w1/5 Klimaat beïnvloedt het verspreidingsgebied van een organisme.
Elke planten- en diersoort heeft een bepaald gebied waar de omstandigheden zo gunstig zijn dat de soort er kan leven. Dit wordt het verspreidingsgebied of areaal genoemd. Dit areaal kan soms beperkt zijn tot enkele tientallen km2
. Zo komt de zeldzame Grote vuurvlinder alleen in een klein deel van Overijssel voor.
De Zachte berk komt in grote gebieden van Europa voor. Terwijl het areaal van Klein kroos zelfs enorme delen van de wereld omvat. De grenzen van het verspreidingsgebied hangen onder andere af van klimaatfactoren en hoe de soort daaraan is aangepast. Verdraagt een organisme de koude goed, zoals het Korhoen, dan ligt zijn verspreidingsgebied vaak noordelijk of hoog in de bergen.
Nederland kan centraal in het areaal van een soort liggen, maar het komt ook voor dat Nederland net de noord- of zuidgrens van een natuurlijk verspreidingsgebied vormt. Wanneer de noordgrens van het verspreidingsgebied door of ten zuiden van Nederland loopt, spreken we van zuidelijke soorten, zoals de Kleine zilverreiger of de Zuidelijke oeverlibel. Als de zuidgrens van het verspreidingsgebied door Nederland loopt, spreken we van noordelijke soorten, zoals het IJslands mos of de Noordse winterjuffer.
In Nederland komt de Blauwe reiger algemeen voor. Door klimaatverandering komt ook de Kleine zilverreiger steeds vaker in Nederland voor.
Zie volgende scherm