Oefentoets Biologie: Zenuwstelsel | HAVO 4/HAVO 5 | variant 9

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Zenuwstelsel

3/5 Slapen en geheugen.

In welk deel van de hersenen worden deze nieuwe verbindingen tussen zenuwcellen aangelegd?

Zenuwstelsel

4/5 Slapen en geheugen.

Het groeihormoon is een eiwit dat wordt afgegeven door de hypofyse.

Op welke manier komt dit hormoon vanuit de hypofyse in het bloed?

Zenuwstelsel

5/5 Slapen en geheugen.

Bloedvaten in het lichaam van de mens zijn onder andere: aorta, bovenste holle ader, hoofdslagader, hypofyse-ader, hypofyseslagader, longader, longhaarvat, longslagader, onderste holle ader.

Noteer in de juiste volgorde in welke van de genoemde bloedvaten een molecuul groeihormoon zich achtereenvolgens bevindt, wanneer het via de kortste weg van de hypofyse naar de hersenen gaat.

Zenuwstelsel

1/3 Hersengebieden.

De PET-scantechniek maakt het mogelijk de doorbloeding van verschillende hersengebieden in beeld te brengen. De doorbloeding wordt beschouwd als een maat voor de activiteit. In de hersenen zijn het centrum van Broca en het centrum van Wernicke betrokken bij het spreken en luisteren. Als je zelf praat, worden vooral vanuit het centrum van Broca impulsen gestuurd naar stembanden, lippen en tong. Als er tegen je wordt gepraat, word je je hiervan bewust en vindt de herkenning van de stem vooral plaats in het centrum van Wernicke.

Is op grond van deze gegevens het centrum van Broca vooral motorisch of vooral sensorisch te noemen?
En het centrum van Wernicke?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

2/3 Hersengebieden.

Als iemand tegen je praat vinden op dat moment, als gevolg daarvan, veranderingen plaats in het centrum van Wernicke. Hierover worden drie beweringen gedaan:

1. Het aantal synapsen tussen zenuwcellen neemt daar dan toe.
2. Het aantal impulsen per tijdseenheid neemt daar dan toe.
3. Het verbruik van glucose in de zenuwcellen neemt daar dan toe.

Welke van deze beweringen is of zijn juist?

Zenuwstelsel

3/3 Hersengebieden.
Zie figuur A 444 van de bijlage.

Het bloed dat een bepaald hersengebied verlaat, is zuurstofarm.

In welk van de volgende bloedvaten is dit bloed voor het eerst weer zuurstofrijk?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

1/4 De ziekte van Alzheimer.
Zie figuur A 446 van de bijlage.

De ziekte van Alzheimer is een vorm van ouderdomsdementie. Amerikaanse onderzoekers hebben onlangs een test beschreven waarmee de ziekte van Alzheimer kan worden vastgesteld. Ze druppelen tropicamide in een oog van de te onderzoeken persoon. Bij Alzheimer-patiënten leidt dit tot een aanzienlijk grotere verwijding van de pupil dan bij andere mensen. Tropicamide wordt gewoonlijk toegepast door oogartsen die via de pupil het netvlies willen bekijken.

De wijdte van de pupil wordt geregeld via de pupilreflex.

Waardoor wordt de pupil verwijd?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

2/4 De ziekte van Alzheimer.

Welke prikkel leidt onder normale omstandigheden tot het verwijden van de pupil?

Zenuwstelsel

3/4 De ziekte van Alzheimer.

Het is bekend dat in de hersenen van patiënten met de ziekte van Alzheimer eenzelfde type storing optreedt als bij mensen met het syndroom van Down. Mensen met het syndroom van Down zijn vaak overgevoelig voor tropicamide. Daardoor ontstond het idee om tropicamide te gebruiken als indicator voor de ziekte van Alzheimer.
Om na te gaan of tropicamide inderdaad bruikbaar is als indicator, werd deze stof aan Alzheimer-patiënten toegediend. Hierbij werd een controlegroep gebruikt.

Bestond deze controlegroep uit mensen met het syndroom van Down of juist niet? Leg je antwoord uit.

Zenuwstelsel

4/4 De ziekte van Alzheimer.
Zie figuur B 2405 van de bijlage.

De afbeelding geeft twee karyogrammen weer.

Welk karyogram hoort bij een kind met het syndroom van Down?
Is dit kind een jongen of een meisje?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

1/3 De kuitspierreflex.

Wanneer iemand staat, kan een geringe beweging tot gevolg hebben dat het lichaam iets naar voren helt. Dan worden de kuitspieren, die aan de achterkant van de onderbenen liggen, iets uitgerekt. Deze uitrekking veroorzaakt een reflex die leidt tot het samentrekken van deze kuitspieren. Hierdoor wordt de oorspronkelijke houding van het lichaam hersteld. Deze reflex heet de kuitspierreflex.

Verloopt de reflexboog van de kuitspierreflex via de hersenstam, het ruggenmerg of de grote hersenen?

Zenuwstelsel

2/3 De kuitspierreflex.

Vijf delen van de reflexboog van de kuitspierreflex zijn:

1. een motorische zenuwcel,
2. een schakelcel,
3. een sensorische zenuwcel,
4. een spier,
5. een spierzintuig.

In welke volgorde zijn deze delen bij het optreden van de kuitspierreflex betrokken?

Zenuwstelsel

3/3 De kuitspierreflex.

Behoort de motorische zenuwcel in deze reflexboog tot het animale zenuwstelsel, tot het orthosympathische of tot het parasympatische deel van het autonome zenuwstelsel?

Zenuwstelsel

1/3 Een reflexboog.
Zie figuur B 2361 van de bijlage.

Het schema in de afbeelding stelt een reflexboog bij een mens voor. Indien de reflex plaatsvindt, gaan impulsen naar een beenspier.
Aan het begin van de reflexboog bevindt zich een receptor.

Wordt deze receptor aangegeven met cijfer 1, 2 of 3?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

2/3 Een reflexboog.
Zie figuur B 2361 van de bijlage.

De reflex vindt plaats.

Waar bevindt zich het cellichaam van de zenuwcel die de impulsen naar de beenspier geleidt?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

3/3 Een reflexboog.
Zie figuur B 2361 van de bijlage.

Verlopen in het lichaam van de mens impulsen in zenuwcel 4 alleen in richting P, alleen in richting Q of is het afhankelijk van de situatie in welke richting de impulsen in deze zenuwcel verlopen?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

1/3 Zenuwen onder de microscoop.
Zie figuur C 20 van de bijlage.

De afbeelding is een foto van een microscopisch preparaat van een doorsnede van twee zenuwen van de mens.
In het lichaam verbonden deze zenuwen het ruggenmerg met een hand.
De vele doorgesneden uitlopers van zenuwcellen en de beschermlaag om de zenuwen zijn zichtbaar.

Van welke typen zenuwcellen kunnen zich uitlopers in deze zenuwen bevinden?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

2/3 Zenuwen onder de microscoop.
Zie figuur C 20 van de bijlage.

Uit welk weefsel bestaat de beschermlaag om de zenuwen, die in figuur C 20 met P is aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

3/3 Zenuwen onder de microscoop.
Zie figuur C 20 van de bijlage.

Is het mogelijk dat door één van deze zenuwen impulsen liepen die leidden tot een reflexbeweging?
En impulsen die leidden tot een gewilde beweging?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

1/4 Ruggenmerg.
Zie figuur A 301 van de bijlage.

In de afbeelding zijn twee wervels en een deel van het ruggenmerg getekend. Bovendien zijn verbindingen tussen enkele ruggenmergszenuwen en drie zenuwknopen van het orthosympathische deel van het autonome zenuwstelsel aangegeven. Deze zenuwknopen liggen in de zogenoemde grensstreng. De zenuwen Q en R zijn verbonden met de rechterarm.

Op welke van de aangegeven plaatsen S, T en U kunnen zich cellichamen van zenuwcellen bevinden?

afbeeldingafbeelding