Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | HAVO 3/HAVO 4/HAVO 5 - variant 9

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 3, HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag bij dieren

3/4 De 'oren' van een honingbij.
Zie figuur B 4672 en figuur B 4673 van de bijlage.

Vervolgens probeerden de onderzoekers ‘de oren' van de bijen te lokaliseren.
Ze formuleerden de hypothese dat de zintuigcellen die gevoelig zijn voor geluid, zich òf in de haarvormige zintuigen op de kop (P) òf in de antennes (Q) zouden bevinden (zie de afbeelding B 4672).
Om deze hypothese te toetsen werd gebruikgemaakt van een aantal bijen, waarbij steeds één variabele werd onderzocht.

Naast de normale bijen (1) beschikte men over bijen zonder haarvormige zintuigen op de kop (2), met slechts één antenne (3), of zonder beide antennes (4) (zie de afbeelding B 4673).

Over welke bijen diende men minimaal te beschikken om experimenten te kunnen uitvoeren waarbij bovenstaande hypothese kan worden getoetst?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

4/4 De 'oren' van een honingbij.

Stel dat men over ongetrainde bijen beschikt waarvan men, na bovenstaand experiment, zeker weet dat ze geen enkel geluid kunnen waarnemen. Dergelijke bijen worden in de vertakte buis geplaatst. Er wordt een geluid geproduceerd, terwijl er ook een voedselbron wordt aangeboden.

In hoeveel procent van de gevallen komen deze bijen bij de voedselbron uit?

Gedrag bij dieren

1/6 Pietje met een eigen liedje.

Mannetjeskanaries zingen met een duidelijk doel, vooral in het broedseizoen.
Jonge mannetjeskanaries die geïsoleerd van volwassen mannetjes opgroeien, ontwikkelen deze zang van nature. Maar jonge mannetjeskanaries kunnen ook een lied aanleren dat ze niet van nature zouden zingen. Onderzoekers leerden jonge mannetjes vanaf vijfentwintig dagen oud een lied. Dit gebeurde door een computer iedere twee uur een liedje te laten spelen dat in het natuurlijke kanarierepertoire niet voorkomt. De vogels waren in een geluiddichte kamer geboren en hadden alleen gezelschap van hun niet zingende moeders. Alle vogelgeluiden in de ruimte werden opgenomen en geanalyseerd.
Uit het onderzoek bleek dat zes van de tien mannelijke vogels na verloop van tijd het computerliedje gedeeltelijk konden zingen. Dat ze niet allemaal zongen, is niet vreemd, want in gevangenschap zingen niet alle mannetjes.
Opvallend was dat naarmate het broedseizoen en hun seksuele volwassenheid dichterbij kwamen, hun zang steeds meer in het traditionele liedje veranderde.
In de tekst wordt onderscheid gemaakt tussen het zingen van ‘traditionele' liedjes en liedjes die kanaries niet van nature zingen.

Leg met behulp van informatie uit de tekst uit of het zingen van het ‘traditionele' kanarielied aangeboren of aangeleerd is.

Gedrag bij dieren

2/6 Pietje met een eigen liedje.

Het zingen van de kanariemannetjes kan leiden tot agressief gedrag van soortgenoten.

Welke interne factor is naast het zingen een voorwaarde voor het ontstaan van dat agressieve gedrag?

Gedrag bij dieren

3/6 Pietje met een eigen liedje.

Het fluiten van het 'traditionele' liedje heeft naast het afbakenen van het territorium nog een andere functie.

Welke andere functie is dit?

Gedrag bij dieren

4/6 Pietje met een eigen liedje.

Jonge kanariemannetjes leerden het 'computerliedje' zingen.

Welk leerproces leidt tot het kunnen zingen van het computerliedje?

Gedrag bij dieren

5/6 Pietje met een eigen liedje.

In het onderzoek werd ook de zang van twee mannetjes met testosteronimplantaten gevolgd. De verandering van het zingen van het computerliedje naar het traditionele lied verliep bij hen sneller.

Leg uit waarom deze verandering bij de kanaries met testosteronimplantaten sneller verloopt dan bij de kanaries zonder deze implantaten.

Gedrag bij dieren

6/6 Pietje met een eigen liedje.

Uit het in de tekst beschreven onderzoek wordt niet duidelijk of het leren zingen van 'computerliedjes' in gevangenschap afhankelijk is van een bepaalde gevoelige periode.
Om dit te onderzoeken is een ander onderzoek gedaan.
In een kooi werden volwassen mannetjes geplaatst, die in een geluiddichte kamer met alleen hun moeders waren opgegroeid (= groep 1).
In een tweede kooi werden jonge vogels geplaatst, die ook in een geluiddichte kamer met alleen hun moeders waren opgegroeid(= groep 2). De jonge vogels floten nog niet.
Zodra de tweede groep begon te fluiten, werden aan beide groepen 'computerliedjes' aangeboden.

Welk resultaat van dit onderzoek zou als bewijs kunnen dienen, dat het zingen van 'computerliedjes' in gevangenschap afhankelijk is van een bepaalde gevoelige periode?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

Vlinders.

Bij vlinders komen geurstoffen of feromonen voor. Als een vrouwtjesvlinder zo'n feromoon verspreidt, komen mannetjes van haar soort van alle kanten aanvliegen

Geef de naam die in de gedragsleer wordt gebruikt voor een bepaald signaal zoals het feromoon, dat een bepaalde reactie bij de mannetjes opwekt. Dit noemt men een [invulveld]

Gedrag bij dieren

Ethogram.

Wat verstaan we onder een ethogram?

Gedrag bij dieren

Padden in gevecht.
Zie figuur B 5327 van de bijlage.

In de afbeelding hiernaast zijn twee padden in gevecht op de grens van hun territoria.

Wat kun je zeggen over de ontwikkeling van dit gevecht?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

Stekelbaarzen.

De invloed van een aantal factoren op het waaiergedrag van stekelbaarzen wordt onderzocht.
De volgende experimenten worden uitgevoerd:

1. het nest zonder legsel wordt doorstroomd met CO2 -rijk water;
2. het nest met legsel wordt doorstroomd met CO2 -rijk water;
3. het nest zonder legsel wordt doorstroomd met vers water;
4. het nest met legsel wordt doorstroomd met vers water.

Van welke experimenten moeten de resultaten met elkaar worden vergeleken om na te gaan of de aanwezigheid van legsel het waaiergedrag beïnvloedt?

Gedrag bij dieren

Judit Pólgar.
Zie figuur B 5342 van de bijlage.

Judit Pólgar kan heel goed schaken. Haar ouders hebben zelf niet veel talent, wel heeft haar vader haar elke dag uren laten oefenen.
Pim zegt: Goed kunnen schaken is niet erfelijk, je moet er gewoon veel voor oefenen.
Sophie zegt: Bij Judit is een mutatie opgetreden, daarom is ze zo goed.

Wie kan/kunnen gelijk hebben?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

1/5 Het ideale vrouwbeeld.

Het lichaam staat met stip genoteerd op de feministische agenda. Stonden in de jaren zestig en zeventig van de 20e eeuw 'gelijke rechten' en een 'eerlijke verdeling van de macht' centraal in het vrouwendebat, nu buigen feministische theoretici zich met bijna chirurgische precisie over het lijf.
Tijdens de jubileumweek, ter ere van het vijftienjarige bestaan van het Centrum voor Vrouwenstudies van de Katholieke Universiteit Nijmegen, wordt het vrouwenlijf van alle kanten beschouwd en bekeken. Historici, politicologen, seksuologen, filosofen, kunstenaars en IT'ers geven hun visie op vrouwelijke lichamelijkheid.
'De feministen van de tweede golf in de jaren zestig, zeventig verwaarloosden het lichaam,' verklaart Willy Jansen, directeur van het Centrum, de keuze voor het jubileumthema 'The body in culture'.
'Het biologische werd ontkend, omdat ze wilden bewijzen dat verschillen tussen mannen en vrouwen niet waren aangeboren en dus door maatschappelijke veranderingen konden worden weggewist.'
Biologische verschillen bestuderen is weer toegestaan, zelfs in de mode (Raffia, het blad van vrouwenstudies spreekt over 'geobsedeerdheid'). Dat leidt tot ambivalente gevoelens bij de vrouwelijke theoretici, zo bleek op het congres dat de jubileumweek afsloot.
Want hoe moet de uitkomst worden geïnterpreteerd van het wetenschappelijk onderzoek dat Alkeline van Lenning van de Katholieke Universiteit Brabant vrijdag presenteerde? Van Lenning onderzocht 'de historische en culturele verschillen' van de Playmates, de modellen van de maand die sinds 1953 in het mannenblad Playboy paraderen.

(Uit: Janny Groen, Het lijf biologeert de nieuwe feministen, in de Volkskrant, 14 oktober 2000)

Gedrag bij dieren

2/5 Het ideale vrouwbeeld.

Volgens veel biologen zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen wél aangeboren, sterker nog: erfelijk bepaald.

In welk opzicht is er dan sprake van verschil?

Gedrag bij dieren

3/5 Het ideale vrouwbeeld.
Zie figuur A 1184 van de bijlage.

Bekijk de afbeelding hiernaast over het onderzoek van Alkeline van Lenning.

Wat was haar probleemstelling (onderzoeksvraag)?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

4/5 Het ideale vrouwbeeld.
Zie figuur A 1184 van de bijlage.

Bereken het percentage toename of afname (afgerond op gehele getallen) voor de kenmerken lengte, buste en heupen tussen 1978 en 1994.

lengte [invulveld]%
buste [invulveld]%
heupen [invulveld]%

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

5/5 Het ideale vrouwbeeld.

Je zou kunnen zeggen dat in het onderzoek van Alkeline van Lenning 'het ideale vrouwbeeld' wordt beschreven. Er worden aanhalingstekens gebruikt om aan te geven dat het hier niet om een feit gaat.

Welke van de onderstaande argumenten zetten de bewering kracht bij dat het hier niet om een feit gaat?

Gedrag bij dieren

Blauwe duiker.
Zie figuur B 5346 van de bijlage.

Het mannetje van de blauwe duiker of boloko heeft onder de ogen speciale geurklieren (zie afbeelding hiernaast) waarmee hij een gebied afbakent tegen andere mannetjes.

Hoe noemt men een dergelijk gebied?
Dat heet een [invulveld]

afbeeldingafbeelding