Bloed
3/6 Zwemmen gevaarlijk.
De prikkel tot het regelmatige kloppen van ons hart ontstaat in het hart zelf. In feite zijn er twee plaatsen in het hart die zorgen dat hartspiercellen samentrekken.
Hoe heten deze twee plaatsen?
Deze oefentoets bevat 11 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
11
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
3/6 Zwemmen gevaarlijk.
De prikkel tot het regelmatige kloppen van ons hart ontstaat in het hart zelf. In feite zijn er twee plaatsen in het hart die zorgen dat hartspiercellen samentrekken.
Hoe heten deze twee plaatsen?
4/6 Zwemmen gevaarlijk.
Het autonome zenuwstelsel kan wel zorgen dat de hartslag versnelt dan wel vertraagt.
Leg dit uit.
5/6 Zwemmen gevaarlijk.
Vlak bij organen vertakken de slagaders zich in steeds kleiner wordende slagadertjes. De kleinste slagadertjes worden arteriolen genoemd. Deze arteriolen zijn belangrijk voor de regeling van de hoeveelheid bloed die door een orgaan kan stromen. De wanden van arteriolen kunnen zich heel gemakkelijk vernauwen of verwijden doordat ze voornamelijk uit spierweefsel bestaan.
Bestudeer het volgende schema over de verdeling van het bloed door het lichaam onder verschillende omstandigheden.
afbeelding
Geef een verklaring voor de verschillen.
6/6 Zwemmen gevaarlijk.
Niet alleen lichamelijke inspanning worden genoemd als risicofactor voor hartfalen maar ook saunabezoek.
Kun je dat verklaren?
1/2 Bloeddoping.
Doping, waaronder bloeddoping, is in de sport niet toegestaan. Bij bloeddoping krijgt een sporter via een infuus bloed in geconcentreerde vorm toegediend. Hierdoor wordt de capaciteit van het bloed voor het vervoeren van zuurstof vergroot. Het toegediende bloed kan afkomstig zijn van de sporter zelf òf van een ander.
Men geeft de voorkeur aan bloeddoping met eigen bloed. Hierbij is er weinig kans dat de sporter bij een bloedonderzoek wordt betrapt.
Geef nog twee redenen waarom men de voorkeur geeft aan bloeddoping met eigen bloed.
2/2 Bloeddoping.
Zie figuur B 2301 van de bijlage.
In de afbeelding is weergegeven wat er bij bloeddoping gebeurt met het hemoglobinegehalte.
Bij deze bloeddoping wordt op tijdstip 0 een halve liter geconcentreerd bloed toegediend.
Het hemoglobinegehalte stijgt daardoor direct: tot 9% boven de normale waarde (de normale waarde = 100%). Het hemoglobinegehalte blijft daarna niet constant. Uit de grafiek blijkt dat het hemoglobinegehalte gedurende anderhalve dag nog wat verder toeneemt: van 109% tot 112%, zonder dat er bloed wordt toegediend. Pas daarna treedt een daling op totdat de oorspronkelijke waarde (100%) na een aantal weken weer is bereikt.
Wanneer bij iemand het bloedvolume tijdelijk is verlaagd of verhoogd, wordt door vochtregulatie binnen enkele dagen weer de normale waarde van het bloedvolume bereikt.
Geef met behulp van dit gegeven een verklaring voor het verschijnsel dat het hemoglobinegehalte ná het toedienen van het geconcentreerde bloed nog wat verder stijgt.
afbeelding
1/2 EPO.
Zie figuur B 2469 van de bijlage.
De productie van rode bloedcellen wordt geregeld via een terugkoppelingsmechanisme waarbij de zuurstofvoorziening van de nieren, het hormoon EPO (erythropoiëtine) en de cellen in het beenmerg die rode bloedcellen vormen, een rol spelen. EPO is een hormoon dat wordt gemaakt in de nieren. Als de nierfunctie gestoord is, wordt ook onvoldoende EPO gemaakt en is de patiënt moe en lusteloos. Tegenwoordig kan men dit hormoon 'kunstmatig' vervaardigen en bij mensen inspuiten.
De productie van EPO is direct afhankelijk van het zuurstofgehalte van het bloed. De regeling van het zuurstofgehalte van het bloed is in de vorm van een niet-compleet schema weergegeven in de bijlage.
Zie figuur B 2469 van de bijlage.
Vul het schema op de bijlage aan, door op de juiste plaats te zetten:
- rood beenmerg;
- EPO;
- aantal rode bloedcellen.
Zet in de cirkels een + (voor stimulering of toename) of een - (voor remming of afname).
afbeelding
2/2 EPO.
Er zijn mensen die om bepaalde redenen elke vorm van bloedtransfusie weigeren. Toch kan bijvoorbeeld bij een grote operatie een bloedtransfusie nodig zijn. Door toediening van EPO kan in sommige gevallen worden voorkomen dat een bloedtransfusie nodig is.
Wanneer moet EPO dan worden toegediend?
2/2 Hardlopen.
Om het moe worden te vertragen had de man vooraf oefeningen kunnen uitvoeren. Drie typen bloedvaten in zijn benen zijn: aders, haarvaten en slagaders.
In welke van deze bloedvaten zou de hoeveelheid bloed die er per minuut doorstroomt, tijdens de oefeningen zijn toegenomen?
1/2 Ademtest bij het bepalen van lactose-intolerantie.
Een voorbeeld van een ademtest is de lactose-ademtest. Hierbij is de teststof met 2
H gelabelde lactose (= melksuiker).
Sommige mensen maken geen lactase. Hierdoor wordt lactose niet verteerd en komt het in de dikke darm. De daar aanwezige bacteriën kunnen de lactose wel verteren en de verteringsproducten gebruiken voor hun eigen dissimilatie.
Hierbij komt onder andere 2
H2
vrij. Dit wordt in het bloed opgenomen en via de longen uitgescheiden, waardoor je het via de ademtest kunt meten.
Een waterstofmolecuul wordt via de dikke darm in het bloed opgenomen. Het gaat via de kortste weg van de haarvaten in het dikke darmweefsel naar de haarvaten in het longweefsel, waar het 2
H2
-molecuul het lichaam verlaat.
Kan dit 2
H2
-molecuul zijn waargenomen in de aorta?
Is dit 2
H2
niet, of één of twee keer in het hart geweest?
2/2 Ademtest bij het bepalen van lactose-intolerantie.
Zie figuur B 4361 van de bijlage.
Als men vermoedt dat een patiënt geen melksuiker kan verteren, wordt behalve de ademtest ook vaak een lactose-(in)tolerantietest uitgevoerd. De patiënt moet een zestal uren niet eten of drinken. Daarna krijgt hij een bepaalde hoeveelheid lactose toegediend. Na verloop van tijd meet men het glucosegehalte van het bloed.
In afbeelding B 4361 wordt het glucosegehalte in het bloed weergegeven. Na zes uur krijgt de patiënt lactose toegediend.
Welke lijn geeft de glucoseconcentratie in het bloed weer als de patiënt daadwerkelijk aan lactose-intolerantie lijdt?
afbeelding