Oefentoets Biologie: Immuniteit - algemeen | VWO 1/VWO 2/VWO 3

Deze oefentoets bevat 27 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

27

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Immuniteit

Bacteriën.

Men heeft een zeer kleine hoeveelheid bacteriën geïsoleerd van een soort die bij koeien een bepaalde ziekte verwekt. De beschikbare bacteriën worden in enkele gezonde koeien geïnjecteerd.

Hieronder zijn de vier handelingen vermeld.

1. Uit de geïnfecteerde koeien worden antistoffen tegen de bacterie geïsoleerd.
2. Uit de geïnfecteerde koeien worden bacteriën geïsoleerd en kunstmatig verzwakt.
3. Antistoffen tegen deze bacterie worden in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.
4. Een geringe dosis van de verzwakte bacteriën wordt in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.

Welke van bovengenoemde handelingen moet men uitvoeren en in welke volgorde om een groot aantal koeien actief te immuniseren tegen deze ziekte?

Immuniteit

Actieve immuniteit.

Actieve immuniteit wil zeggen dat de patiënt

Immuniteit

Immuun.

Wanneer iemand immuun is voor een door een bacterie veroorzaakte infectieziekte, wil dat zeggen dat deze persoon

Immuniteit

HIV-virussen in het bloed.

De ziekte AIDS wordt veroorzaakt door de zogenoemde HIV-virussen. Deze HIV-virussen vernietigen bepaalde bloedbestanddelen. Aidspatiënten zijn zeer gevoelig voor infecties waar gezonde mensen niet gauw last van hebben, zoals longontsteking, schimmelinfecties in
de luchtwegen, ed.

Welke bloedbestanddelen worden op grond van bovenstaande gegevens waarschijnlijk vernietigd door de HIV-virussen?
Welke rol spelen deze bloedbestanddelen normaal in de bescherming tegen infecties bij gezonde mensen?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

Aids.

Aids is een ziekte waarbij het immuunsysteem door een virus wordt aangetast. Er bestaat een aidstest, waarmee men in het bloedserum antistoffen tegen het aidsvirus (HIV) kan aantonen. Treft men deze antistoffen aan, dan is de geteste persoon HIV-seropositief.
Een persoon P die nooit een bloedtransfusie heeft gehad, wordt onderzocht op de aanwezigheid van deze antistoffen. Hij blijkt HIV-seropositief te zijn.
Over de bij persoon p aangetroffen antistoffen worden de volgende beweringen gedaan:

1. Dit zijn stoffen die bij de besmetting tegelijk met het aidsvirus (HIV) het lichaam van persoon p zijn binnengedrongen.
2. Dit zijn stoffen die als reactie op het binnengedrongen aidsvirus (HIV) door het lichaam van persoon p zijn gemaakt.
3. Dit zijn stoffen die uit de aidsvirussen (HIV) zijn vrijgekomen toen witte bloedcellen van persoon p deze virussen afbraken.
4. Dit zijn stoffen die zich altijd op de buitenkant van een aidsvirus (HIV) bevinden.

Welke van deze beweringen is juist?

Immuniteit

Immuun.

Piet heeft de bof gehad. Hij is nu immuun voor deze ziekte.

Deze immuniteit wordt veroorzaakt door de aanwezigheid in het bloed van

Immuniteit

Infectieziekten.

Van een aantal infectieziekten kan het volgende worden gesteld:

1. de ziekteverwekker stimuleert de antistofproductie.
2. de ziekteverwekker komt veel voor onder de bevolking.
3. eenmaal verkregen immuniteit blijft levenslang.

Indien een infectieziekte een typische kinderziekte is (bijv. mazelen), gelden van de bovengenoemde stellingen:

Immuniteit

Gemeenschappelijke functie.

Bij de mens hebben de opperhuid, antistoffen en witte bloedcellen één functie gemeenschappelijk.

Welke functie hebben ze gemeenschappelijk?

Immuniteit

Antistoffen.

Beschermen antistoffen in het lichaam van de mens tegen bacteriën of tegen de kou?
Komen antistoffen voor in het bloedplasma?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

Passieve immuniteit.

Passieve immuniteit wil zeggen dat de patiënt

Immuniteit

2/3 Infecties met bacteriën.

Welke bloeddeeltjes nemen bij een infectie met bacteriën sterk in aantal toe?

Immuniteit

Immuniteit.

De mens kan immuun zijn tegen een ziekte door de aanwezigheid van een bepaalde stof.

Wat voor stof is dit?

Immuniteit

Penicilline.

Hoe komt het dat je een bacterie-infectie met een penicillinekuur kunt bestrijden en een virusinfectie niet?

Immuniteit

Antibiotica door toeval ontdekt?

Ziekteverwekkers (1. [invulveld]) bij mens en dier kunnen bestreden worden met antibiotica. Dit zijn stoffen die door micro-organismen (2. [invulveld]) gevormd worden en die andere micro-organismen (3. [invulveld]) doden of in hun groei remmen. Ziekten die vroeger dodelijk waren zijn nu te genezen, dankzij deze stoffen.
Een Engelse onderzoeker (4. [invulveld])(1881-1955) heeft een belangrijke bijdrage aan het onderzoek naar antibiotica geleverd door toevallig de stof (5. [invulveld]) te ontdekken.

Vul de woorden van de nummers 1 t/m 5 uit de tekst in.

Immuniteit

Bacteriën.

Hoe kan men bacteriën gebruiken om medicijnen te maken?

Ziekten

1/7 Aspirine.
ASPIRINE OOK TER PREVENTIE VAN EEN EERSTE HARTINFARCT.

Een kinderaspirientje per dag is al vele jaren een heel gebruikelijk middel om een tweede hartinfarct te voorkomen. Of deze aanpak ook bruikbaar is ter preventie van een eerste hartinfarct, is tot nu toe omstreden.
Er zijn aanwijzingen dat de preventieve toediening van aspirine de kans op een hersenbloeding statistisch gezien iets verhoogt.

In The Lancet (24 januari 1998) vergelijken Britse onderzoekers het effect van dagelijks een lage dosis aspirine (75 milligram acetylsalicylzuur) met een dosis warfarine (rond 4 milligram) bij 5500 mannen met een hoog risico op een hartinfarct (te dik, hoge bloeddruk, hoog cholesterol, familiaal belast). Een kwart van deze mannen kreeg een combinatie van beide preparaten en nog een ander kwart een placebo.

Aspirine en warfarine (een cumarinederivaat) verlagen op verschillende wijze de stollingsneiging van het bloed en daarmee de kans op vaatafsluitingen en een eventueel hartinfarct. Uit het Britse onderzoek blijkt dat zowel aspirine als warfarine 20% van de hartinfarcten voorkomen, vergeleken met een placebo. De combinatie aspirine/warfarine werkt nog beter (35% reductie) maar dat gaat ten koste van de veiligheid: er kwamen in deze groep beduidend vaker fatale hersenbloedingen voor.

In een commentaar in The Lancet concludeert de Nijmeegse hoogleraar Freek Verheugt dat het veel goedkopere aspirine net zo goed tegen een hartinfarct beschermt als warfarine. Betekent dit nu dat aspirine aan iedereen moet worden aanbevolen ter preventie van een hartinfarct? Verheugt vindt van niet. De kans op een hartinfarct is bij mensen met weinig risicofactoren minder dan een 0,5% per jaar. In dergelijke gevallen zal het slikken van aspirine een nauwelijks merkbaar effect hebben, terwijl dit middel, zoals bekend, maagklachten en zelfs maagbloedingen kan veroorzaken. Al is het risico op een hersenbloeding door aspirine (als gevolg van de verlaagde stollingsneiging) bij gezonde mannen niet erg groot, toch blijkt uit het Britse onderzoek dat er voor iedere drie met aspirine voorkomen hartinfarcten een invaliderende hersenbloeding optreedt. Alleen mensen met een duidelijk verhoogd risico op een hartinfarct doen er goed aan elke dag een lage dosis aspirine te slikken, bijvoorbeeld in de vorm van acetylsalicylzuur-cardio.

Tot slot wijst Verheugt er ook nog op dat bovenstaande conclusies niet zonder meer gelden voor vrouwen: onder hen is nog steeds geen grootschalig onderzoek naar het nut van aspirine ter voorkoming van hartinfarcten afgerond. Het wachten is op de resultaten van de Amerikaanse Women's Health Study, waarvoor 40.000 gezonde vrouwen van middelbare leeftijd zijn gerekruteerd.

(NRC-Handelsblad, 7 februari 1998).

Zie volgende scherm


-

Immuniteit

Menskunde.

Welke zin of zinnen zijn juist?

Immuniteit

Antistoffen in moedermelk.

Een pasgeboren baby krijgt antistoffen binnen via de moedermelk, zodat hij beschermd is tegen ziekten.

Hoe noemt men dat verschijnsel?

Immuniteit

De bof.

Emil heeft de bof gehad. Nadat hij hersteld is, is hij immuun voor de bof.

- Leg uit wat dat betekent en hoe die immuniteit ontstaat.
- Leg ook uit waarom hij niet immuun is voor de mazelen.

Immuniteit

Antistoffen.

In de volgende gevallen worden bij de mens weefsels overgebracht:

1. Bij een harttransplantatie.
2. Bij een transfusie waarbij iemand met bloedgroep AB zonder resusantigeen voor de eerste keer bloed krijgt van iemand met bloedgroep AB met resusantigeen.
3. Bij een bypassoperatie, waarbij een stukje bloedvat uit een been van een patiënt wordt overgebracht naar zijn hart.

In welk geval of in welke van deze gevallen is op grond van de vermelde gegevens te verwachten dat antistoffen tegen het overgebrachte weefsel of tegen de overgebrachte cellen zullen worden geproduceerd?

Immuniteit

Plasmaferese.

Is de toediening van antistoffen actieve of passieve immunisatie? Leg je antwoord uit.

Immuniteit

1/5 Orgaantransplantatie.
ORGAANTRANSPLANTATIE

Hart
Een patiënt komt in aanmerking voor een harttransplantatie als er sprake is van een chronisch hartfalen, waarbij de levensverwachting kleiner is dan één jaar en andere behandelingen niet (meer) mogelijk zijn.
Bij een harttransplantatie is een snelle transplantatie is van essentieel belang. Het hart is vier tot acht uur buiten het lichaam houdbaar, maar hoe sneller de operatie, hoe groter de kans op succes.
Het hart is het eerste orgaan dat uit een donor wordt genomen. Harttransplantatie geldt niet als de moeilijkste van alle orgaantransplantaties. Een operatie duurt gemiddeld zo'n drie tot vier uur. Een bijkomend nadeel is dat in verband met de geboden snelheid donor en ontvanger op bloedgroep op elkaar worden afgestemd. Afstemming op weefseltypering is in verband met de tijdsdruk niet mogelijk. Gevolg is dat in 5 tot 15 procent van de transplantaties het donorhart niet goed op gang komt.
De overlevingskans voor een persoon met een donorhart ligt op ruim 90 procent na één jaar; 84 procent leeft na vijf jaar nog.

Lever
De lever heeft verschillende functies, stoornissen hieraan kunnen aanleiding zijn tot transplantatie. Als een van de twee leverfuncties niet goed werkt, betekent het nog niet dat automatisch tot transplantatie wordt besloten. Er mag niets mis zijn met het hart en de longen van de patiënt.
De leverziekte dient ook zó ernstig te zijn dat andere behandelingen geen nut meer hebben. Een leveraandoening wordt meestal veroorzaakt door een erfelijke ziekte, een virusinfectie, medicijngebruik of overmatig alcoholgebruik. In het laatste geval is de aandoening vaak te behandelen met medicijnen en door te stoppen met drinken. Soms is transplantatie noodzakelijk, maar alcoholisten komen daarvoor in beginsel pas in aanmerking wanneer zij minimaal zes maanden ‘droog staan'.
De levertransplantatie is wellicht de moeilijkste van alle orgaantransplantaties. Veel patiënten verkeren ten tijde van de operatie in een slechte conditie door een gebrek aan eiwitten. De operatie duurt zeven tot acht uur. Er is ook haast geboden bij een transplantatie: tussen het moment van uitname en transplantatie mag maximaal twaalf uur zitten. Ook hier geldt: hoe sneller, hoe beter.
Afstoting bij levertransplantaties is een reële kans. Zo'n 30 tot 40 procent van de patiënten heeft te maken met acute afstotingsverschijnselen (tussen 7 en 21 dagen na de transplantatie). De kans op overleving is ongeveer 85 procent na één jaar en 50 procent na vijf jaar.

Uit: http://www.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Orgaandonatie/weefsels.html

Zie volgende scherm

Immuniteit

2/5 Orgaantransplantatie.

Tegen welk type stoffen wordt een afweerreactie opgeroepen?

Immuniteit

3/5 Orgaantransplantatie.

Voorafgaande aan de afstoting vindt antigeenpresentatie plaats.

Waar wordt het gepresenteerde antigeen vandaan gehaald?

Immuniteit

4/5 Orgaantransplantatie.

Waarom is het zo moeilijk om een ontvanger te vinden met dezelfde weefseltypering (weefselgroep) als die van het donororgaan?

Immuniteit

5/5 Orgaantransplantatie.

Welk type cellen zal het vreemde orgaan als eerste ‘opmerken'?

Immuniteit

Bron van viezigheid.

Volgens sommigen leidt een beetje viezigheid tot meer weerstand.

Leg uit hoe dat dan in zijn werk gaat.