Oefentoets Biologie: Ecologie | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 17

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

2/3 Bunzingen in de Biesbosch.

Noteer het voedselnet van de in de tekst genoemde organismen.

Ecologie

3/3 Bunzingen in de Biesbosch.

Op grond van het type voedsel is bij zoogdieren vaak een uitspraak te doen over de lengte van het darmkanaal in verhouding tot de grootte van het lichaam. Het darmkanaal van een bunzing wordt vergeleken met dat van een mens.

Is het darmkanaal van een bunzing naar verhouding langer of korter dan dat van een mens of is er geen verschil?

Ecologie

1/2 Energie.
Zie figuur B 1547 van de bijlage.

In de afbeelding staat schematisch de energiestroom in een voedselketen weergegeven.
Het varken is in een bepaalde periode 1 kilogram zwaarder geworden. Het heeft in die periode nauwelijks ander voer dan graan gekregen.

Heeft het varken in die periode 1 kilogram graan gegeten, minder dan 1 kilogram of meer dan 1 kilogram?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Energie.
Zie figuur B 1547 van de bijlage.

Welk organisme uit afbeelding B 1547 kan of welke organismen kunnen door verbranding energie vrijmaken?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/7 Ganzen.
Zie figuur B 2250 van de bijlage.

’s Winters trekken grote groepen ganzen in Nederland rond. Veel boeren zien niet graag zo’n grote groep ganzen op hun weiland landen want ganzen eten veel gras. De overheid probeert in samenwerking met milieuorganisaties de ganzen te beschermen en tegelijk de schade voor de boeren zoveel mogelijk te beperken. In het voorjaar trekken de ganzen naar het hoge Noorden. Daar verspreiden zij zich over de onmetelijk grote vlaktes. Op de grond maken zij nesten. De jongen zijn in het begin nog hulpeloos en veel worden er slachtoffer van vossen en roofvogels. Vossen en roofvogels staan aan de top van de piramide van biomassa van de noordelijke vlaktes. In het najaar trekken alle ganzen, jong en oud, weer naar zuidelijker streken zoals Nederland en Frankrijk.

Noteer twee voedselketens van de organismen in het hoge Noorden. Gebruik in elke voedselketen minstens drie organismen behalve de mens.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/7 Ganzen.
Zie figuur B 2250 van de bijlage.

’s Winters trekken grote groepen ganzen (zie de afbeelding) Nederland rond. Veel boeren zien niet graag zo’n grote groep ganzen op hun weiland landen. Zij kunnen in korte tijd veel gras opeten. De overheid probeert in samenwerking met milieuorganisaties de ganzen te beschermen en tegelijk de schade voor de boeren zoveel mogelijk te beperken. In het voorjaar trekken de ganzen naar het hoge Noorden. Daar verspreiden zij zich over de onmetelijk grote vlaktes. Op de grond maken zij nesten. De jongen zijn in het begin nog hulpeloos en veel worden er slachtoffer van vossen en roofvogels. Vossen en roofvogels staan aan de top van de piramide van biomassa van de noordelijke vlaktes. Op de vlaktes leven ook veel kleine knaagdieren, waaronder lemmingen. Lemmingen eten net als ganzen van planten zoals gras. Ze worden in grote aantallen gevangen door vossen en roofvogels. In de jaren dat er veel lemmingen zijn, overleven veel jonge ganzen. In de jaren daarna zijn er minder lemmingen en neemt het aantal ganzen weer af. In het najaar trekken alle ganzen, jong en oud, weer naar zuidelijker streken zoals Nederland en Frankrijk.

Teken het voedselweb van de genoemde organismen op de vlaktes in het hoge Noorden. Neem de mens niet op in het voedselweb.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/7 Ganzen.

Hebben vossen in verhouding tot hun lichaamslengte een lang of een kort darmkanaal? Leg je antwoord uit.

Ecologie

4/7 Ganzen.

Zullen knaagdieren zoals lemmingen in verhouding tot hun lichaamslengte een lang darmkanaal hebben of een kort? Leg je antwoord uit.

Ecologie

5/7 Ganzen.

Het aantal ganzen dat kan leven in het hoge Noorden, wordt beperkt door abiotische factoren en door biotische factoren.

Geef een voorbeeld van zo'n abiotische factor die invloed heeft op het aantal ganzen.
Geef ook een voorbeeld van zo'n biotische factor. Doe het zo op je antwoordvak:

abiotische factor: .....................
biotische factor :.....................

Ecologie

6/7 Ganzen.

De bescherming van de ganzen in Nederland heeft invloed op het ecosysteem van de vlaktes in het hoge Noorden.

Geef een voorbeeld van de invloed die deze bescherming van de ganzen heeft op het ecosysteem van de vlaktes in het hoge Noorden.

Ecologie

7/7 Ganzen.

In de jaren dat er in het hoge Noorden veel lemmingen zijn, maken de jonge ganzen meer kans om te overleven.

Geef hiervoor een verklaring.

Ecologie

1/2 Veel herten in Schotland.

Gedurende de laatste twintig jaar is het aantal edelherten in Schotland verdubbeld. Door enkele opeenvolgende zachte winters waren de overlevingskansen van jonge hertjes aanmerkelijk groter. Daarbij komt dat er minder wordt gejaagd op herten, omdat de vraag naar hertenvlees van restaurants gedaald is. Dat alles samen heeft gezorgd voor het huidige 'overschot'. Op de vlaktes in Schotland zijn ook veel vrijgrazende schapen. Schapen en herten leven van grassen en andere planten die het daardoor zwaar te verduren krijgen. De organismen uit de tekst vormen een voedselnet.

Schrijf twee voedselketens uit dat voedselnet op.

Ecologie

2/2 Veel herten in Schotland.

In Schotland wordt minder gejaagd op herten dan vroeger. Daardoor kan op den duur het voedselaanbod voor de schapen minder worden.

Leg uit hoe het voedselaanbod voor de schapen minder wordt.

Ecologie

1/4 De korenwolf.
Zie figuur A 692 van de bijlage.

De Europese hamster of korenwolf is een familielid van de goudhamster, die veel als huisdier wordt gehouden. De korenwolf is ongeveer 20 cm lang. Hij komt nog voor op graanakkers in Zuid-Limburg. Het dier is een planteneter die vooral veel tarwe (koren) eet, vandaar zijn naam.
In de afbeelding is in een schema een aantal factoren weergegeven die van invloed zijn op een korenwolf.

Welke factoren in het schema van de afbeelding zijn biotisch?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 De korenwolf.
Zie figuur A 692 van de bijlage.

Noteer een voedselketen met drie schakels uit het schema van de afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 De korenwolf.
Zie figuur B 2862 van de bijlage.

In de afbeelding is een schedel van een korenwolf weergegeven.

Heeft een korenwolf knipkiezen, knobbelkiezen of plooikiezen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 De korenwolf.

In een ecosysteem met hamsters komen de volgende groepen organismen voor: consumenten, producenten en reducenten.

Tot welke van deze groepen behoort een vos?

Ecologie

1/2 Een levensgemeenschap in zoet water.
Zie figuur B 1987 van de bijlage.

In de afbeelding zijn schematisch enkele voedselrelaties weergegeven in een levensgemeenschap in zoet water.
Drie schakels, aangeduid met 1, 2 en 3, zijn niet ingevuld.
In het schema ontbreken plantaardig plankton, een snoek (een roofvis) en een waterkever (een in het water levend roofinsect).

Wat kan er op plaats 1 worden ingevuld?
Wat op plaats 2?
En wat op plaats 3?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Een levensgemeenschap in zoet water.
Zie figuur B 1987 van de bijlage.

De organismen in de afbeelding aangegeven met 1, 2 of 3 behoren elk tot een bepaalde schakel van het weergegeven voedselnet. De totale hoeveelheid energierijke stoffen van alle organismen in schakel 1 wordt vergeleken met die van schakel 2 en die van schakel 3.

In welke schakel zal de totale hoeveelheid energierijke stoffen het grootst zijn?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/2 Verminderde lozing van fosfaat.

Door het gebruik van fosfaatvrije wasmiddelen is de lozing van fosfaat op rivieren in de afgelopen jaren sterk afgenomen. Daardoor stroomt er ook minder fosfaat de Noordzee in. Voor plankton is fosfaat in het zeewater een meststof. Plankton is voedsel voor schelpdieren en voor vissen zoals haring. Haringen worden op hun beurt gegeten door andere dieren, door kabeljauwen bijvoorbeeld. Overigens eten ook mensen haring, schelpdieren en kabeljauw. Er wordt erg veel op deze dieren gevist. Men houdt daarom rekening met een halvering van het aantal vissen en schelpdieren in de Noordzee. Om te voorkomen dat de Noordzee wordt leeggevist, bepleit men strenge vangstbeperkingen.

Noem een abiotische factor die in de tekst is genoemd en waardoor de populatie haringen in de Noordzee kan afnemen.