Oefentoets Biologie: Ecologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 26

Ontdek de digitale toets over energieverlies door dissimilatie, gericht op biologiestudenten die leren hoe ze energieverliezen in ecosysteemprocessen kunnen berekenen en begrijpen. Deze toets behandelt belangrijke concepten zoals assimilatie-efficiëntie en productiviteit-efficiëntie. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Energieverlies door dissimilatie berekenen

Productiviteit.
Zie figuur B 5226 van de bijlage.

In de afbeelding zijn de assimilatie-efficiëntie (A/I) en de productiviteit-efficiëntie (P/A) van twee groepen zoogdieren in een graslandecosysteem schematisch weergegeven.

A = hoeveelheid energie in organische stof die via de darm wordt geresorbeerd en in het bloed opgenomen
F = verlies van energie door ontlasting
I = hoeveelheid energie in organische stof die wordt gegeten
P = productiviteit
R = energieverlies door dissimilatie

Bereken het energieverlies door dissimilatie (R) in kiloJoules voor de groep vleeseters, als de hoeveelheid energie in organische stof die wordt gegeten (I) 250 kiloJoules bedraagt.

afbeeldingafbeelding

Planten en hun compensatiepunten

Compensatiepunt.

Hieronder de compensatiepunten van enige planten, gegeven in lux, de eenheid van lichtintensiteit.

1. grove den: 5100 lux;
2. eik: 2400 lux;
3. beuk: 1300 lux;
4. esdoorn: 600 lux.

Welke van deze planten groeit waarschijnlijk niet goed in de schaduw?

De .

Cyanobacteriën: Rol in het ecosysteem

Cyanobacteriën.

Cyanobacteriën behoren tot de .

De rol van de cuticula bij planten

Cuticula.

Planten waarvan de bladeren een dikke cuticula hebben, komen vooral voor in

Tolerantiegebieden van Waterorganismen

Tolerantiegebieden.
Zie figuur B 5228 van de bijlage.

In nevenstaande grafiek zijn tolerantiegebieden voor de factor zoutgehalte weergegeven van drie verschillende soorten waterorganismen, met de lijnen I, II en III.

Zet de organismen in de rechter kolom bij het juiste cijfer in de linker kolom.

afbeeldingafbeelding
  • kikker

  • paling

  • blauwe zeedistel

  • I

  • II

  • III

Gistpopulatie en negatieve terugkoppeling

Gistpopulatie.
Zie figuur B 5229 van de bijlage.

Het nevenstaande diagram laat het verloop zien van het aantal cellen in een gistpopulatie gedurende 18 uur.

De negatieve terugkoppeling op deze populatie heeft zijn grootste effect tussen .

afbeeldingafbeelding

Populatiegroei en netto reproductiefactor

Populatie.
Zie figuur B 5230 van de bijlage.

Het nevenstaande diagram geeft het verloop van de grootte van een populatie in de tijd weer.

De netto reproductiefactor zal op tijdstip P

afbeeldingafbeelding

Wederzijdse invloed van prooidieren en predatoren

Prooidieren en predatoren.
Zie figuur B 5232 van de bijlage.

Nevenstaande figuur heeft betrekking op de wederzijdse invloed van prooidieren en predatoren op elkaar. (+ = vergroting, - = verkleining van de populatiegrootte).

Wat moet er in vakje 3 worden ingevuld?

afbeeldingafbeelding

Accumulatie van Radioactief Element in Vis

Accumulatie.
Zie figuur B 5233 van de bijlage.

De grafieklijnen in de afbeelding hiernaast laten de accumulatie zien van een radioactief element in verschillende delen van een vis die voorkomt in water dat met dit element verontreinigd is.

Uit de grafiek blijkt dat de vis de grootste hoeveelheid van dit element opneemt via .

afbeeldingafbeelding

Milieufactoren en soorthandhaving

Milieufactoren.

Voor twee soorten I en II wordt de waarde van een aantal milieufactoren in een levensgemeenschap bepaald.

Voor soort I blijkt dat alle milieufactoren tussen het minimum en maximum liggen, maar geen enkele factor ligt in het optimum.
Voor soort II liggen alle factoren op één na in het optimum. Deze ene factor stijgt op een gegeven moment boven het maximum.

Voor deze twee organismen geldt dan

Populatieontwikkeling van strandkrabben

Strandkrabben.
Zie de figuren B 5234 en B 5235 van de bijlage.

In eenzelfde gebied heeft men in de jaren 1962, 1964 en 1965 op telkens dezelfde manier een monster genomen uit de aanwezige populatie strandkrabben (zie figuur 1). De samenstelling van elk monster is onderzocht naar jaarklassen, daarvan is het resultaat in nevenstaande diagrammen (zie figuur 2) weergegeven.

Wat kan men uit de zo ontstane piramiden met betrekking tot deze drie jaren concluderen?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Begrippen over Ecosystemen Invullen

Ecosysteem.
Zie figuur B 5236 van de bijlage.

Nevenstaande figuur heeft betrekking op een ecosysteem.

Zet de begrippen in de rechter kolom bij de juiste nummers in de linker kolom.

afbeeldingafbeelding
  • totale biomassa

  • bruto productie

  • ademhaling van de totale gemeenschap

  • netto productie

  • 1

  • 2

  • 3

  • 4

Netto Reproductiefactor in Biologisch Evenwicht

Netto reproductie factor.
Zie figuur B 5237 van de bijlage.

Gedurende een bepaald groot aantal jaren zal de netto reproductie factor (NRF) in een gebied waarin biologisch evenwicht heerst, eruit zien als in nevenstaand diagram .

afbeeldingafbeelding

Stabiliteit van een climaxstadium in bossen

Climaxstadium.

De biologische factor die het belangrijkste is voor de stabiliteit van een climaxstadium als een gemengd loofbos is

Zonering van Fotosynthetiserende Bacteriën

Cyanobacteriën.

In waterecosystemen (zoet en zout water) vinden we in de zones waar nog licht doordringt, cyanobacteriën in de bovenste laag en purper- en groenbacteriën in de onderste laag.

Welke uitspraak geeft de beste verklaring voor deze verticale zonering van fotosynthetiserende bacteriën?

Successie op het Palmereiland bij Dubai

Palmeiland bij Dubai.
Zie figuur B 5240 van de bijlage.

De bodem van kustgebieden is rijk aan organisch materiaal. Voor de kust van Dubai is een eiland in de vorm van een palmboom aangelegd. Het benodigde materiaal wordt gehaald uit gebieden voor de kust.

Welke vorm van successie zal er optreden op zo'n eiland zonder verdere menselijke ingrepen?

successie

afbeeldingafbeelding

Extremofiele bacteriën en hun groeipatronen

Extremofiele bacteriën.
Zie de figuren B 5241, B 5229 en B 5242 van de bijlage.

De meeste bacteriën (mesofielen) kunnen niet tegen extreme omstandigheden, maar extremofiele soorten kunnen tegen b.v. hoge zoutconcentratie, een hoge druk of een hoge temperatuur, zoals te zien in de afbeeldingen 1, 2 en 3.

Zet de groeipatronen A t/m F in de rechter kolom bij het juiste type bacterie in de linker kolom.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding
  • D

  • E

  • F

  • B

  • C

  • A

  • barofiel (bestand tegen hoge druk)

  • mesofiel

  • thermofiel (bestand tegen hoge temperatuur)

  • halofiel (bestand tegen veel zout)

  • psychrofiel (bestand tegen lage temperatuur)

  • thermofiel en halofiel tegelijk

Trofische niveaus en energieoverdracht

Trofische niveaus.
Zie figuur A 1168 van de bijlage.

In de afbeelding hiernaast worden trofische niveaus aangegeven met nummers.

Zet de nummers in de rechter kolom bij de juiste begrippen in de linker kolom.

afbeeldingafbeelding
  • 3

  • 4

  • 2

  • 5

  • 7

  • 6

  • energie die vrijkomt bij celademhaling

  • consumenten van de 2e orde

  • consumenten van de 3e orde

  • energie in afval

  • producenten

  • consumenten van de 1e orde

Piramiden van aantallen en voedselketens

Piramiden van aantallen.
Zie figuur B 5243 van de bijlage.

Hiernaast zie je vier piramiden van aantallen.

Welke hoort bij de keten plant ® bladluis ® lieveheersbeestje?

Piramide

afbeeldingafbeelding

Maatregelen voor haringpopulatie in de Noordzee

Haringen.

Het aantal haringen in de Noordzee neemt af.

Welke van de volgende maatregelen levert geen toename van de haringpopulatie op?