Oefentoets Biologie: Dna-rna - eiwitsynthese | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 5

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/2 De celcyclus.
Zie figuur B 1244 van de bijlage.

De onderzoeker gebruikt gesynchroniseerde cellen. Dat zijn cellen die alle in dezelfde fase van de celcyclus verkeren.
Gedurende de S-fase van een bepaalde celcyclus wordt gelabeld DNA gevormd. Tijdens de M-fase van dezelfde celcyclus met een mitotische deling wordt het DNA verdeeld over de twee dochterkernen. Over deze dochterkernen, die in de G1-fase zijn, worden drie
beweringen gedaan:

1. Alle chromosomen in beide dochterkernen bevatten gelabeld DNA.
2. Een dochterkern bevat gelabeld DNA, de andere dochterkern bevat geen gelabeld DNA.
3. Van de chromosomen in elke dochterkern bevat de helft gelabeld DNA.
4. Van de chromosomen in iedere dochterkern bevat een aantal gelabeld DNA; hoe groot dat aantal is, hangt af van hoe de chromosomen bij de mitose zijn verdeeld.

Welke van deze beweringen is juist?

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/2 Celdelingen.
Zie figuur B 1322 van de bijlage.

In een experiment werden in vitro gekweekte plantencellen in een medium met radioactief gelabeld thymine (T*) gebracht. Alle cellen bevonden zich in hetzelfde stadium van de celcyclus en deelden zich niet. Na enige tijd begonnen de kernen van deze cellen zich mitotisch te delen (deling 1). In de metafase van deze deling waren beide chromatiden van elk chromosoom radioactief.
De dochtercellen die door deling 1 waren ontstaan, werden direct na de deling in een medium zonder radioactief gelabelde stoffen gebracht. De kernen van deze dochtercellen gingen zich vervolgens mitotisch delen (deling 2). In de metafase van deling 2 bleek slechts éénvan beide chromatiden van elk chromosoom radioactief te zijn.
In de afbeelding is schematisch een celcyclus weergegeven.

Leg uit in welk stadium van de celcyclus de plantencellen zich hebben bevonden op het moment dat ze in het medium met radioactief gelabeld thymine (T*) werden gebracht. Baseer je uitleg op de in de tekst beschreven gebeurtenissen.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/2 Celdelingen.
Zie figuur B 1322 van de bijlage.

Na deling 2 maakt elk van de dochtercellen nog een celcyclus door in het medium zonder radioactief gelabelde stoffen. Tijdens het onderzoek bleek dat in één van de cellen in de metafase van de hierop volgende deling 3 geen radioactieve chromatiden aanwezig waren.

Leg uit hoe het mogelijk is dat in de metafase van deling 3 in één van deze cellen geen radioactieve chromatiden aanwezig waren.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/2 Codes in mRNA.
Zie figuur A 268 van de bijlage.

DNA bestaat uit twee strengen. mRNA wordt gevormd door middel van base-paring met een deel van een van deze strengen. In dat geval heet dit deel van het DNA de 'template' streng.
Het tegenoverliggende (complementaire) deel van de andere streng wordt de 'coderende' streng genoemd.

In de tabel van figuur A 268 zijn de codes van de tripletten in het mRNA voor 20 aminozuren weergegeven.
Een bepaald eiwit bevat onder andere de aminozuren valine en methionine. Met behulp van de tabel zijn alle codes af te leiden die in de coderende streng van DNA voor het aminozuur valine mogelijk zijn.

Noem al die codes.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/2 Codes in mRNA.
Zie figuur A 268 van de bijlage.

Door een mutatie wordt de middelste base in het triplet dat in het RNA het aminozuur methionine codeert, vervangen door één van de andere basen die in RNA voorkomen.

Voor welk aminozuur of voor welke aminozuren kan het triplet dat zo ontstaat, coderen?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/2 Codes in mRNA.
Zie figuur A 268 van de bijlage.

DNA bestaat uit twee strengen. mRNA wordt gevormd door middel van base-paring met een deel van een van deze strengen. In dat geval heet dit deel van het DNA de 'template' streng. Het tegenoverliggende (complementaire) deel van de andere streng wordt de 'coderende' streng genoemd.

In de tabel van figuur A 268 zijn de codes van de tripletten in het mRNA voor 20 aminozuren weergegeven.
Een bepaald eiwit bevat onder andere het aminozuur arginine. Met behulp van de tabel zijn alle codes af te leiden die in de coderende streng van DNA voor het aminozuur arginine mogelijk zijn.

Noem al die codes.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/2 Codes in mRNA.
Zie figuur A 268 van de bijlage.

In een aantal gevallen levert één enkele base-mutatie in het DNA bij het omzetten in een mRNA een stopcodon op.

Geef alle oorspronkelijke DNA-codes en hun mutatie die zo'n stopcodon opleveren.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/2 Coderen.
Zie figuur A 268 van de bijlage.

Het volgende stuk van een DNA-molecuul bevat, van links naar rechts gelezen, de informatie voor het eerste deel van een bepaald polypeptide:

afbeeldingafbeelding

Geef de juiste volledige basenvolgorde van links naar rechts van het m-RNA dat gebruikt wordt bij de synthese van dit eerste deel van dit polypeptide.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/2 Coderen.
Zie figuur A 268 van de bijlage.

Geef de symbolen van de aminozuren waaruit dit eerste deel dit polypeptide bestaat in de juiste volgorde.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/4 Coderen.
Zie figuur A 268 van de bijlage.

Bij het onderzoek naar de aantallen nucleotiden in de codons voor aminozuren is gebruik gemaakt van kunstmatig samengesteld RNA. Dit kunstmatige RNA bevat afwisselend de basen A en C.

Beschrijf de aminozuurvolgorde van het polypeptide dat met behulp van dit kunstmatig RNA kan worden gemaakt.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/4 Coderen.
Zie figuur A 268 van de bijlage.

Stel dat een codon zou bestaan uit vier nucleotiden.

Geef de codons weer die het onderzoek met dit kunstmatige RNA dan oplevert.

De codons [invulveld] en [invulveld]

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

3/4 Coderen.
Zie figuur A 268 van de bijlage.

Noem het aantal verschillende polypeptiden dat in dat geval ontstaat.

Er ontstaan [invulveld] polypeptiden.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

4/4 Coderen.
Zie figuur A 268 van de bijlage.

Noem het aantal verschillende soorten aminozuren dat een gevormd polypeptide dan bevat.

Het bestaat uit [invulveld] aminozuur/zuren.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/3 Eiwitsynthese.
Zie figuur A 268 van de bijlage.

Gegeven de volgende DNA-strengen:

TAC - CGA - AAT - CGG - AGC - ATC
ATG - GCT - TTA - GCC - TCG - TAG

De onderste streng is de coderende streng.

Bepaal het mRNA dat uit dit stukje DNA wordt overgeschreven.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/3 Eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Bepaal nu met behulp van de codetabel de verschillende aminozuren die hierdoor op volgorde worden gezet.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

3/3 Eiwitsynthese.

Is er sprake van een volledig eiwitmolecuul? Verklaar je antwoord.

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/5 Ontsporende eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Gegeven het volgende stuk DNA, dat een onderdeel vormt van een groter stuk DNA dat zich zowel aan de linkse als de rechtse zijde van het gegeven stuk uitstrekt.

ATG - AAG - AAT - CGC - GGA - TCT
TAC - TTC - TTA - GCG - CCT - AGA

De bovenste streng is de coderende streng.

Aan de hand van het gegeven stuk wordt een stuk mRNA gemaakt.

Geef het mRNA weer dat aan de hand van dit DNA wordt gevormd.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/5 Ontsporende eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Leid met het gegeven 'woordenboek' af welke aminozuren hierdoor achter elkaar worden gezet.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

3/5 Ontsporende eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Bij een bepaalde mutatie in het gegeven coderende DNA wordt de eerste G van links vervangen door een C.

Wat is hiervan de precieze consequentie voor de cel waarin deze mutatie optreedt?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

4/5 Ontsporende eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

In een andere cel treedt als mutatie op, het wegvallen van de derde A van links in het coderend DNA.

Wat is hiervan de precieze consequentie voor het DNA en voor de cel waarin deze mutatie optreedt?

afbeeldingafbeelding