Oefentoets Biologie: Ecologie - algemeen | VWO 1/VWO 2/VWO 3

Deze oefentoets bevat 14 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

14

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Selectie.

Om een grotere productie van voedsel te verkrijgen wordt o.a. selectie toegepast.

Wat houdt selectie in?

Ecologie

Veredeling.

Een van de manieren waarop een grotere productie van voedsel kan worden verkregen, is het toepassen van veredeling.

Wat houdt veredeling in?

Ecologie

Biologie en politie.

Tekst:
De activiteit van veel insecten is onder andere afhankelijk van de temperatuur en het licht. Dit geldt ook voor de aasvlieg Lucilia sericata. De larven van Lucilia sericata leven als aaseter op de lijken van zoogdieren. De aasvliegen zijn lichtminnend: in het donker vertonen ze geen activiteit. Vrijwel direct na het doodgaan van een dier komen deze Lucilia-vliegen in grote aantallen op het kadaver af. Na deze eerste invasie volgen ook andere lichtminnende insecten zoals kaasvliegen. Nog later verschijnen ook allerlei kevers bij het lijk.

bewerkt naar: de Volkskrant, februari 1996

Op een lijk, dat in een donkere grot werd aangetroffen door de politie, bevonden zich grote aantallen Lucilia-larven en geen larven van andere insecten zoals kaasvliegen of bepaalde kevers.

Welke twee conclusies kan de politie hieruit ten aanzien van het lijk trekken?

Ecologie

1/2 Kabeljauw.
Zie figuur B 4560 van de bijlage.

Kabeljauw is een vissoort die veel door mensen wordt gegeten. In de Atlantische Oceaan worden veel kabeljauwen gevangen. Zij leven van vissen zoals haringen. Haringen eten onder andere plantaardig plankton, dat in het zeewater zweeft. Kabeljauwen paren vooral rond april. Als na een maand de eieren uitkomen, groeien de jongen snel. Eerst leven zij nog van plankton daarna gaan zij over op het eten van vissen.
Kabeljauwen kunnen wel anderhalve meter lang worden.

Wat is de volledige voedselketen, waarvan volwassen kabeljauwen volgens de tekst deel uitmaken?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Kabeljauw.

Zijn kabeljauwen consumenten, producenten of reducenten?

Ecologie

1/3 Sneeuwganzen.

In 'VOGELS' van november 1997 stond een leuk artikel dat wel wat vragen oproept.
De sneeuwgans graast op de kwetsbare toendra's van Noord-Canada, en rukt de vegetatie met wortel en al uit de grond. Het is een prachtig dier en de soort wordt sinds een tiental jaren beschermd, maar....

Welk gevaar levert dit dier op voor de toendrabodem?

Ecologie

3/3 Sneeuwganzen.

Ecologen rekenden uit dat, als er nu niet wordt ingegrepen, het wel 40 jaar kan duren voordat er weer een nieuw evenwicht op de toendra ontstaat.

Zou dat nieuwe evenwicht een evenwicht zijn met meer/evenveel of minder sneeuwganzen dan er nu zijn?
Licht je antwoord toe.

Ecologie

1/4 Kuifeendengebieden onder druk.

Lees de onderstaande tekst.

Het IJsselmeer en Markermeer zijn van vitaal belang voor watervogels uit een gebied dat zich uitstrekt van Groenland tot Oost-Europa en Siberië. Samen met de Waddenzee vormen onze grote meren de top van Nederlands Belangrijke Vogelgebieden. Zelfs internationaal gezien voor zeker twaalf soorten. Per winter worden er 250.000 tot 400.000 watervogels geteld. IJsselmeer en Markermeer zijn in het bijzonder van belang voor toppereenden. Veertig tot vijftig procent van alle Noordwest- Europese toppers verblijft hier gedurende de wintermaanden. Zij hebben gezelschap van vijf tot tien procent van de populaties kuifeenden.
Sinds enige jaren neemt de hoeveelheid driehoeksmosselen af. Dit zou grote gevolgen voor de hele populatie kuifeenden kunnen hebben. Vogelbescherming Nederland maakt zich zorgen over het slinkende aantal overwinterende kuifeenden dat wordt geteld. Het ironische is dat een op zichzelf gunstige ontwikkeling de oorzaak lijkt te zijn: het schoner worden van het IJsselmeerwater. Daardoor groeien er minder algen die het voedsel voor driehoeksmosselen vormen.
Een tweede reden is gelegen in de insluiting van het Markermeer door de Houtribdijk. Daardoor kan bodemslib niet meer afvloeien en hoogt de bodem op. De driehoeksmossel kan in dat milieu niet leven. Een derde negatieve conditie is het schaars worden van rustige watergedeelten in de buurt van mosselbanken. De achteruitgang van de kuifeend op het Markermeer laat zien hoe ingrijpend tamelijk onopvallende veranderingen kunnen uitpakken. In het IJsselmeer houden algen, driehoeksmosselen en duikeenden(kuifeenden) elkaar in evenwicht. Een paar maanden per jaar dobberen honderdduizenden duikeenden op dit meer en eten wel 20% van de mosselen op. Overigens eten deze eenden liever larven, insecten, viskuit en dril, maar dat zoeken ze elders. Vooral ondiep water is geschikt voor de groei van de driehoeksmossel. Deze mossel zorgt voor een natuurlijke waterzuivering.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/4 Kuifeendengebieden onder druk.

Waarom blijft het meer helder (= goede waterkwaliteit) door de aanwezigheid van de driehoeksmossel?

Ecologie

3/4 Kuifeendengebieden onder druk.

In welk seizoen zal deze mosselstand het meest teruglopen?
Licht je antwoord toe.

Ecologie

4/4 Kuifeendengebieden onder druk.

Wanneer en waardoor herstelt de driehoeksmosselstand zich weer?
Gebruik in je antwoord de naam van maar één seizoen, geef duidelijke en zo volledig mogelijke argumentatie.

Ecologie

2/3 Boswachterziekte.

Langs welke route komt de bacterie in de lever terecht?

Ecologie

Daphnia’s.
Zie figuur B 5293 van de bijlage.

In een laboratorium kweekt men Daphnia’s (watervlooien) in een bekerglas met voedingsstoffen. Gestart wordt met 10 Daphnia’s. Er is voldoende voedingsstof aanwezig om Daphnia’s minstens 200 dagen te laten leven en zich te laten voortplanten.
De kweektemperatuur is constant en voldoende hoog.
Het aantal Daphnia’s per 50 mL wordt gedurende 180 dagen geteld; dit wordt uitgezet in een grafiek.
De draagkracht voor een soort is het maximale aantal van deze soort dat gedurende een lange tijd kan overleven. Voor de watervlooien is 200 dagen een lange tijd.
Bekijk de grafiek.

Wat is de draagkracht voor Daphnia’s in de gebruikte voedingsoplossing?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Klimaatverandering.

Het lijkt erop dat het ieder jaar warmer wordt. We zien dat ook aan de plantensoorten die tegenwoordig (zonder ingrijpen van de mens) voorkomen in gebieden waar zij vroeger niet voorkwamen of juist niet meer voorkomen waar zij vroeger wel voorkwamen.
Onderzoek heeft uitgewezen dat voor het wel of niet voorkomen van plantensoorten in warme gebieden de grootte van de zaden van deze planten een belangrijke factor is.

Als verklaring voor de invloed van de grootte van zaden wordt een aantal beweringen gedaan.

Geef van onderstaande beweringen aan welke juist is of welke juist zijn.

1. Kleinere zaadjes bevatten minder vocht en kunnen een warme, droge, periode minder goed overleven.
2. Kleinere zaadjes hebben een klein oppervlak en kunnen hun vocht beter vasthouden dan grotere zaden.
3. Kleine zaadjes zijn lichter en kunnen in warme lucht makkelijker door de wind verspreid worden dan in koudere lucht.
4. Het kost minder tijd voor de plant om kleinere zaadjes te maken, dus deze zijn al gevormd voordat het daarvoor te warm wordt in de zomer.