Oefentoets Biologie: Ordening | VWO 5/VWO 6 | variant 9

Ontdek de digitale toets over de relatie tussen vlindersoorten en diapauze, inclusief vragen over insectenclassificatie en abiotische factoren, gericht op biologiestudenten en natuurliefhebbers. Test je kennis met uitdagende vragen en diagrammen die de ontwikkeling van vlinders verkennen. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Relatie tussen vlindersoorten en diapauze

Twee insecten.
Zie figuur B 3863 van de bijlage.

Bij vlinders komt, zoals bij veel insekten, een diapauze voor. Dat is een rustperiode waarin de ontwikkeling tot een volwassen dier is gestopt. De diapauze start onder invloed van verschillende abiotische factoren.
De diagrammen hiernaast geven de relatie aan tussen de diapauze-start van twee vlindersoorten en de daglengten bij verschillende temperaturen.

Behoren Grote vuurvlinder en Groot koolwitje tot hetzelfde geslacht of tot dezelfde familie?
Of is op grond van de gegevens in de tekst geen uitspraak hierover te doen?

afbeeldingafbeelding

Juiste volgorde van stappen in tabel

Determineertabel.
Zie figuur B 5802 van de bijlage.

In de afbeelding hieronder zie je een determineertabel voor de vijf dieren in de afbeelding hiernaast.
Er zijn vier stappen P-Q-R-S, maar de volgorde klopt niet.

afbeeldingafbeelding

Noteer hieronder de juiste volgorde.

afbeeldingafbeelding

Aantal onderzochte plantpopulaties

Veldonderzoek.
Zie figuur B 5711 van de bijlage.

Ange doet een profielwerkstuk over de voorkeur van enkele plantensoorten voor grondsoort, vochtigheid en voedingszouten.
Het gaat om een vergelijkend onderzoek binnen één habitat van de volgende soorten: Cirsium palustre, Galium palustre, Cirsium vulgare en Limonium vulgare (zie afbeelding hiernaast).

Hoeveel populaties heeft Ange onderzocht?
Dit zijn populaties.

afbeeldingafbeelding

Naamgeving van een nieuwe kwallensoort

Ernst Haeckel.
Zie figuur B 5712 van de bijlage.

Ernst Häckel (1834-1919) was een Duitse bioloog. Op de dag dat hij een belangrijke onderscheiding kreeg, stierf zijn jonge vrouw Anna Sethe (afb. 1) aan een koortsaanval. Häckel was ontroostbaar. Een jaar later ontdekte hij een nieuwe kwallensoort (afb. 2). Hij schreef: "Deze soort is een van de meest fraaie onder de holtedieren. Haar tentakels hangen als de blonde haren van een prinses. Ik noem deze soort ter nagedachtenis naar mijn onvergetelijke vrouw, Anna Sethe."

Welke naam heeft Haeckel toen gegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Classificeren van knoffels met kenmerken

Knoffels.
Zie figuur B 5715 van de bijlage.

Het principe van classificeren van organismen met een determineersleutel laat zich goed demonstreren met behulp van de 10 knoffels op afbeelding 1 hiernaast.
Met behulp van onderstaande kenmerken kan een determineersleutel worden gemaakt (zie afbeelding hieronder).
afbeeldingafbeelding
Kenmerken:
A Teenganger F Drie tenen K Stippels op buik
B Zoolganger G Brede bek L Zijstreep
C Ogen vóór op de kop H Behaard
D Ogen boven op de kop I Getinte huid
E Twee tenen J Plooien onderaan bij buik

Vul hieronder de letters in van de kenmerken die passen bij de Romeinse cijfers in de determineersleutel.
I = [invulveld]; II = [invulveld]; III = [invulveld];
IV = [invulveld]; V = [invulveld]; VI = [invulveld];
VII = [invulveld]; VIII = [invulveld]; IX = [invulveld];
X = [invulveld]: XI = [invulveld].

afbeeldingafbeelding

Hoofdbestanddeel van byssus van mosselen

Byssus.

Een mossel (Mytilus edulis L.) kan zich vastzetten op een ondergrond met een bundel hechtdraden, 'byssus' genaamd, die hij vormt met een speciale byssusklier aan de basis van zijn voet. Byssusdraden zijn bijzonder taai en stevig. In de middeleeuwen werden hiervan zelfs kledingstukken geweven.

Wat zal het hoofdbestanddeel zijn van byssus?
Dat is .

Maximaal aantal bacteriekolonies tellen

Bacteriestam.

Men maakt verdunningen van een bacteriestam in steriel water. Men giet de verdunningen uit op voedingsbodems met bouillonagar in een petrischaaltje.

Waarom zijn schaaltjes met meer dan 100 kolonies niet bruikbaar?

Reinculturen en hun kenmerken

Reinculturen.

Reinculturen zijn

Monocultuur van bacteriën kweken

Monocultuur.

De beste manier om in de praktijk een monocultuur van bacteriën te krijgen is

Onderzoek naar bacteriële besmetting van tomaat

Tomatensmurrie.

Je doet de koelkast open en ontdekt dat een tomaat die je er drie weken geleden in gelegd hebt, is veranderd in een vieze smurrie.
Je moeder zegt dat de tomaat is besmet door bacteriën.

Wat is de handigste manier om te onderzoeken of dat zo is?

Kruising tussen zeehondenondersoorten

1/3 Zeehonden.
Zie figuur B 5714 van de bijlage.

De kleine zeehond, Pusa hispida, komt in grote aantallen voor in de Noordelijke IJszee. Een ondersoort, Pusa hispida botnica, heeft zijn leefgebied in de Botnische golf waar het water brak is (een mengsel van zoetwater en zoutwater), terwijl een andere ondersoort, Pusa hispida saimensis, voorkomt in het Saimaa-meer in Finland, waar het water zoet is (zie de kaart in nevenstaande afbeelding).
De Botnische golf en het Saimaa-meer zijn ontstaan door het oprijzen van landformaties, een proces dat heeft plaatsgevonden 10.000 jaar na het beëindigen van de laatste ijstijd. Het Saimaa-meer is later in de tijd ontstaan dan de Botnische golf.

Is het mogelijk dat Pusa hispida en Pusa hispida botnica, indien ze met elkaar worden gekruist, vruchtbare nakomelingen voortbrengen?

afbeeldingafbeelding

Selectiedruk in het Baikalmeer versus Botnische Golf

2/3 Zeehonden.

Pusa sibirica, een afstammeling van Pusa hispida uit de Noordelijke IJszee, heeft zijn leefgebied in het Baikalmeer. Dit meer is het diepste zoetwatermeer ter wereld.

Is de selectiedruk in het Baikalmeer kleiner geweest dan, gelijk geweest aan of groter geweest dan die in de Botnische golf? Die is .

Populaties van zeehonden en fylogenie

3/3 Zeehonden.
Zie figuur B 5716 van de bijlage.

De vier genoemde populaties van zeehonden worden als volgt genummerd:

1 = Pusa hispida
2 = Pusa hispida botnica
3 = Pusa hispida saimensis
4 = Pusa sibirica

De afbeelding hiernaast geeft een mogelijke fylogenetische stamboom van deze populaties zeehonden.

Zet bij elk van de letters A, B, C en D in de linker kolom het cijfer van de daarbij passende populatie in de rechter kolom.

afbeeldingafbeelding
  • 1

  • 3

  • 2

  • 4

  • A

  • B

  • C

  • D

Purperkruinelfje: classificatie en geschiedenis

1/3 Het purperkruinelfje.
Zie figuur B 5717 van de bijlage.

Het schitterende purperkruinelfje is een van de 13 soorten elfjes uit (I) Malurus. Het zijn slanke, rappe zangvogeltjes met prachtige kleuren. Er is heel lang discussie geweest over de familie waarin het beestje thuishoorde. In 1830 werd hij ingedeeld in (I) Saxicola en 3 jaar later wel al in (I) Malurus. Eerst hoorde hij tot (II) der Muscicapidae, later bij de Sylviidae en pas in 1975 (!) werden de Malurus-soorten in een geheel nieuwe (II), de Maluridae ondergebracht. De discussies zijn zelfs nog steeds gaande.

Het purperkruinelfje hoort tot (I), Malurus en tot II, der Maluridae.
Het vogeltje behoort natuurlijk ook tot de der vogels.

afbeeldingafbeelding

Sexuele dimorfie bij het purperkruinelfje

2/3 Het purperkruinelfje.
Zie figuur B 5717 en 5718 van de bijlage.

De mannetjes zijn in de broedtijd erg mooi van kleur, fel blauw in verschillende gradaties. De vrouwtjes zijn wat rustiger gekleurd, overwegend grijsbruin en alleen in de lange staart een blauwe glans. Zij hebben een roodbruine snavel en oogstreep.

Leg uit dat deze sexuele dimorfie functioneel is bij veel vogels.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Voordelen van helpers bij broedparen

3/3 Het purperkruinelfje.

Bij het purperkruinelfje helpen bepaalde vogels broedparen bij het voeren van de jongen.
Soms zijn de helpers verwant en soms niet.

- Geef aan wat het voordeel voor een, aan een van de ouders van het broedpaar, verwante helper zou kunnen zijn.
- Geef ook aan wat een (ander) voordeel zou kunnen zijn van een helper die niet verwant is aan het broedpaar.

Identificatie van plantengroepen

Welke groep planten?
Zie figuur B 5719 van de bijlage.

Op de foto hiernaast is een groep planten afgebeeld.

Het zijn .

afbeeldingafbeelding

Kenmerken van de meelworm

Meelworm.
Zie figuur B 5720 van de bijlage.

Een meelworm is een soort .

Het dier maakt een metamorfose door en leeft voornamelijk .

afbeeldingafbeelding

Taxonomische indeling van de Chinese wolhandkrab

Chinese wolhandkrab.
Zie figuur A 1211 van de bijlage.

Hiernaast een afbeelding met begeleidende tekst over de Chinese wolhandkrab.

De taxa van deze krab, na het Rijk Animalia(1) in de juiste volgorde gerangschikt, zijn:

2:
3:
4:
5:
6:
7: .

afbeeldingafbeelding

Eenzadlobbigen of tweezaadlobbigen?

Een- of tweezaadlobbigen.
Zie figuur B 5721 van de bijlage.

Bekijk de vier afbeeldingen hiernaast.

Drie van de vier afbeeldingen vertonen eigenschappen van een bepaalde groep zaadplanten.
Eén van de afbeeldingen hoort er niet bij.

Hoe heet de groep die er niet bij hoort en wat is het nummer van de afbeelding die er niet bij hoort?

De groep heet en afbeelding hoort er niet bij.

afbeeldingafbeelding