Oefentoets Biologie: Immuniteit | HAVO 4/HAVO 5 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Immuniteit

1/2 Immunisatie.

Het lichaam van de mens heeft een aantal mechanismen om te voorkomen dat binnengedrongen organismen schade veroorzaken. Tegen binnengedrongen organismen kan ook kunstmatige immunisatie worden toegepast.
Er zijn twee vormen van kunstmatige immunisatie: actieve en passieve.
Bij actieve immunisatie kan iemand worden ingespoten met verzwakte ziekteverwekkers. Bij passieve immunisatie wordt iemand ingespoten met antistoffen.

Wordt immuniteit na één keer te zijn ingespoten voor een periode van vijf jaar verkregen bij actieve of bij passieve immunisatie of bij beide?

Immuniteit

2/2 Immunisatie.

Antistoffen voor kunstmatige immunisatie kunnen onder andere worden verkregen uit bloed van een dier dat is ingespoten met een ziekteverwekker.
Tot voor kort kon een patiënt tegen een bepaalde ziekte slechts éénmaal worden ingespoten met serum van een paard, dat op deze wijze was behandeld. Een tweede maal werd de patiënt ingespoten met serum van bijvoorbeeld een koe, die was ingespoten met de betrokken ziekteverwekker.

Wat is de reden dat de patiënt niet voor een tweede keer werd ingespoten met serum van het paard?

Immuniteit

1/3 Immunisering tegen buiktyfus.

Mensen die op reis gaan naar de tropen dienen zich onder andere te laten immuniseren tegen buiktyfus. Deze gevaarlijke ziekte wordt veroorzaakt door salmonellabacterie die in het darmkanaal terecht komen. Besmetting kan men bijvoorbeeld oplopen door water te drinken dat met ontlasting is vervuild.
Men kan tegenwoordig immuniteit verkrijgen door enkele capsules te slikken waarin zich verzwakte bacteriën van deze soort bevinden. De capsules zijn zo gemaakt dat ze niet oplossen in de maag, maar wel in de twaalfvingerige darm. Twee weken na het slikken is men dan minimaal 3 jaar immuun tegen deze ziekte.

Twee beweringen over immunisering tegen buiktyfus zijn:

1. het slikken van de genoemde capsules is de enige manier om immuun tegen deze ziekte te worden,
2. immunisering van bewoners van de tropen is niet nodig, omdat zij een erfelijke immuniteit tegen buiktyfus hebben.

Is bewering 1 juist?
En bewering 2?

Immuniteit

2/3 Immunisering tegen buiktyfus.

Wat is de reden dat de verzwakte bacteriën in capsules worden toegediend die niet in de maag oplossen?

Immuniteit

3/3 Immunisering tegen buiktyfus.

Waardoor wordt pas na twee weken volledige immuniteit bereikt?

choiceInteraction

1/6 Infectieziekten.

Bepaalde ziekten worden veroorzaakt door bacteriën, andere door virussen.
afbeeldingafbeelding
afbeeldingafbeelding
Zie volgende scherm

Immuniteit

2/6 Infectieziekten.

Ter bestrijding van welke van de ziekten griep, hepatitis, tetanus en tuberculose heeft het zin antibiotica te gebruiken?

Immuniteit

3/6 Infectieziekten.

Tegen welke van de ziekten griep, tetanus en tuberculose zullen in ons lichaam aanwezige lymfocyten na besmetting antistoffen produceren?

Immuniteit

4/6 Infectieziekten.
Zie figuur A 485 van de bijlage.

Een arts wil laten onderzoeken of er antistoffen tegen hepatitis in het bloedserum van een patiënt aanwezig zijn.
Een laborant gebruikt bij dit onderzoek een petrischaal met een agarbodem (zie de afbeelding, links). Hij brengt bloedserum van die patiënt in een kuiltje (Q) in de agarbodem. In een ander kuiltje (P) in deze agarbodem zijn al bepaalde stoffen aanwezig. De stoffen in de kuiltjes P en Q verspreiden zich door de agar en reageren met elkaar. Op de plaats van de reactie ontstaat een neerslag (zie afbeelding, rechts).

Welke stoffen bevonden zich in kuiltje P?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

5/6 Infectieziekten.

In het lichaam van de mens zijn onder andere drie typen vocht te onderscheiden: bloedplasma, lymfe en weefselvocht.

In welk of welke van deze drie typen vocht kunnen antistoffen voorkomen?

Immuniteit

6/6 Infectieziekten.

Een probleem bij het gebruik van antibiotica is dat de ziekteverwekkers hiertegen resistentie kunnen ontwikkelen.

Noem een behandeling waarmee soms een patiënt kan worden genezen die is geïnfecteerd met een ziekteverwekker die tegen alle antibiotica resistent is.

Immuniteit

1/4 De koe als apotheker.

De volgende tekst stond een aantal jaren geleden in de krant.
Tekst:
In tropische landen hebben veel toeristen last van reizigersdiarree. Een toerist wordt bijvoorbeeld via het voedsel besmet met voor zijn lichaam onbekende bacteriën. Er zijn dan niet direct voldoende hoeveelheden antistoffen in zijn lichaam aanwezig, zodat de bacteriën zich kunnen vermeerderen en diarree kunnen veroorzaken.
Patiënten met reizigersdiarree kunnen hierdoor snel uitdrogen, vooral als ze geen extra water drinken.
Tegenwoordig kan men antistoffen tegen deze bacteriën isoleren uit melk van op een bepaalde wijze behandelde koeien. Een injectie met deze antistoffen kan een toerist gedurende enige tijd tegen deze hinderlijke ziekteverschijnselen beschermen.

Waardoor zijn niet direct antistoffen in het bloed beschikbaar als een reiziger besmet wordt met voor de afweer onbekende bacteriën?

Immuniteit

2/4 De koe als apotheker.

Waardoor droogt een patiënt met reizigersdiarree snel uit?

Immuniteit

3/4 De koe als apotheker.

In de tekst staat dat de benodigde antistoffen worden geïsoleerd uit de melk van koeien die op een bepaalde manier zijn behandeld.

Welke van de onderstaande behandelwijzen zou dit kunnen zijn geweest?

Immuniteit

4/4 De koe als apotheker.

Waardoor is de reiziger die een injectie met antistoffen heeft gehad, niet blijvend beschermd tegen reizigersdiarree?

Immuniteit

1/2 HLA-factoren.

Tegenwoordig wordt regelmatig weefsel- of orgaantransplantatie toegepast: weefsel of een orgaan van een donor wordt overgebracht in het lichaam van een patiënt van wie het desbetreffende weefsel of orgaan niet meer functioneert. Een belangrijk probleem hierbij is de afweer die optreedt in het lichaam van de patiënt, waardoor afstoting van het ontvangen weefsel of orgaan kan optreden. Bij het herkennen van de eigen lichaamscellen en bij deze afweer tegen lichaamsvreemde elementen spelen de zogeheten HLA-factoren een belangrijke rol.
HLA-factoren zijn membraaneiwitten. De HLA-moleculen en de genen voor deze eiwitten worden verdeeld in de groepen A, B, C en D. Zowel groep A, als B, als C, als D omvat meer dan twee allelen die met nummers worden aangegeven, bijvoorbeeld A1, A2, A3, enzovoort.

Een jongen heeft voor de HLA-factoren het genotype A1 A3, B2 B4, C5 C7, D1 D4. Zijn moeder heeft daarvoor het genotype A1 A2, B4 B5, C2 C5, D3 D4.

Welke allelen voor de HLA-factoren heeft deze jongen van zijn vader overgeërfd wanneer men er van uitgaat dat er geen mutatie optreedt?

Immuniteit

2/2 HLA-factoren.

Vastgesteld is dat bij willekeurige ouderparen met twee kinderen die geen ééneiige tweelingen zijn, de kans dat deze kinderen precies dezelfde HLA-factoren hebben, 25% is.

Zijn genen voor HLA-factoren gekoppeld of niet, of is dat op grond van dit gegeven niet te bepalen?

Immuniteit

1/3 Weefseltransplantatie.
Zie figuur C 389 van de bijlage.

In 2003 is in het Academisch Ziekenhuis Groningen voor het eerst succesvol een transplantatie uitgevoerd van eilandjes van Langerhans die van de patiënt zelf afkomstig waren. De patiënt had een zeer ernstige ontsteking van de alvleesklier. Dit orgaan werd verwijderd, waarna de nog intact zijnde eilandjes van Langerhans uit de alvleesklier werden geïsoleerd. Na zuivering zijn ze via een bloedvat in de lever van de patiënt gebracht. En daar produceerden ze na korte tijd voldoende insuline (zie de afbeelding).

Via welke weg verlaat insuline, dat na de transplantatie gemaakt wordt, de lever?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

2/3 Weefseltransplantatie.

Na een succesvolle transplantatie kan de patiënt wel zelf insuline en glucagon maken, maar niet al zijn problemen zijn opgelost. Hij zal zijn hele leven een streng dieet moeten volgen.

- Noem een functie van de alvleesklier die na de transplantatie van de eilandjes van Langerhans niet door de lever kan worden overgenomen.
- Welk gevolg heeft dat?

Immuniteit

3/3 Weefseltransplantatie.
Zie figuur C 390 van de bijlage.

Type-1 diabetes is een auto-immuunziekte, waarbij de patiënt antistoffen maakt tegen de eigen cellen van de eilandjes van Langerhans. Omdat bij veel patiënten dit type diabetes zich op jonge leeftijd ontwikkelt, wordt ook wel gesproken over jeugddiabetes. In de diagrammen hieronder is tijdstip P het moment dat de auto-immuunziekte begint. Hierdoor veranderen de concentraties glucose en insuline in het bloed.

Welk van de diagrammen geeft op de juiste manier weer hoe de concentraties glucose en insuline in de maanden volgend op tijdstip P veranderen als er niet ingegrepen wordt?

afbeeldingafbeelding