Oefentoets Biologie: Biologische begrippen | Conclusies | VO

Deze oefentoets bevat 12 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

12

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VO

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Biologische begrippen

Ontkiemproef.

Karin heeft een proef gedaan waarbij ze ontkieming onderzocht. Ze gebruikte vier schalen, watten en 160 zaden. Ze deed in elke schaal een laag watten en legde daarop 40 zaden. Aan twee schalen voegde ze 2 ml water toe, aan de andere twee 10 ml. Daarna zette zij twee schalen bij 10°C en twee schalen bij 20°C. Alle andere omstandigheden waren gelijk.

Na enkele dagen telde zij het aantal ontkiemde zaden. De resultaten staan in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Karin trekt de volgende conclusies uit de resultaten van de proef:

I. De temperatuur heeft invloed op de ontkieming van de zaden.
II. De hoeveelheid water die de zaden ter beschikking hebben, heeft invloed op de ontkieming van de zaden.

Biologische begrippen

Experiment van Van Helmont over voeding van planten.

In het begin van de 17e eeuw onderzocht de Vlaming Van Helmont de voeding van planten met bladgroen. Hij bracht in een vat 100 kg droge aarde en plantte hierin een jonge wilg die 2,5 kg woog. De aarde werd vervolgens geregeld met regenwater begoten.
Na vijf jaar woog de wilg, die zorgvuldig uit de aarde verwijderd was, 85 kg. De aarde werd gedroogd en gewogen. Van Helmont vond een gewicht van 99,8 kg.
Hij trok de volgende conclusies:

1. De plant kan al zijn bestanddelen uit water opbouwen;
2. Er is geen sprake van gewichtsverlies, omdat het geconstateerde gewichtsverschil van de aarde berust op een meetfout.

Is conclusie 1 op grond van sindsdien uitgevoerde experimenten juist of onjuist gebleken?
En conclusie 2?

afbeeldingafbeelding

Biologische begrippen

Drinkwateronderzoek.

Het drinkwater in Nederland wordt zorgvuldig gecontroleerd op de aanwezigheid van bacteriën. Volgens de wet mag 1 ml drinkwater niet meer dan 100 bacteriën bevatten. Een onderzoek naar het gehalte aan bacteriën in drinkwater vindt als volgt plaats.
Een bepaalde hoeveelheid drinkwater wordt zodanig verdund met gesteriliseerd water dat drie verschillende verdunningen worden verkregen: 1 op 10, 1 op 100 en 1 op 1000. Van het onverdunde drinkwatermonster wordt op vijf petrischalen met gesteriliseerde voedingsbodems steeds 0,1 ml gebracht. Datzelfde gebeurt met elke verdunning, zodat in totaal 20 petrischalen worden gebruikt. Op voedingsbodems gedijen bacteriën goed.
Door deling ontstaat uit elke bacterie een bacteriekolonie. Na een aantal dagen wordt het aantal bacteriekolonies geteld dat op elke petrischaal is verschenen. Enkele leerlingen hebben een dergelijk onderzoek uitgevoerd. Hun resultaten zijn weergegeven in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Voldoet het onderzochte drinkwater aan de wet. Geef bij je antwoord een berekening.

Biologische begrippen

Drinkwateronderzoek.

Het drinkwater in Nederland wordt zorgvuldig gecontroleerd op de aanwezigheid van bacteriën. Volgens de wet mag 1 ml drinkwater niet meer dan 100 bacteriën bevatten. Een onderzoek naar het gehalte aan bacteriën in drinkwater vindt als volgt plaats.
Een bepaalde hoeveelheid drinkwater wordt zodanig verdund met gesteriliseerd water dat drie verschillende verdunningen worden verkregen: 1 op 10, 1 op 100 en 1 op 1000. Van het onverdunde drinkwatermonster wordt op vijf petrischalen met gesteriliseerde voedingsbodems steeds 0,1 ml gebracht.
Datzelfde gebeurt met elke verdunning, zodat in totaal 20 petrischalen worden gebruikt. Op voedingsbodems gedijen bacteriën goed. Door deling ontstaat uit elke bacterie een bacteriekolonie. Na een aantal dagen wordt het aantal bacteriekolonies geteld dat op elke petrischaal is verschenen. Enkele leerlingen hebben een dergelijk onderzoek uitgevoerd. Hun resultaten zijn weergegeven in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Voldoet het onderzochte drinkwater aan de wet? Geef bij je antwoord een berekening.

Biologische begrippen

Rattenexperiment.
Zie figuur A 957 van de bijlage.

In een laboratorium werd een onderzoek naar de invloed van voedsel op het gewicht van ratten gedaan. Er werden twee groepen van acht jonge ratten gebruikt: groep A en groep B.
Groep A kreeg voedsel met een kleine hoeveelheid melk.
Groep B kreeg hetzelfde voedsel, maar zonder melk.
De resultaten van het experiment staan weergegeven in de afbeelding.

Schrijf op je antwoordblad een conclusie uit de resultaten die past bij de onderzoeksvraag.

afbeeldingafbeelding

Biologische begrippen

Een voorspelling.
Zie figuur A 1091 van de bijlage.

Lees eerst de tekst hieronder. Bekijk daarna de twee lijnen in de grafiek hiernaast die de onderzoekers van hun gegevens tekenden.
afbeeldingafbeelding

Is Kirkwoods voorspelling juist gebleken?

afbeeldingafbeelding

Biologische begrippen

Orgaandonatie en registratie.
Zie figuur A 1092 van de bijlage.

In een onderzoek 'Orgaandonatie en registratie' van de Universiteit Maastricht werd o.a. aan leerlingen uit 4 vwo gevraagd, wat ze zouden doen als ze nu een registratieformulier orgaandonatie kregen toegestuurd. Hierbij is sprake van een groep leerlingen die eerst lessenserie over orgaandonatie heeft gevolgd (experimentele groep) en een groep leerlingen waarvoor dat niet geldt (controlegroep).
In de afbeelding hiernaast zijn de antwoorden in een staafdiagram afgebeeld.
De onderzoekers concluderen op grond van dit diagram dat jongeren die de lessenserie hebben gevolgd, vaker een keuze maken ten gunste van orgaandonatie dan jongeren uit de controlegroep.

Is die conclusie juist?

afbeeldingafbeelding

Biologische begrippen

1/4 Vallende katten.

Lees de tekst hieronder.

Een stad als New York, met zijn overmaat aan hoge gebouwen, biedt uitstekende mogelijkheden om wetenschappelijk te onderzoeken hoe het komt dat katten een val van grote hoogte kunnen overleven.
Twee dierenartsen uit die stad, Whitney en Mehlhoff, hebben de afgelopen jaren 132 gevallen katten onderzocht die in hun dierenziekenhuis terecht waren gekomen. Criterium was dat de dieren van minstens tien meter hoogte op beton of een andere harde ondergrond gekwakt moesten zijn.
De gemiddelde valhoogte was 25 meter, de grootste val werd gemaakt door een dier dat van een balkon op de 32e etage viel. Van de 132 vielen er 11 meteen dood, 17 werden afgemaakt en de rest overleefde het voorval.
Een van de meest curieuze resultaten van het onderzoek was wel het gevonden verband tussen valhoogte en overlevingskans. Tot 35 meter is het verband simpel: hoe dieper de val, des te groter het aantal dodelijke slachtoffers. Maar boven de 35 meter nam de kans op overlijden drastisch af. Ook de poes die van de 32e viel heeft het overleefd. Na twee dagen kon zij het ziekenhuis verlaten, na behandeld te zijn voor een kleine longbeschadiging en een afgebroken tand.
Mensen brengen het er veel slechter af. Er zijn geen bekende voorbeelden van volwassenen die een val van meer dan 30 meter op beton hebben overleefd. Wie in modder of in sneeuw kwakt heeft iets meer kans de val te overleven. De overlevingskansen van een vallend dier hangen dus samen met de hoogte waarvan gevallen wordt en de hardheid van de ondergrond. Vergelijken we echter verschillende soorten, dan spelen een aantal biologische factoren een rol: de massa, de doorsnede van het lichaam en van de botten, de mate waarin vitale organen in vet zijn ingebed en de manier waarop spieren en gewrichten de klap kunnen opvangen. Naarmate een dier groter is, is de valsnelheid ook groter en omdat de omvang van de botten relatief achterblijft, komt de klap ook harder aan.
Katten zijn bovendien in het voordeel door hun ongelofelijke coördinatie als ze vallen. Ze draaien zich zo dat ze op hun vier pootjes tegelijk terechtkomen. De klap van het neerkomen wordt dan keurig over alle vier verdeeld. Mensen vallen als een baksteen en komen meestal op beide benen of op hun hoofd terecht.
Dat katten een val van meer dan 30 meter doorgaans vrij gaaf overleven heeft ook te maken met hun valtechniek. Na circa 30 meter bereiken ze hun grootste valsnelheid (ongeveer 100 km per uur). Op dat moment ontspannen ze en spreiden ze hun poten; ze hangen in de lucht op een manier die doet denken aan een Australische vliegende hond. Daarmee reduceren ze de valsnelheid en spreiden ze de energie die bij de landing geabsorbeerd moet worden over een groter deel van het poezenlijf.
Tenslotte landen katten op een manier die ook aan parachutisten wordt aangeleerd; heupen en knieën gebogen en onmiddellijk omrollen.
Al deze technieken maken dat katten zelfs meer kans hebben om een flinke val te overleven dan dieren van een vergelijkbare grootte. Dat ze dat kunnen is ongetwijfeld een gevolg van natuurlijke selectie. De voorouders van onze miauwende huisvrienden waren veelal jagers die graag in bomen klommen (die van de hond bijvoorbeeld, bleven op de grond). Het ligt voor de hand dat in de miljoenen jaren van de kattenevolutie de dieren met een goede valtechniek zich beter konden handhaven. De negen levens van de kat zijn dus een resultaat van hun evolutie.

(bron: Natuur & Techniek)

Zie volgende scherm

Biologische begrippen

2/4 Vallende katten.

Welk van onderstaande zaken speelt of welke zaken spelen zeker een rol bij de overlevingskans van een organisme dat van grote hoogte naar beneden valt?

Biologische begrippen

Stippelmotten.

In een onderzoek wordt de relatie onderzocht tussen de plantensoort waarop stippelmotten (een vlindersoort) zelf zijn opgegroeid en de plantensoort waarop ze hun eieren afzetten.
Aan vrouwtjes van een bepaalde soort stippelmot waarvan de herkomst bekend was, werd de keuze gegeven om hun eieren af te zetten op een pruim, een meidoorn of een sleedoorn.
In onderstaande tabel staat het gemiddelde percentage afgezette eieren op pruim, meidoorn en sleedoorn van stippelmotvrouwtjes die opgegroeid waren op een van de voedselplanten.
afbeeldingafbeelding
Clemens, Hettie en Robin bekijken de resultaten en ieder trekt een conclusie:

I. Clemens: de stippelmot zet bij voorkeur eitjes af op de plant van herkomst.
II. Hettie: de stippelmot zet bij voorkeur geen eitjes af op de plant van herkomst.
III. Robin: de stippelmot zet bij voorkeur eitjes af op de meidoorn.

Wie van de drie trekt of wie trekken een juist conclusie?

Biologische begrippen

2/2 Onderzoek bij egels.

Trek twee conclusies uit beide onderzoeken.