grafiek dan ten opzichte van de grafieken P en Q?
afbeelding
Genetica
1/3 Kleurenblindheid.
Tekst: Op het Stille-Zuidzee eiland Pingelap komt de aandoening 'maskun' voor. Bij deze aandoening treedt totale kleurenblindheid op. De maskunpatiënten zien alles in grijstinten. Het betreft hier een erfelijke recessieve aandoening die bij mannen en vrouwen even vaak voorkomt en die veroorzaakt wordt door één genenpaar. In 1775 woedde op dit kleine eiland de enorme wervelstorm Lengkieki. Vrijwel het gehele eiland liep onder. Veel mensen verdronken of stierven de hongerdood doordat alle voedselplanten waren weggevaagd. Alleen een klein groepje hooggeplaatsten, bestaande uit de nahnmwarki (het stamhoofd) en een aantal van zijn familieleden, overleefde de ramp. Vrij snel raakte het eiland toch weer redelijk bevolkt door onderlinge voortplanting. Sinds 1820 wordt maskun op het eiland waargenomen, wat voordien een zeldzame ziekte was. Bij de huidige populatie heeft ongeveer 8% deze aandoening.
bewerkt naar: Oliver Sacks, Het eiland der kleurenblinden, 1997, 49-51
45 jaar na de wervelstorm werden de eerste kinderen met maskun geboren.
Leg uit waardoor maskun vele jaren na de ramp van 1775 bij ongeveer 8% van de eilandbewoners kan worden waargenomen.
Genetica
2/3 Kleurenblindheid.
Twee, nu levende, kleurenziende Pingelapezen hebben een kleurenblind kind gekregen.
Hoe groot is de kans dat hun tweede kind wel kleuren kan zien?
Genetica
3/3 Kleurenblindheid.
Bij kleurenblinde Pingelapezen werkt een bepaald deel van de ogen niet goed.