Oefentoets Biologie: Ecologie - voedselrelaties | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 28 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

28

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Juist of onjuist.

Noteer of de volgende beweringen juist of onjuist zijn.

1. Te sterke competitie met soortgenoten om het beschikbare voedsel kan worden tegengegaan door een territorium te vormen. [invulveld]
2. Te sterke competitie tussen populaties wordt tegengegaan door natuurlijke selectie. [invulveld]
3. Een bijenstaat is een voorbeeld van het optreden van coöperatie binnen een populatie. [invulveld]
4. Coöperatie binnen een populatie biedt vaak bescherming tegen predatoren. [invulveld]
5. Als bij een symbiose de individuen van beide soorten voordeel hebben, spreken we van mutualisme. [invulveld]
6. Een lintworm in de dunne darm van een mens is een voorbeeld van commensalisme. [invulveld]

Bij een zebra komen ossenpikkers voor. Ossenpikkers zijn vogels die leven van de parasieten op de huid van onder andere zebra's. Zebra's leven in kuddes.

7. Ossenpikkers op zebra's vormen een voorbeeld van coöperatie tussen populaties. [invulveld]
8. Ossenpikkers op zebra's vormen een voorbeeld van parasitisme. [invulveld]

Ecologie

1/3 Snoeken.
Zie figuur B 3805 van de bijlage.

In het Nederlandse zoete water komt, net zoals in de rest van Europa en Azië, de snoek, Esox lucius, voor. In de wateren van de Verenigde Staten en Canada komen de snoeksoorten Esox masquinongy en Esox niger voor en van Esox americanus de ondersoorten Esox americanus americanus en Esox americanus vermiculatus.
In de afbeelding is het verspreidingsgebied van snoeken weergegeven.
Omdat de snoek een geliefde sportvis is, heeft men in kwekerijen snoeken gekruist en de nakomelingen in viswater uitgezet. In gevangenschap zullen snoeken van dezelfde soort gemakkelijk nakomelingen krijgen. Men heeft ook geprobeerd exemplaren van verschillende snoeksoorten met elkaar te kruisen.

Tussen welke van de hierboven genoemde vier Noord-Amerikaanse snoeken is een kruising met zekerheid succesvol?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Snoeken.
Zie figuur B 3806 van de bijlage.

Jonge snoeken die zojuist uit het ei gekomen zijn, gaan tussen de planten naar prooi zoeken. In het begin bestaat die prooi uit gemakkelijk te overmeesteren kleine waterdieren. Na een paar dagen worden grotere waterdieren gekozen, waaronder eigen soortgenoten.

Zie figuur B 3806 van de bijlage.

In onderstaande afbeelding is de relatie weergegeven tussen de afmeting van het gevangen prooidier en de vangfrequentie. Onder vangfrequentie verstaan we het aantal malen dat een prooi van deze lengte in de maag van de snoek voorkomt.

Welke conclusie kun je uit de twee grafieken van bovenstaande afbeelding trekken?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 Snoeken.

Voor sommige mensen is het eten van snoekkroketten een ware delicatesse. In plaats van het gebruikelijke kippen-, varkens- of rundvlees wordt een even grote hoeveelheid 'vlees' van de snoek in de kroketten verwerkt.
Behalve dat ze heel lekker kunnen zijn, zijn ze in ieder geval licht verteerbaar. In de tabel is de samenstelling per 100 gram van kippen-, rund-, snoeken-, en varkensvlees aangegeven.

afbeeldingafbeelding

Leg met behulp van de gegevens uit de tabel uit wat de voornaamste oorzaak is van de constatering dat snoekkroketten inderdaad lichter verteerbaar zijn dan kippen-, rund- en varkensvleeskroketten.

Ecologie

1/4 Hazen en ganzen.

Tekst:
Van het eiland Schiermonnikoog wordt de kwelder, een gebied dat ontstaat door afzetting van klei door de zee, steeds groter. In de loop van de tijd ontstaan er hoger en lager gelegen delen in de kwelder. Op de kwelder ontstaat een vegetatie die begraasd wordt door hazen, konijnen, rotganzen, brandganzen en grauwe ganzen. Vooral tussen hazen en rotganzen hebben onderzoekers interessante relaties ontdekt.
In het voorjaar van de jaren negentig van de vorige eeuw graasden rond de 2000 rotganzen op de kwelder. In de winter waren de rotganzen er niet. De hazen eten bij voorkeur van struikachtige planten als zeealsem en gewone zoutmelde. Zeealsem groeit vooral op de middelhoge kwelder, gewone zoutmelde vooral op de laaggelegen delen. De groeiplaats blijkt samen te hangen met de zouttolerantie.

bron: R van der Wal, Rotgans zonder haas het haasje, De onvrije natuur, 11-16

Schets in één diagram zowel een mogelijke tolerantiegrafiek van zeealsem voor de factor zoutgehalte van de bodem als een mogelijke tolerantiegrafiek van gewone zoutmelde voor de factor zoutgehalte van de bodem.

Ecologie

2/4 Hazen en ganzen.

Als de laaggelegen kwelder ouder wordt, overwoekert gewone zoutmelde de favoriete voedselplanten van de rotgans (gewoon kweldergras, schorrezoutgras en zeeweegbree). De vegetatie op de kwelder krijgt een ander aanzien.

Geef de naam van het verschijnsel dat de vegetatie op de kwelder in de loop van de tijd verandert. Deze naam is [invulveld]

Ecologie

3/4 Hazen en ganzen.
Zie figuur B 3744 van de bijlage.

Doordat de hazen 's winters veel gewone zoutmelde aten, veranderde de situatie: de grassen kregen weer een kans. Dit was gunstig voor de in de lente terugkerende rotgans.
Onderzoekers formuleerden de hypothese dat de aanwezigheid van hazen gunstig is voor rotganzen. Zij toetsten die hypothese met behulp van een experiment waarvan de resultaten zijn weergegeven in de afbeelding. Het aantal rotganzen werd bepaald door wekelijks het aantal ganzenkeutels te tellen.

Leg met behulp van de afbeelding en de informatie uit de tekst uit welke werkwijze de onderzoekers bij hun experiment hebben toegepast.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Hazen en ganzen.
Zie figuur B 3745 van de bijlage.

In de afbeelding is te zien dat de populatiedichtheid van de rotgans, in aanwezigheid van hazen, na verloop van tijd toch begint te dalen. Een leerling bestudeert de afbeelding en concludeert hieruit dat dit komt doordat hazen het oprukken van zoutmelde niet langer dan circa 22 jaar kunnen tegenhouden en daarna tekort schieten.

Is die conclusie juist? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/5 De Kardinaalsmuts.
Zie figuur B 2698 van de bijlage.

Tekst:
Planten en dieren in het duingebied onderhouden verschillende voedselrelaties met elkaar, maar de Kardinaalsmuts weet wel erg veel eindjes aan elkaar te knopen.
Voor de Zwarte bonenluis, een bladluizensoort, is deze struik een belangrijke redder in de winter: op de slapende knoppen komen de eitjes probleemloos de winter door. In maart-april boren de larfjes uit deze eitjes meteen vaatbundels aan om aan sap te komen. In korte tijd ontstaat uit ieder larfje een stammoeder, die in zich een groot aantal embryo's draagt, zonder dat er een mannetje aan te pas is gekomen. Mieren melken zwarte bonenluizen en vreten de rupsen van stippelmotten. In de tweede helft van mei verschijnen in de kardinaalsmuts namelijk veel spinsels met daarin eieren van een stippelmotje. De rupsen die uit de eieren in de spinsels ontstaan, doen zich tegoed aan de bladeren van de kardinaalsmuts, maar worden zelf ook gegeten door vogels, sluipwespen en roofwantsen. In oktober vormt de kardinaalsmuts roze vruchten met opvallende oranje zaden. Vogels eten deze zaden graag als ze geen rupsen meer kunnen vinden.
In de winter wordt de kardinaalsmuts ook nog eens geschild door konijnen die de bast tot konijnenhoogte afknagen waardoor er een witte kale stam overblijft. Ook dat overleeft de plant door de aanmaak van nieuwe vaatbundels uit diep in het hout gelegen groeiweefsel.

Teken een voedselnet waarin de organismen die in de tekst zijn onderstreept, verwerkt zijn. Plaats de pijlen die de voedselrelaties tussen deze organismen weergeven.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/5 De Kardinaalsmuts.
Zie figuur B 2710 van de bijlage.

In de vaatbundels bestaat een sapstroom met water en vooral voedingszouten en een sapstroom met water en vooral organische stoffen. In de afbeelding is een doorsnede van een blad schematisch weergegeven. In de vaatbundel zijn twee delen met vaten aangegeven.

Welke van de getekende vaten 1 en 2 worden door de luizen aangeboord? Verklaar je antwoord.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/5 De Kardinaalsmuts.
Zie figuur A 179 van de bijlage.

Tekst 2:
De Kardinaalsmuts komt in Nederland vooral in de kalkrijke duinen voor: het gebied van Zeeland tot Bergen in Noord-Holland. In het kalkarme deel van het duingebied van Bergen tot Den Helder en op de Waddeneilanden komt de Kardinaalsmuts niet voor. Voor bijvoorbeeld Struikheide geldt het omgekeerde: deze plantensoort vind je vooral in het noordelijk duingebied en niet ten zuiden van Bergen (zie de afbeelding).
In het duingebied verandert bij het duinreservaat 'de Verbrande Pan' tussen Egmond en Bergen zowel het kalkgehalte als de vegetatie heel duidelijk en zie je beide plantensoorten soms tegelijk.

Teken met gebruik van hetzelfde assenstelsel twee mogelijke grafieken met betrekking tot de tolerantie voor kalk: de ene grafiek moet het tolerantiegebied van de Kardinaalsmuts voor kalk weergeven en de andere het
tolerantiegebied van Struikheide voor kalk. Het verloop van de grafieken moet overeenkomen met de gegevens
in de tekst hierboven. Benoem de horizontale as van het diagram. Zet bij de verticale as de overlevingskans in
%. Stel daarbij de maximale overlevingskans op 100%.
Geef duidelijk aan welke grafiek van Kardinaalsmuts is en welke van Struikheide.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/5 De Kardinaalsmuts.

Leg uit wat de functie is van de roze kleur van de vruchten voor de overlevingskans van de Kardinaalsmuts (als soort).

Ecologie

5/5 De Kardinaalsmuts.

Ontstaan de cellen voor de vorming van de nieuwe vaatbundels bij een kardinaalsmuts door meiose of door mitose?
En de cellen van het vruchtvlees?

Ecologie

1/3 Sapspechten.
Zie figuur B 1392 van de bijlage.

In de Verenigde Staten van Amerika leven in bossen bepaalde soorten spechten. Deze spechten hakken in bomen gaten tot in het hout. Uit deze gaten komt vocht naar buiten, dat deze spechten oplikken.
Deze spechten worden in verband met hun voedingswijze 'sapsuckers' (sapspechten) genoemd. Het opgelikte vocht is hun belangrijkste voedsel. Het vocht dat naar buiten komt, is bovendien voedsel voor insecten. Deze insecten worden ook door de sapspechten gegeten.

In de tekst worden bomen, spechten en insecten genoemd waartussen voedselrelaties bestaan.

Teken een voedselweb waarin je de voedselrelaties tussen deze organismen weergeeft. Geef bij de organismen aan of ze producenten, consumenten of reducenten zijn.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Sapspechten.

Is er in de relatie tussen de sapspechten en de insecten sprake van competitie?
En is er in deze relatie sprake van predatie?

Ecologie

3/3 Sapspechten.

De spechten hakken de gaten tot in het hout. In een bepaald seizoen blijken uit het hout van de bladverliezende loofbomen organische voedingsstoffen te stromen die via de houtvaten omhoog worden vervoerd.

In welk seizoen is dit het geval?

Ecologie

1/3 Vossen en konijnen.
Zie figuur A 585 van de bijlage.

In een bepaald gebied komen zowel vossen als konijnen voor in jaarlijks wisselende aantallen. Van 1970 tot en met 1985 werd elk jaar het gemiddelde aantal konijnen en het gemiddelde aantal vossen vastgesteld. Het diagram in de afbeelding geeft de resultaten van deze tellingen weer waarbij de linker Y-as het aantal konijnen weergeeft en de rechter het aantal vossen.

Aan welke voorwaarde moet zijn voldaan om alle konijnen in dit gebied tot een populatie te kunnen rekenen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Vossen en konijnen.
Zie figuur A 585 van de bijlage.

Uit het diagram in de afbeelding blijkt dat er elk jaar meer konijnen zijn dan vossen. Een vos is veel groter dan een konijn. Toch is de jaarlijks geproduceerde biomassa van vossen in dit gebied kleiner dan de jaarlijks geproduceerde biomassa van konijnen.

Noem twee oorzaken waardoor de totale biomassa van vossen geringer is dan de totale biomassa van door vossen opgegeten konijnen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 Vossen en konijnen.
Zie figuur A 586 van de bijlage.

Ondanks de schommelingen in populatiegrootte houden de vossen en konijnen in dit gebied elkaar in evenwicht. Er is in de relatie tussen vossen en konijnen theoretisch sprake van een negatieve terugkoppeling waardoor al te grote schommelingen in beide populaties worden voorkomen.

In de afbeelding zijn vier schema's weergegeven.

Welk van deze schema's geeft dit terugkoppelingssysteem juist weer?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Stippelmotten.
Zie de figuren B 6820 en C 342 van de bijlage.

In Nederland komen verschillende soorten stippelmotten van het genus (geslacht) Yponomeuta voor. De rupsen van deze vlinders worden doorgaans op slechts één plantensoort aangetroffen. Men spreekt dan van voedselspecialisatie. De verschillende soorten stippelmotten hebben verschillende soorten voedselplanten, waaronder de appel en de pruim. Rupsen van stippelmotten zorgen soms voor aanzienlijke schade aan fruitbomen.

In de afbeelding is te zien wat de voornaamste voedselplanten van de verschillende stippelmotsoorten zijn.

Is Yponomeuta padellus een voedselspecialist? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Stippelmotten.

In Nederland zijn veel boomgaarden omgeven door zogenaamde houtsingels. Dit zijn aangeplante rijen bomen die op een hoogte van ongeveer drie meter worden afgesnoeid.
Deze houtsingels zorgen mede voor een hogere opbrengst van de boomgaard. Het aanleggen van houtsingels zorgt vooral voor de afname van de invloed van één bepaalde abiotische factor.

Welke factor is dat?

Ecologie

3/4 Stippelmotten.
Zie figuur C 343 van de bijlage.

In een onderzoek (zie de afbeelding) wordt de relatie onderzocht tussen de plantensoort waarop de stippelmotten zelf zijn opgegroeid en de plantensoort waarop ze hun eieren afzetten. Aan vrouwtjes van Yponomeuta padellus waarvan de herkomst bekend was, werd de keuze gegeven om hun eieren af te zetten (dat heet: ovipositie) op pruim, meidoorn of sleedoorn.

Welke conclusie over de keuze van de plantensoort met betrekking tot het eileggedrag van Y. padellus is juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Stippelmotten.
Zie figuur C 344 van de bijlage.

Vrouwtjes van Yponomeuta malinellus konden kiezen tussen meidoorn en appel. De resultaten van deze proeven zijn weergegeven in de afbeelding.

Aan de vrouwtjes van Yponomeuta malinellus, opgegroeid op meidoorn of appel, is dus niet de pruim aangeboden om eieren op af te zetten.

Leg uit welk resultaat te verwachten was als ze ook de pruim hadden kunnen kiezen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Een harige rups.

Leid uit de tekst bij de vorige vraag af, op welke wijze Lonomia-rupsen aan voedsel komen.

Ecologie

Koolstofdioxide in een sparrenbos.

Vlak boven de grond is de CO2 -concentratie gemiddeld het grootst. Dit komt mede doordat organismen of delen van organismen in de bodem CO2 produceren. Organismen kunnen worden ingedeeld in drie groepen: consumenten, producenten en reducenten.

Tot welke van deze groepen behoren de organismen die in de bodem CO2 produceren?

Ecologie

Vampiers en bloedzuigers.

Vampiers zijn kleine, in kolonies levende vleermuizen die alleen voorkomen in Midden- en Zuid-Amerika. 's Nachts voeden zij zich met het bloed van zoogdieren. Ze snijden met hun tandjes een stukje huid weg, waarna ze het uitstromende bloed oplikken. Hun speeksel bevat o.a. een stof die het tromboplastine remt.
Bloedzuigers zijn wormen die in het water leven. Zij leven o.a. van het bloed van vissen en andere waterdieren.
Het speeksel van deze bloedzuigers bevat hirudine dat het enzym trombine remt.

Is de vampier een consument van de eerste, tweede of een hogere orde? En de bloedzuiger?

Ecologie

Krabbenlarven.

Krabben worden vaak door zeevogels als voedsel gebruikt. Krabben ontkomen nogal eens aan hun predator, door zich razendsnel in het zand in te graven zodra zij 'het idee krijgen' dat de predator in de buurt is. Een nadeel is dat de krabben dan niet naar voedsel kunnen zoeken.
Uit onderzoek aan de krabbensoort Uca lactea is gebleken dat deze krab zich slechts 2 minuten onder het zand verborgen houdt. Daarna komt hij weer te voorschijn en gaat naar voedsel zoeken.
Naar aanleiding van het gedrag van predator (zeevogel) en prooi (krab) worden twee uitspraken gedaan:

1. Krabben die korter dan 2 minuten ingegraven zijn, verdwijnen als gevolg van predatie door de vogels uit de populatie;
2. Krabben die langer dan 2 minuten ingegraven zijn, verdwijnen als gevolg van voedselconcurrentie uit de populatie.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?

Ecologie

Het vrouwtje van Bakkum.

Het vrouwtje van Bakkum, een zwarte specht, werd regelmatig lastiggevallen door kauwtjes, die probeerden haar nestholte in te nemen. Jaarlijks werden enkele van haar jongen uit het nest geroofd door een boommarter.
Tussen organismen komen verschillende relaties voor zoals bijvoorbeeld commensalisme, competitie, mutualisme, parasitisme en predatie.

Met welke van de genoemde termen geeft men de relatie aan tussen deze kauwtjes en de zwarte specht?
En met welke term geeft men de relatie aan tussen de boommarter en de jongen van de zwarte specht?

tussen deze kauwtjes en de zwarte specht: [invulveld]
tussen de boommarter en de jongen van de zwarte specht: [invulveld]