Gedrag
1/12 Gedrag uit genen.
GEDRAG UIT GENEN.
Niet alleen ziekte, ook karakter hangt samen met het erfelijk materiaal van de mens. Intelligentie en vrouwelijk gedrag bijvoorbeeld, blijken in hoge mate genetisch bepaald. Dat betekent niet dat de omgeving onbelangrijk is geworden.
De vraag of gedragsverschillen tussen jongens en meisjes zijn aangeboren of aangeleerd - nature of nurture - is jarenlang een onderwerp van verhitte discussies geweest. Vorige week kreeg het debat een nieuwe impuls.
Een Brits onderzoek onder tachtig vrouwen met het syndroom van Turner toonde aan dat meisjes hun taalvaardigheid en sociale gedrag van hun vader erven.
'Turner'-vrouwen zijn voor biologisch onderzoek interessant. Zij hebben maar één X-chromosoom, in tegenstelling tot normale vrouwen die twee van die chromosomen dragen. De normale vrouwen krijgen een X-chromosoom van hun moeder en een van hun vader. Mannen hebben een X- en een Y-chromosoom. Zij krijgen het X-chromosoom altijd van hun moeder; hun vader draagt het Y-chromosoom over.
Het Britse onderzoek stelde bij de Turner-vrouwen individueel vast van wie hun X-chromosoom kwam: van de vader of van de moeder. De onderzoekers kwamen tot de opmerkelijke conclusie dat het vaderlijke X-chromosoom verantwoordelijk is voor wat wel 'vrouwelijke eigenschappen' worden genoemd.
Fysiologisch psycholoog prof. dr. Jacob Orlebeke van de Vrije Universiteit Amsterdam is lyrisch over dit onderzoek. "Het is zo simpel en ligt zo voor de hand, dat ik me afvraag waarom ik het niet zelf heb bedacht.
Het is een heel nieuwe manier van denken. Dit onderzoek bewijst allereerst genomic imprinting: sommige genen onthouden van wie ze afkomstig zijn. De vader krijgt zijn X-chromosoom altijd van zijn moeder. Het X-chromosoom swingt dus van de man naar de vrouw en weer terug en laat al dan niet zijn eigenschappen gelden."
Orlebeke doet al jaren onderzoek naar de invloed van erfelijkheid versus omgevingsfactoren. Sinds 1987 bezit de VU een eigen tweelingenregister dat voor deze research wordt gebruikt. De tweelingen worden opgespoord via de babyfelicitatiedienst; het bestand van de VU bevat zeventienduizend paren. De ouders krijgen om de twee jaar een vragenlijst voorgelegd.
"Tweelingen zijn bijzonder geschikt voor onderzoek naar de invloeden van genen en omgeving. Eeneiige tweelingen zijn immers voor 100 procent genetisch identiek en twee-eiige voor 50 procent. Het is bij tweelingen dus mogelijk de invloeden van genen en omgeving uit elkaar te halen, bijvoorbeeld door eeneiige tweelingen die opgroeien in een gezin, te vergelijken met eeneiige tweelingen die in verschillende gezinnen
groot worden. Een andere methode is adoptiekinderen vergelijken met eigen nakomelingen. Geen gemeenschappelijke genen, wel dezelfde omgeving."
Deze manier van onderzoek wordt gedragsgenetica genoemd. Aan de andere kant staat de moleculaire genetica. Deze wetenschap zoekt op het niveau van het DNA naar de invloed van erfelijkheid. Het onderzoek onder de Turner-vrouwen is geheel volgens de regels van de moleculaire genetica verricht: per vrouw werd uitgezocht van wie haar X-chromosoom afkomstig was.
Orlebeke: "Op de chromosomen liggen de genen. Ze bestaan uit paren: een is afkomstig van de moeder en een van de vader. Een gen kan anders uitwerken als het van de moeder of van de vader afkomstig is.
Sommige genen lijken aangeschakeld (actief) en andere uitgeschakeld (slapend), afhankelijk of ze van de vader of de moeder komen. Dat wordt duidelijk bij een bepaalde vorm van genetisch veroorzaakte zwakzinnigheid. Bij het Angelman-syndroom is het gen uitgeschakeld bij de vader, waardoor het kind de ziekte alleen via de moeder erft. Angelman uit zich in stijve bewegingen en spraakstoornissen. Maar het gen dat verantwoordelijk is voor het Prader-Willi-syndroom is uitgeschakeld bij de moeder. Het kind erft het via de vader. Prader-Willi is een vorm van zwakzinnigheid die zich kenmerkt door oncontroleerbaar veel eten en daardoor overgewicht en een onderontwikkelde seksualiteit.
Zie volgende scherm