Plantenanatomie en -fysiologie
3/5 Bonenplanten.
Noem een reden waarom het werken met op deze wijze uitgeponste rondjes betrouwbaarder is dan het werken met hele bladeren.
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
3/5 Bonenplanten.
Noem een reden waarom het werken met op deze wijze uitgeponste rondjes betrouwbaarder is dan het werken met hele bladeren.
4/5 Bonenplanten.
Jan vindt het experiment van Hans eigenlijk te uitgebreid: de bepaling van het drooggewicht van groep 1 is volgens Jan overbodig. Hans zegt dat Jan ongelijk heeft en dat er een controlebepaling nodig is.
Waarom is een controlebepaling nodig?
5/5 Bonenplanten.
Zie figuur A 498 van de bijlage.
In een veredelingsbedrijf wil men vaak zuivere lijnen verkrijgen voor zaaigoed. Een zuivere lijn is ontstaan wanneer bij planten die zich steeds opnieuw voortplanten door middel van zelfbestuiving, het genotype niet meer verandert.
De lengte van de peulen van bonenplanten die niet tot een zuivere lijn behoren en onder gestandaardiseerde omstandigheden zijn gekweekt, is weergegeven in de afbeelding.
Na zelfbestuiving onder dezelfde gestandaardiseerde omstandigheden is uiteindelijk een zuivere lijn uit bonen van deze planten verkregen.
Op de bijlage is afbeelding A 498 ook opgenomen. Teken daarin een grafiek die de mogelijke verdeling van de lengte van de peulen van bonenplanten van deze zuivere lijn weergeeft.
Gebruik hetzelfde aantal als is weergegeven in afbeelding.
afbeelding
1/3 Groei van erwtenplanten.
Zie figuur A 298 van de bijlage.
In een experiment wordt een groot aantal erwtenplanten gekweekt op volledige voedingsoplossingen. De erwtenplanten zijn genetisch identiek en groeien onder dezelfde omstandigheden.
De onderzoeker bepaalt regelmatig vanaf de ontkieming het drooggewicht van de verschillende delen van de planten. Daartoe gebruikt hij telkens tien planten die volledig worden geanalyseerd. De resultaten zijn te zien in het diagram.
Het drooggewicht van een plantendeel is het gewicht van dat plantendeel nadat al het water eruit is verwijderd. Het versgewicht van een plantendeel is het gewicht van dat plant inclusief het water.
In het experiment wordt gebruik gemaakt van een voedingsoplossing. Deze voedingsoplossing bestaat uit water en een aantal opgeloste stoffen.
Welke van de stoffen aminozuren, glucose en zouten moet deze voedingsoplossing in ieder geval bevatten om een normale groei van de erwtenplanten in het licht mogelijk te maken?
-
afbeelding
2/3 Groei van erwtenplanten.
Zie figuur A 298 van de bijlage.
Naar aanleiding van het diagram worden de volgende beweringen gedaan:
1. Vanaf het begin van week 5 houdt de groei van stengels, bladeren en wortels op.
2. In week 7 is het drooggewicht van de planten groter dan in week 12.
3. In week 9 worden organische stoffen uit de bladeren en eventueel de stengels naar de peulen vervoerd.
Welke van deze beweringen is juist?
afbeelding
3/3 Groei van erwtenplanten.
Drie leerlingen noemen een reden waarom de onderzoeker het drooggewicht als maat voor de groei gebruikt en niet het versgewicht.
Leerling 1: Van planten die op voedingsoplossingen worden gekweekt, stijgt het watergehalte sterk, zodat het versgewicht een hogere waarde aangeeft dan bij planten die in grond wortelen.
Leerling 2: Het drooggewicht geeft een betere aanwijzing voor de hoeveelheid organische stof in de plant dan het versgewicht.
Leerling 3: Het drooggewicht is alleen afhankelijk van de fotosynthese en geeft een betere aanwijzing voor de mate van groei.
Welke van deze leerlingen noemt een juiste reden?
1/2 Haverkiemplantjes.
Zie de figuren B 1530 en B 1531 van de bijlage
Bij onderzoekingen aan haverkiemplantjes wordt het topje van plantje 1 verwijderd (zie tekening 1 van de afbeelding). Dit stengeltopje wordt vervolgens op een agarblokje geplaatst (zie tekening 2 van de afbeelding). Een bepaalde stof of bepaalde stoffen die de celstrekking bevorderen, komen vanuit het stengeltopje in dit agarblokje terecht.
Na enige uren wordt het agarblokje op de rand van het snijvlak van het stengeltje geplaatst.
De stof of stoffen die de celstrekking bevorderen, diffunderen uit het agarblokje het stengeltopje in.
Zi.
Welke van de volgende tekeningen van figuur B 1531 geeft het beste het gevolg hiervan voor het stengeltje weer?
afbeelding
afbeelding
2/2 Haverkiemplantjes.
Zie figuur B 1532 van de bijlage.
In een tweede experiment wordt een ander plantje uitsluitend van de rechterkant belicht. Na enige tijd ziet dit plantje er uit zoals getekend in de afbeelding B 1532.
Drie leerlingen trekken uit dit resultaat een conclusie:
Leerling 1: licht bevordert de celdeling.
Leerling 2: licht bevordert de celstrekking.
Leerling 3: licht remt de celstrekking.
Welke leerling heeft een juiste conclusie getrokken?
afbeelding
1/2 Onderzoek in een kas.
Een tuinder heeft een aantal grote productiekassen met tomatenplanten. Ondanks flinke investeringen in betere verlichting en verwarming is zijn oogst toch niet toegenomen. Alle planten in de kassen zijn gezond; de water- en kunstmestvoorziening is optimaal.
Noem nog een andere factor die beperkend kan werken voor de tomatenoogst en waaraan de tuinder niets heeft gedaan.
2/2 Onderzoek in een kas.
Voordat de tuinder wil investeren in meer maatregelen, wil hij eerst onderzoeken of verandering van een bepaalde factor waaraan hij nog niets heeft gedaan, inderdaad de oogst verbetert. Om de productie van tomaten in de productiekassen niet te verstoren, gebruikt hij twee kleine proefkassen waarin alle factoren die van invloed kunnen zijn op de groei eenvoudig kunnen worden geregeld.
Beschrijf een werkplan waarmee hij kan onderzoeken of de factor (die je eventueel X mag noemen) de oogst inderdaad kan verbeteren en geef aan hoe hij een conclusie kan trekken.
1/4 Radioactieve erwtenplant.
Zie figuur C 161 van de bijlage.
Voor planten is het element fosfor (P) een belangrijke bouwstof, onder andere voor DNA.
Bij een proef werd een erwtenplant gedurende twee dagen gekweekt op een voedingsoplossing die fosfaat met radioactieve fosfor bevatte. Daarna groeide de plant nog een week op een voedingsoplossing met fosfaat zonder radioactieve fosfor.
In de afbeelding geeft de foto links de erwtenplant zelf na deze behandeling weer, uitgespreid onder een glasplaat. De foto rechts is gemaakt door deze plant op een speciale fotografische plaat te leggen. Deze fotografische plaat wordt alleen zwart op de plaatsen waar de radioactieve fosfor zich bevindt.
Uit de proef blijkt dat er radioactieve fosfor in de plant is opgenomen.
Geef twee conclusies die je uit dit experiment kunt trekken met betrekking tot de verdeling van radioactieve fosfor in deze plant.
afbeelding
2/4 Radioactieve erwtenplant.
Zie figuur C 161 van de bijlage.
Komt de radioactieve fosfor die zich in de plant bevindt in anorganische ionen en verbindingen voor?
En in organische?
afbeelding
3/4 Radioactieve erwtenplant.
Zie figuur C 161 van de bijlage.
Door welk van deze transportprocessen is het fosfaat, dat de radioactieve fosfor bevatte, in het cytoplasma van cellen in de bladeren opgenomen?
afbeelding
4/4 Radioactieve erwtenplant.
Zie figuur B 2297 van de bijlage.
Ook de verdeling van radioactieve fosfor in de wortels is bepaald. De concentratie radioactieve fosfor blijkt niet alleen hoog te zijn op de plaats van opname, maar ook in plaats van opname de worteltopjes (zie de afbeelding).
Leg uit waardoor de concentratie radioactieve fosfor in de worteltopjes hoog is.
afbeelding
1/2 Tarwezaden.
Zie figuur B 1585 van de bijlage.
Een onderzoeker bestudeert de ontkieming van tarwezaden en de groei van de kiemplantjes.
Daartoe zaait hij een groot aantal tarwezaden in een kasje. Hij bepaalt de gemiddelde droge massa ('drooggewicht') en de gemiddelde verse massa ('versgewicht') van een bepaald aantal zaden en van de delen die zich uit de zaden ontwikkelen op de dagen 0, 2, 4, 6, 8 en 10 van het experiment. Hij zet de gegevens over de droge massa van de zaadlobben, van de kiemplanten zonder zaadlobben en van het totaal (de kiemplanten met zaadlobben) in de loop van deze tien dagen uit in een diagram (zie de afbeelding). De droge massa is de massa van een plant of plantendeel nadat al het water eruit is verwijderd. De verse massa is de massa van een plant of plantendeel met het water. Er wordt van uitgegaan dat het gehalte aan zouten voor alle plantendelen gelijk en constant is.
De onderzoeker heeft zowel de verse massa als de droge massa bepaald. Door vergelijking van de droge massa van de verschillende delen in de loop van de tijd wordt bepaalde informatie geleverd die door vergelijking van de verse massa niet wordt geleverd.
Welke informatie is dit?
Informatie over
-
afbeelding
2/2 Tarwezaden.
Zie figuur B 1585 van de bijlage.
Er wordt van uitgegaan dat de dissimilatie per gram drooggewicht in de ontkiemende tarwezaden constant blijft.
Leg uit vanaf welke dag dan zeker bladgroen in de ontkiemende tarwe aanwezig was.
afbeelding
1/6 Langer plezier van nieuwe rozen.
Zie figuur B 2400 van de bijlage.
Als bloemen na het plukken een tijdlang niet in het water staan en daarna zonder meer in het water worden gezet, is het transport van water door de stengel vaak niet meer mogelijk. Nadat onder water een stukje van de onderkant van de stengel is afgesneden, is watertransport weer mogelijk.
Welke factor vooral maakt het transport van water door de stengels mogelijk, als de bloemen na het afsnijden in de vaas staan?
afbeelding
2/6 Langer plezier van nieuwe rozen.
Leg uit waardoor transport van water door de stengel zonder afsnijden vaak niet meer mogelijk is.
3/6 Langer plezier van nieuwe rozen.
Als kale rozenstruiken in het voorjaar uitlopen, vindt door de stengels transport plaats van water met opgeloste stoffen van beneden naar boven.
Zijn bij deze opgeloste stoffen suikers?
En zouten?
4/6 Langer plezier van nieuwe rozen.
Verschillende soorten snijbloemen hebben een verschillende houdbaarheid. Veel snijrozen verwelken al wanneer ze pas een paar dagen in de vaas staan. Dit gebeurt doordat de vaten in de stengels, terwijl ze in het water staan, verstopt raken met uitscheidingsproducten van bacteriën. Hierdoor wordt het watertransport belemmerd.
Deze verstopping is te voorkomen door een bacteriedodend middel toe te voegen aan het water.
In de toekomst wordt het toevoegen van bacteriedodende stoffen misschien overbodig. Er wordt onderzoek gedaan om bij rozen via genetische manipulatie 'genen met een antibacteriële werking' in te bouwen. De aandacht richt zich daarbij vooral op bepaalde eiwitten, die cecropines worden genoemd.
De uitdrukking 'genen met een antibacteriële werking' werd gebruikt in een krantenartikel. Dit is biologisch gezien een onnauwkeurige formulering.
Geef een biologisch meer nauwkeurige formulering voor 'genen met een antibacteriële werking'.