Oefentoets Biologie: Bloed - samenstelling | VMBO theoretische leerweg, 2

Deze digitale toets over hemoglobine en bloedcomponenten richt zich op leerlingen die hun kennis van de functies en samenstelling van het bloed willen testen, met vragen over het vervoer van voedingsstoffen, de rol van hemoglobine en de kenmerken van bloedplasma. - 13 vragen

Aantal vragen

13

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 2

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Hemoglobine en bloedcomponenten

Hemoglobine.

In welk bestanddeel van het bloed van de mens komt hemoglobine voor?

Vervoer van voedingsstoffen in het bloed

Bloed.

Welk deel van het bloed van de mens vervoert opgeloste voedingsstoffen?

Stoffen niet vervoerd door bloedplasma

Bloedplasma.

Welke stoffen) wordt (worden) voor het merendeel niet door het bloedplasma vervoerd?

Kenmerken van plasma in het bloed

Plasma.

Plasma is bloed zonder

Gevolgen van hemoglobinetekort in het bloed

Hemoglobinetekort.

Iemand heeft te weinig hemoglobine in zijn bloed.

Voor welke functie van het bloed heeft dit gevolgen?

Bewerkingen over hemoglobine en functie

Beweringen over hemoglobine.

Welke van onderstaande beweringen over hemoglobine is juist?

Hemoglobine bevindt zich bij de mens

Transport van alcohol in het bloed

Transport van alcohol.

Sommige mensen drinken voor het eten alcoholhoudende dranken zoals sherry of port.
Alcohol wordt met het bloed onder andere naar de hersenen vervoerd.

Door welk deel van het bloed wordt het grootste gedeelte van de alcohol vervoerd?

Bestanddelen van het bloed en lymfe

Bestanddelen van het bloed.

Welke van de onderstaande bestanddelen van het bloed van de mens worden wel in de bloedvaten maar niet in de lymfevaten aangetroffen?

Vergelijking van glucose- en zuurstofgehalte in bloed

Het glucosegehalte en het zuurstofgehalte van het bloed.
Zie figuur A 130 van de bijlage.

In de tekening geven de cijfers 1 en 2 bloedvaten aan.
Wij vergelijken het glucosegehalte en het zuurstofgehalte van het bloed in de bloedvaten 1 en 2 met elkaar.

Het bloedvat 1 bevat

afbeeldingafbeelding

Bloedpreparaten en rode bloedcellen

1/3 Bloedpreparaten.
Zie figuur B 2033 van de bijlage.

Een laborant in een ziekenhuis bekijkt bloedpreparaten. In de afbeelding is schematisch getekend wat hij ziet.
Tekening P geeft het preparaat weer van bloed dat hij heeft laten stollen.
Tekening Q geeft het preparaat weer van bloed waaraan hij een anti-stollingsmiddel heeft toegevoegd.

Zijn in tekening P rode bloedcellen weergegeven?
En in tekening Q?

afbeeldingafbeelding

Hemoglobine in bloedpreparaten vergelijken

2/3 Bloedpreparaten.
Zie figuur B 2033 van de bijlage.

Komt in het preparaat van tekening P de stof hemoglobine voor?
En in dat van tekening Q?

afbeeldingafbeelding

Afweer door bloedcellen tegen ziektes

3/3 Bloedpreparaten.
Zie figuur B 2033 van de bijlage.

Zorgen cellen van type 1 (tekening Q) voor afweer tegen ziektes?
En cellen van type 2?

afbeeldingafbeelding

Huidproblemen en blaren

2/3 Huidproblemen.
Zie figuur B 1968 van de bijlage.

Bij een blaar is er tussen de huidlagen 1 en 2 een ruimte (aangegeven met cijfer 3) ontstaan. In deze ruimte bevindt zich helder vocht, dat uit het bloed komt.

Kunnen zich in dit vocht antistoffen bevinden?
En witte bloedcellen?

afbeeldingafbeelding