Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Bij bananenvliegen is het gen voor lange vleugels (E) dominant over dat voor korte vleugels (e). Een biologiedocent gaat met zijn klas een practicum uitvoeren. De leerlingen kunnen bananenvliegen laten paren om nakomelingen te krijgen. De leerlingen krijgen de opdracht ervoor te zorgen dat in de nakomelingschap zo veel mogelijk vliegen met korte vleugels voorkomen. In de klas staan potjes met bananenvliegen die als ouders kunnen worden gebruikt. Op elk potje staat een nummer, het geslacht van de vliegen en het genotype voor de vleugellengte.
Uit welke twee potjes moeten de ouders komen om de opdracht zo goed mogelijk uit te voeren?
Genetica
Bloemkleuren.
Een plant met rode bloemen wordt gekruist met een plant met witte bloemen. Uit de zaden die ontstaan, ontwikkelen zich alleen planten met rode bloemen. Deze nakomelingen uit de F1
planten zich onderling voort. De F2
bestaat uit 602 planten met rode bloemen en 205 planten met witte bloemen.
Hoeveel van die 602 planten met rode bloemen uit de F2
zijn heterozygoot?
Genetica
Vleugellengtes.
Bij bananenvliegen is het gen voor lange vleugels (E) dominant over dat voor korte vleugels (e). Een biologiedocent gaat met haar klas een practicum uitvoeren. De leerlingen kunnen bananenvliegen laten paren om nakomelingen te krijgen. De leerlingen krijgen de opdracht ervoor te zorgen dat in de nakomelingschap ongeveer evenveel vliegen met lange vleugels als vliegen met korte vleugels voorkomen. In de klas staan potjes met bananenvliegen die als ouders kunnen worden gebruikt. Op elk potje staat een nummer, het geslacht van de vliegen en het genotype voor de vleugellengte.
Uit welke twee potjes moeten de ouders komen om de opdracht zo goed mogelijk uit te voeren?
Genetica
Oogkleur.
Een vlieg met rode ogen wordt gekruist met een vlieg met roze ogen. Alle nakomelingen hebben rode ogen. De vliegen uit de F1
planten zich onderling voort. De F2
bestaat uit 164 vliegen; 122 hiervan hebben rode ogen en 42 hebben roze ogen.
Hoeveel van die 124 vliegen met rode ogen uit de F2
zijn homozygoot?
Genetica
1/2 Gele en witte bloemen.
Van een bepaalde plantensoort komen planten voor met gele bloemen en planten met witte bloemen. Het gen voor gele bloemkleur is dominant over het gen voor witte bloemkleur. De planten kunnen zich zowel geslachtelijk als ongeslachtelijk voortplanten. In een gesloten kas stonden in 1995 alleen planten met gele bloemen. In 1996 staan er zowel planten met gele bloemen als planten met witte bloemen.
Kunnen de planten met gele bloemen in 1996 zijn ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting? Leg je antwoord uit.
Genetica
2/2 Gele en witte bloemen.
En kunnen de planten met witte bloemen in 1996 ontstaan zijn door ongeslachtelijke voortplanting? Leg je antwoord uit.
Genetica
1/3 Cavia's.
Een ruwharige cavia wordt gekruist met een gladharige cavia. Het gen voor ruwe haren is dominant (A). De beide ouders zijn homozygoot voor de haarvorm. De nakomelingen planten zich onderling voort.
Stel van deze kruising een kruisingsschema op tot en met de F2
.
Genetica
2/3 Cavia's.
Welke genotypen komen voor in de F2
en in welke verhouding?
Genetica
3/3 Cavia's.
Welke fenotypen komen voor in de F2
en in welke verhouding?
Genetica
1/2 Cavia's.
Bij cavia's komt zowel zwarte als witte vachtkleur voor. Het gen voor zwarte vachtkleur is dominant. Een zwarte cavia wordt gekruist met een witte. Ze krijgen zowel zwarte als witte nakomelingen.
Waren de ouders heterozygoot of homozygoot voor de vachtkleur?
Genetica
2/2 Cavia's.
Twee van de zwarte nakomelingen worden met elkaar gekruist, ze krijgen één jong.
Hoe groot is de kans dat het jong zwart is?
de kans is [invulveld] %
Genetica
1/2 Duiven met gevederde poten.
Twee duiven met gevederde poten paren met elkaar. Ze krijgen twee jongen. Deze hebben beide gevederde poten en zijn homozygoot voor de betreffende eigenschap.
Valt uit het bovenstaande op te maken of het gen voor gevederde poten dominant of recessief is?
Genetica
2/2 Duiven met gevederde poten.
Valt uit het bovenstaande op te maken of de ouders homozygoot of heterozygoot zijn voor de desbetreffende eigenschap?
Genetica
1/2 Haarkruinen. Zie figuur A 707 van de bijlage.
Hoofdhaar groeit bij de kruin een bepaalde kant op. De groeirichting is erfelijk bepaald. Het gen voor de groeirichting naar rechts is dominant (G).
Een vader die heterozygoot is voor de groeirichting van het haar heeft een zoon Erik. Bij Erik groeit het haar naar links. Bij de moeder van Erik groeit het haar naar rechts.
Wat is het genotype van de moeder?
afbeelding
Genetica
2/2 Haarkruinen. Zie figuur A 708 van de bijlage.
Een vader die heterozygoot is voor de groeirichting van het haar heeft een zoon Erik. Bij Erik groeit het haar naar links.
Groeit bij de moeder van Erik het haar naar links of naar rechts? Of is dit niet uit de gegevens op te maken? Leg je antwoord uit met behulp van een kruisingsschema.
afbeelding
Genetica
1/3 Haarvormen. Zie figuur B 3700 van de bijlage.
Bij de mens is het gen voor krullend haar (H) dominant over het gen voor sluik haar (h). In de afbeelding is een stamboom van een familie weergegeven. Van een aantal personen is het genotype wat betreft haartype aangeven.
Hoe groot is de kans dat persoon 1 homozygoot is?
afbeelding
Genetica
2/3 Haarvormen. Zie figuur B 3700 van de bijlage.
De personen 1 en 2 krijgen een dochtertje.
Is met zekerheid te zeggen of het meisje krullend haar of sluik haar zal krijgen? Zo ja, zal het meisje krullend haar of sluik haar krijgen?
afbeelding
Genetica
3/3 Haarvormen. Zie figuur B 3700 van de bijlage.
Wat zijn de genotypen van de ouders van persoon 2 of is dat niet met zekerheid te zeggen?
afbeelding
Genetica
1/2 Hamsters. Zie figuur B 3425 van de bijlage.
Bij hamsters komt de vachtkleur bruin en wit voor. Het gen voor bruine vachtkleur is dominant. Een bruine hamster wordt gekruist met een witte. In de stamboom van de afbeelding B 3425 is weergegeven welke nakomelingen ze krijgen.
Geef de genotypen van nummer 1 en 2 uit de afbeelding B 3425 (gebruik de letters A en a).
genotype nr. 1: [invulveld] genotype nr. 2: [invulveld]
afbeelding
Genetica
2/2 Hamsters. Zie figuur B 3425 van de bijlage.
Hamster nummer 1 en 2 worden nog een keer met elkaar gekruist. Ze krijgen één jong.