Voeding
3/3 Eiwitten remmen hongerhormoon.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen endocriene en exocriene klieren.
Bevat de maagwand alleen endocriene, alleen exocriene of zowel endocriene als exocriene klieren?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
3/3 Eiwitten remmen hongerhormoon.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen endocriene en exocriene klieren.
Bevat de maagwand alleen endocriene, alleen exocriene of zowel endocriene als exocriene klieren?
1/5 Gezonde voeding?
Zie figuur C 85 van de bijlage.
Over het belang van vitamines zijn de meningen verdeeld. Uitspraken als ‘vitamines genezen vele kwalen' of ‘wat extra vitamines kan nooit kwaad', worden door sommigen verdedigd, maar worden in het algemeen vanuit voedingsoogpunt niet ondersteund en zelfs tegengesproken.
In de afbeelding C 85 is voor een aantal bevolkingsgroepen in Nederland aangegeven hoeveel van bepaalde vitamines volgens de gangbare voedingsleer wordt aanbevolen. Daarnaast is aangegeven hoeveel van deze vitamines werkelijk door deze bevolkingsgroepen wordt geconsumeerd.
Op grond van de tabel zijn er enkele bevolkingsgroepen aan te wijzen voor wie extra opname van een bepaalde vitamine zinvol zou kunnen zijn.
Noem zo'n bevolkingsgroep en de vitamine waarom het gaat.
afbeelding
1/4 Stofwisseling van ijzerionen.
Zie figuur B 2241 van de bijlage.
Hemoglobine bevat ijzerionen. In het schema van de afbeelding is weergegeven op welke wijze ijzerionen in het bloed terechtkomen. Verder zijn enkele organen genoemd die een rol spelen bij de stofwisseling van ijzerionen.
Gemiddeld wordt 12% van de ijzerionen uit het voedsel in het verteringskanaal geresorbeerd. Deze ijzerionen worden met de bloedstroom vervoerd, waarbij ze zijn gebonden aan het plasma-eiwit transferrine. De ijzerionen worden losgekoppeld van transferrine op plaatsen waar ze worden gebruikt. IJzerionen kunnen als onderdeel van verbindingen in de lever worden opgeslagen.
Slechts 12% van de ijzerionen die de mens met het voedsel opneemt, komt in het bloed terecht.
Langs welke weg gaat de overige 88% verloren?
afbeelding
2/4 Stofwisseling van ijzerionen.
Met de urine verliest het lichaam nauwelijks ijzerionen. Dit hangt samen met de wijze waarop deze in het bloed worden getransporteerd.
Geef aan waardoor deze wijze van transporteren het verlies van ijzerionen met de urine beperkt houdt.
3/4 Stofwisseling van ijzerionen.
Volgens het Voorlichtingsbureau voor de Voeding verliezen volwassen mannen per maand 27 mg van de ijzerionen die in hun lichaam aanwezig zijn. Dit verlies is bij volwassen vrouwen in de vruchtbare leeftijd gemiddeld 51 mg per maand.
Noem de oorzaak voor dit verschil tussen mannen en vrouwen.
De oorzaak zit in de/het [invulveld].
4/4 Stofwisseling van ijzerionen.
Zie figuur B 2241 van de bijlage.
Een leerling maakt uit het schema van de afbeelding het volgende op: na resorptie vanuit de dunne darm worden de ijzerionen door het bloed rechtstreeks naar het beenmerg, de lever, de nieren en andere organen vervoerd. Dit is niet juist. In dit schema is namelijk geen rekening gehouden met de bloedsomloop.
Teken uitgaande van 'ijzerionen in het bloed' (zie de afbeelding B 2241), een nieuw schema voor het vervoer van ijzerionen via het bloed naar het beenmerg, de lever, de nieren en andere organen, waarbij wèl rekening is gehouden met de bloedsomloop.
afbeelding
1/4 Tropenjaren.
'Tropenjaren tellen dubbel' is een gezegde. In de negentiende eeuw waren er twee opvattingen over de mogelijkheid tot aanpassing van blanken aan het klimaat in de tropen.
Veel Nederlanders hadden moeite met de tropische omstandigheden in het toenmalige Nederlandsch-Indië.
Volgens de arts Junghuhn kwam dat doordat zij lichamelijk niet tot aanpassing aan de hitte in staat waren.
Volgens de arts Swaving was aanpassing best mogelijk, maar hielden de Nederlanders er een verkeerde leefwijze op na.
bron: Annemarie de Knecht-van Eekelen, 'Het tropische klimaat eene vijandige magt', Synaps 16, 1996
Het fenotype (F) van een persoon ontstaat onder invloed van erfelijke factoren (genotype: G) en milieufactoren (M): G + M = F
Volgens welke van de twee artsen is het genotype van overwegende invloed op de totstandkoming van het fenotype? Leg je antwoord uit.
2/4 Tropenjaren.
Stel een werkplan op voor een onderzoek dat had kunnen aantonen of de arts Swaving gelijk had.
3/4 Tropenjaren.
Een andere arts, Eijkman, deed onderzoek naar de lichaamstemperatuur van blanke Nederlanders die in het toenmalige Nederlandsch-Indië matig zware arbeid verrichtten. Hij vergeleek die met de in Nederland gevonden waarden bij een overeenkomstige groep. Deze bleken in beide gebieden gelijk. Vier mogelijke veranderingen van het lichaam zijn:
1. verlaging van de hartslag;
2. vernauwing van de bloedvaten;
3. verlaging van de urineproductie;
4. verhoging van de zweetproductie.
Welke van deze vier veranderingen droeg het meest bij tot het op peil houden van de lichaamstemperatuur van blanke Nederlanders in Nederlandsch-Indië?
4/4 Tropenjaren.
Velen dachten dat bij blanken in Nederlandsch-Indië de bloedsamenstelling veranderde waardoor ze gauw moe werden.
Waaraan zouden die blanken dan een tekort hebben gehad?
1/7 De beschermende werking van calcium.
Zie figuur B 4684 van de bijlage.
Calcium (Ca2+
) is een bijzondere voedingsstof. Veel van het ingenomen calcium blijft in de darm achter en wordt niet in het bloed opgenomen. Calcium speelt een belangrijke rol bij bijvoorbeeld de botopbouw. In de afbeelding wordt de hoeveelheid calcium weergegeven die in de ontlasting (feces) wordt aangetroffen in relatie tot de hoeveelheid calcium die men per dag met het voedsel binnenkrijgt.
Het calcium dat niet wordt opgenomen, vervult in de darm een belangrijke functie. Deze functie hangt samen met het feit dat calcium in neutraal milieu (pH = 7) een onoplosbaar zout vormt met negatief geladen ionen zoals fosfaationen of vetzuren. In zuur milieu blijven calcium en de negatief geladen ionen in oplossing. Het calciumfosfaat, Ca3
(PO4
)2
, kan galzuren binden.
Galzuren en vetzuren kunnen de cellen van de wand van de dunne darm beschadigen. Deze cellen worden dan gevoeliger voor bacteriële infecties. Het verloop van de infectie is vrij onschuldig; vrijwel iedereen herstelt, na enkele dagen last te hebben gehad van diarree.
Hoeveel mg calcium wordt, uitgaande van de resultaten in de afbeelding, maximaal per dag in het bloed opgenomen?
afbeelding
2/7 De beschermende werking van calcium.
Het calcium vormt in neutraal milieu met fosfaten een onoplosbaar zout.
Van welk van de onderstaande verbindingen kan de fosforgroep in het zout afkomstig zijn?
3/7 De beschermende werking van calcium.
Zie figuur C 413 van de bijlage.
Men krijgt last van een bacteriële darminfectie als zuren de slijmlaag van de darmwand aantasten. Galzuren hebben daarnaast een negatief effect op de groei en ontwikkeling van de lichaamseigen bacteriën die zich in de dikke darm bevinden. Deze lichaamseigen bacteriën gaan onder normale omstandigheden de uitbreiding van het aantal ziekteverwekkende bacteriën tegen. Over het nut van calcium in de darm, werden de volgende hypothesen geformuleerd:
1. Calciumfosfaat zal de galzuren en vetzuren neerslaan.
2. Calciumfosfaat zal de groei van lichaamseigen bacteriën in de darm stimuleren.
In een experiment werden de hypothesen getoetst. Ratten kregen normaal voer (20 mmol Ca/kg voer) of met calcium verrijkt voer (180 mmol Ca/kg voer). De concentratie vrije galzuren en vrije vetzuren in de ontlasting werd gemeten. Ook het aantal lichaamseigen bacteriën in de ontlasting werd bepaald. De resultaten zijn in de afbeelding C 413 weergegeven.
- Welke conclusie trek je uit de weergegeven resultaten in diagram 1?
- Welke conclusie trek je uit de weergegeven resultaten in diagram 2?
- Welk van deze conclusies onderschrijven de gestelde hypothesen?
-
afbeelding
4/7 De beschermende werking van calcium.
Zie figuur A 1041 van de bijlage.
Behalve bij ratten zijn soortgelijke experimenten met een verzwakte dikke darmbacterie, een bepaalde Escheria coli-stam, bij mensen uitgevoerd. Ook deze bacteriën kunnen infecties veroorzaken. De proefpersonen kregen gedurende veertien dagen voeding met gewone melk of met melk waaruit veel calcium was verwijderd (placebo). Op de tiende dag werden de deelnemers geïnfecteerd met de verzwakte E. coli-stam.
De afbeelding A 1041 toont het verloop van het natgewicht van de feces als maat voor de diarree. In beide groepen is de fecale output op de eerste dag met 180 gram toegenomen, dat komt ongeveer neer op een verdubbeling van de hoeveelheid feces.
Wat stelt de waarde 0 op de Y-as voor?
afbeelding
5/7 De beschermende werking van calcium.
Zie figuur A 1041 van de bijlage.
Op basis van welk uit de afbeelding af te lezen resultaat komt men tot de conclusie dat calcium in het voedsel sneller tot herstel van een bacteriële infectie zorgt?
afbeelding
6/7 De beschermende werking van calcium.
Een andere darmziekte die werd onderzocht, is darmkanker. Dikke darmkanker komt vaak voor bij mensen in welvarende landen en weinig bij inwoners van landen met een arme bevolking, zoals in delen van Oost-Azië.
De leefwijze kan het risico op het ontwikkelen van darmkanker vergroten. Men heeft vastgesteld dat de inname van calcium omgekeerd evenredig is met het risico op darmkanker. En men heeft vastgesteld dat de inname van rood vlees het risico op darmkanker doet toenemen. Dit laatste wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van heem (= onderdeel van hemoglobine) in rood vlees. In het dekweefsel van de dikke darm zijn regelfactoren aanwezig die de snelheid van de celdeling controleren, zodat er steeds voldoende epitheelcellen bijgemaakt worden. Heem verstoort dit regelmechanisme en veroorzaakt hierdoor een verhoogde delingsactiviteit van dikkedarmwandcellen.
Er zijn in de vorige eeuw veel mensen vanuit Oost-Azië naar Amerika geëmigreerd. Oost-Aziaten kunnen melk niet verdragen, omdat zij lactose-intolerant zijn. Wel gingen zij er toe over om meer rood vlees te eten, iets dat zij in hun vaderland weinig deden. Het vlees konden zij wel goed verteren.
Leg uit waardoor een hoge concentratie heem in de dikke darm de kans op het ontstaan van dikke darmkanker doet toenemen.
7/7 De beschermende werking van calcium.
Op basis van een bevolkingsonderzoek onder Oost-Aziatische immigranten in Amerika heeft men geconcludeerd dat de veranderde leefwijze van deze immigranten invloed heeft op het ontwikkelen van dikke darmkanker.
Wat zal het resultaat van dit bevolkingsonderzoek zijn geweest waarop men deze conclusie heeft gebaseerd?
3/6 Loodvergiftiging.
Gockel ondervroeg de wijnboeren.
Hij ontdekte dat zij in slechte wijnjaren loodacetaat toevoegden om de wijn een zoetere smaak te geven.
Loodacetaat zou dus de oorzaak kunnen zijn.
Gockel moest dus bewijzen dat de koliek van Poitou veroorzaakt werd door loodacetaat in wijn.
Beschrijf op welke wijze Gockel dit onderzoek zou kunnen doen.