Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
20
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 4
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Assimilatie_dissimilatie
2/2 Koolstofdioxide. Zie figuur A 878 van de bijlage.
Op de uitwerkbijlage staat een stuk grafiekpapier met een assenstelsel afgebeeld. Punt R geeft de hoeveelheid koolstofdioxide weer in pot Q aan het begin van het experiment.
Teken vanuit punt R een lijn die het verloop van de hoeveelheid koolstofdioxide in pot Q aangeeft tijdens het experiment. Gebruik het assenstelsel op de uitwerkbijlage.
afbeelding
Assimilatie_dissimilatie
1/4 Een paardenbloem. Zie figuur B 1535 van de bijlage.
In de afbeelding is een paardenbloem weergegeven. Twee processen in een paardenbloem, 's morgens rond elf uur in de maand mei, zijn:
1. glucose maken uit andere stoffen, 2. andere stoffen maken uit glucose.
Ontstaat bij één van deze processen zuurstof?
afbeelding
Assimilatie_dissimilatie
2/4 Een paardenbloem.
Welke van de volgende beweringen over de fotosynthese en de verbranding in deze paardenbloem is of welke zijn juist?
1. De paardenbloem produceert in het zonlicht meer koolstofdioxide dan zij zelf verbruikt. 2. De paardenbloem produceert in het zonlicht minder zuurstof dan zij zelf verbruikt.
Assimilatie_dissimilatie
3/4 Een paardenbloem.
Welke van de volgende beweringen over glucose in een blad van een paardenbloem, om 11 uur 's morgens, is of zijn juist?
I. Glucose wordt gevormd uit anorganische stoffen. II. Glucose wordt omgezet in anorganische stoffen.
Assimilatie_dissimilatie
4/4 Een paardenbloem.
In glucose komt onder andere het element koolstof voor.
Waar haalt de paardenbloem deze koolstof vandaan?
Assimilatie_dissimilatie
Pantoffeldiertje. Zie figuur B 3539 van de bijlage.
Het komt voor dat in bepaalde organismen andere organismen leven. In sommige eencellige diertjes zoals het pantoffeldiertje (zie de afbeelding), kunnen bijvoorbeeld groenwiertjes voorkomen. Deze wiertjes bezitten bladgroen en onttrekken bepaalde stoffen (1) aan het pantoffeldiertje. De wiertjes gebruiken deze stoffen voor hun fotosynthese. Het pantoffeldiertje krijgt op zijn beurt bepaalde stoffen (2) van de wiertjes.
Antwoord met juist of onjuist. In het groenwiertje wordt energie vrijgemaakt door verbranding. [invulveld]
In het pantoffeldiertje wordt energie vrijgemaakt door verbranding. [invulveld]
Met de 'bepaalde stoffen (1)' , die in de tekst worden genoemd, worden water en zuurstof bedoeld. [invulveld]
Met de 'bepaalde stoffen (2)', die in de tekst worden genoemd, worden glucose en zuurstof bedoeld. [invulveld]
afbeelding
Assimilatie_dissimilatie
1/3 Petunia's. Zie figuur B 3324 van de bijlage.
Een petunia is een sierplant die vaak in tuinen en op balkons te zien is. Een onderzoekster doet een kruisingsexperiment met petuniaplanten. Ze heeft hierbij planten met normaal groene bladeren tot haar beschikking, maar ook planten met bleekgroene bladeren. De onderzoekster brengt stuifmeel van een normaal groene plant op stempels van dezelfde plant. Dit wordt zelfbestuiving genoemd. Onder de nakomelingen uit deze kruising komen zowel normaal groene als bleekgroene planten voor. Het valt de onderzoekster op, dat de normaal groene planten veel beter groeien dan de bleekgroene. Ze bekijkt bladcellen van beide typen planten door een microscoop. Ze ziet dat cellen van de bleekgroene bladeren veel minder bladgroenkorrels bevatten dan die van normaal groene bladeren.
In welk deel van een plantencel bevinden zich de bladgroenkorrels?
afbeelding
Assimilatie_dissimilatie
2/3 Petunia's.
Leg uit waardoor de planten met cellen met veel bladgroenkorrels beter groeien dan de planten met cellen met weinig bladgroenkorrels.
Assimilatie_dissimilatie
3/3 Petunia's.
Een petunia met normaal groene bladeren en één met bleekgroene bladeren worden naast elkaar voor het raam in de zon gezet.
Wordt in de genoemde bladcellen van deze twee planten zuurstof geproduceerd? En wordt in de genoemde bladcellen van deze twee planten koolstofdioxide geproduceerd?
In de genoemde bladcellen van normaal groene planten wel/geen [invulveld] productie van zuurstof. In de genoemde bladcellen van normaal groene planten wel/geen [invulveld] productie van koolstofdioxide. In de genoemde bladcellen van bleekgroene planten wel/geen [invulveld] productie van zuurstof. In de genoemde bladcellen van bleekgroene planten wel/geen [invulveld] productie van koolstofdioxide.
Assimilatie_dissimilatie
Plantenproef. Zie figuur B 2026 van de bijlage.
Een bepaalde kamerplant heeft lange bladeren waarin afwisselend groene en witte banen voorkomen (zie de afbeelding). Men zet nu één zo'n kamerplant 48 uur in het licht en een gelijk exemplaar 48 uur in het donker. Beide planten staan bij 20°C. Na deze 48 uur neemt men van beide planten een blad. Met een jodiumoplossing onderzoekt men beide bladeren op de aanwezigheid van zetmeel. Het blad uit het licht vertoont lichtbruine en blauwe banen, het blad uit het donker is geheel lichtbruin gekleurd.
Zie figuur B 2027 van de bijlage.
Dit resultaat is in de afbeelding B 2027 weergegeven.
Enkele leerlingen die deze proef hebben gezien, schrijven hun conclusie uit deze proef op. De conclusies zijn (antwoord met juist of onjuist):
1. Voor de vorming van zetmeel is bladgroen nodig. [invulveld]
2. Voor de vorming van zetmeel is licht nodig. [invulveld]
3. In het licht is zuurstof geproduceerd in de witte delen van het blad. [invulveld]
afbeeldingafbeelding
Assimilatie_dissimilatie
Plantenproef.
In een afgesloten, met lucht gevulde ruimte staat een plant. Deze plant beschikt in voldoende mate over koolstofdioxide water en zuurstof. Na enige tijd blijkt de plant meer glucose en zetmeel te bevatten dan daarvoor.
Antwoord met juist of onjuist.
1. In de afgesloten ruimte is de hoeveelheid koolstofdioxide zeker ook toegenomen. [invulveld]
2. In de afgesloten ruimte is de hoeveelheid water zeker ook toegenomen. [invulveld]
3. In de afgesloten ruimte is de hoeveelheid zuurstof zeker ook toegenomen. [invulveld]
Assimilatie_dissimilatie
1/2 Proefopstelling. Zie figuur C 189 van de bijlage.
Bij een proef in een klaslokaal vullen de leerlingen een aquarium met water. Vervolgens zetten ze een waterpestplantje en twee visjes in het water. Boven de opstelling hangt een grote lamp. De leerlingen bepalen regelmatig hoeveel gram koolstofdioxide er aanwezig is per liter water. Ze zetten de resultaten van de metingen uit in een diagram. Zie de afbeelding.
Wat is de grootheid die op het stippellijntje bij de y-as van het diagram moet worden ingevuld? En wat is de eenheid? Doe het zo op je antwoordblad:
grootheid: eenheid:
afbeelding
Assimilatie_dissimilatie
2/2 Proefopstelling. Zie figuur C 189 van de bijlage.
Op dag 6 van de proef verandert de toename van het koolstofdioxidegehalte van het water in het aquarium door een verandering in de proefopstelling (zie het diagram in de afbeelding). Er is geen koolstofdioxide aan het water toegevoegd.
Noem drie veranderingen in de proefopstelling die direct de oorzaak kunnen zijn van de verandering van de toename van het koolstofdioxidegehalte.
afbeelding
Assimilatie_dissimilatie
1/2 Een schema.
In het schema van de afbeelding staan enkele processen in planten schematisch weergegeven. afbeelding
Welk van de stoffen P, Q, R is zetmeel?
Assimilatie_dissimilatie
2/2 Een schema.
afbeelding
Welk van de stoffen Q, R, S is suiker?
Assimilatie_dissimilatie
1/2 Een schema.
In het schema hieronder staan enkele processen in planten schematisch weergegeven. afbeelding
Welke stof is P?
Assimilatie_dissimilatie
2/2 Een schema.
afbeelding Welke stof is Q?
Assimilatie_dissimilatie
1/2 Stofwisselingsprocessen. Zie figuur B 1922 van de bijlage.
In de afbeelding geven de twee schema's bepaalde processen bij organismen weer.
Kan proces 1 voorkomen in een organisme met bladgroen? En proces 2?
afbeelding
Assimilatie_dissimilatie
2/2 Stofwisselingsprocessen. Zie figuur B 1922 van de bijlage.
Is proces 1 verbranding? En proces 2?
afbeelding
Assimilatie_dissimilatie
1/2 Vissen in een aquarium.
Piet doet een proef met een aquarium. In dit aquarium zwemmen drie vissen. In het eerste uur staat het aquarium in het donker. Er bevinden zich ook twee takjes waterpest (een waterplant met bladgroen) in het aquarium. Elk kwartier wordt het zuurstofgehalte van het water bepaald.
Zie figuur C 126 van de bijlage.
Welk van de afgebeelde diagrammen kan het verloop van het zuurstofgehalte in het eerste uur (in het donker) juist weergeven?