Oefentoets Biologie: Dierfysiologie | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Dierfysiologie

6/16 Agapornissen.

In informatie 1 worden verschillende eigenschappen van vogels genoemd.
Hieronder staan twee levenskenmerken.

reageren op prikkels:
voortplanting:

Schrijf achter elk levenskenmerk een eigenschap uit informatie 1 die te maken heeft met dat levenskenmerk.

Dierfysiologie

7/16 Agapornissen.

Kasper heeft thuis een paartje agapornissen in een kooi. Het mannetje weegt 55 gram.

Hoeveel gram borstspieren heeft dit mannetje ongeveer volgens de gegevens in informatie 1?

Dit is ongeveer [invulveld] gram

Dierfysiologie

8/16 Agapornissen.

Kasper ontdekt tot zijn schrik dat het voer voor zijn agapornissen op is. De buren houden ook siervogels en hij gaat vragen of zij wat voer voor zijn vogels hebben. Ze hebben alleen voer voor grasparkieten en kanaries. Kasper bekijkt de etiketten van twee soorten voeding (zie de tabellen).

afbeeldingafbeelding

Voldoen deze soorten vogelvoer aan het advies over de samenstelling in informatie 3?

Dierfysiologie

9/16 Agapornissen.
Zie figuur A 972 van de bijlage.

Welke letter uit de afbeelding in informatie 4 geeft het orgaan aan dat wordt aangetast als een agapornis te veel vet eet?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

10/16 Agapornissen.

In informatie 6 staat dat er onderzoek is gedaan naar mogelijke oorzaken voor de afname van een populatie agapornissen. Er worden enkele factoren genoemd die als oorzaak uitgesloten kunnen worden.

Noem een biotische factor uit informatie 6 die als oorzaak uitgesloten kan worden.

Dierfysiologie

11/16 Agapornissen.
Zie figuur B 4354 van de bijlage.

In de tabel van informatie 7 staan de resultaten van een onderzoek naar bijtgedrag bij agapornissen.
afbeeldingafbeelding

Op de uitwerkbijlage is een stuk grafiekpapier afgebeeld.

Maak van de gegevens uit de tabel een staafdiagram waarin het verschil in bijtgedrag tussen mannetjes en vrouwtjes te zien is.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

12/16 Agapornissen.

Schrijf een conclusie op uit de resultaten van dit onderzoek naar het verband tussen het bijten en het geslacht van een agapornis.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

13/16 Agapornissen.

Noem een verbetering of een aanvulling van dit onderzoek waardoor de resultaten betrouwbaarder worden.

Dierfysiologie

14/16 Agapornissen.

Noem twee vormen van sociaal gedrag die in de informatie worden genoemd.

Dierfysiologie

15/16 Agapornissen.
Zie figuur B 4353 van de bijlage.

Welk cijfer in informatie 5 geeft een cel aan die afkomstig is van een mannetje, cijfer 1 of cijfer 2?
Leg uit waaraan je dat kunt zien in de afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

16/16 Agapornissen.

Een mannetje met een oranje masker wordt gekruist met een vrouwtje met een roze masker.
Het paartje krijgt 5 jongen. Twee van deze jongen hebben een oranje masker.

Wat is het genotype van het vrouwtje?

Dierfysiologie

Veranderingen bij een aantal diepe kniebuigingen.

Hieronder staan vier veranderingen die in het lichaam van de mens kunnen optreden:

1. Het aantal ademhalingsbewegingen per minuut neemt toe.
2. De productie van insuline neemt toe.
3. De warmteproductie stijgt.
4. De beenspieren ontvangen meer zuurstof.

Welke van deze veranderingen treden op tijdens het maken van een aantal diepe kniebuigingen?

Fysiologie

Opnemen van organische stoffen.

Drie organismen zijn: een paardebloem, een champignon, een muis.

Welk organisme neemt of welke nemen anorganische stoffen uit de omgeving op?

Stofwisseling

Veranderingen bij diepe kniebuigingen.

Hieronder staan vier veranderingen die in het lichaam van de mens kunnen optreden:

1. Het aantal ademhalingsbewegingen per minuut neemt toe.
2. De warmteproductie stijgt.
3. De beenspieren ontvangen meer zuurstof.
4. Het ademhalingscentrum in de hersenen ontvangt meer signalen van de koolzuurzintuigen in de wand van bepaalde slagaders.

Welke van deze veranderingen vormen oorzaak en gevolg tijdens het maken van een aantal diepe kniebuigingen?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

Lichaamstemperatuur op verschillende plaatsen.
Zie figuur B 3164 van de bijlage.

De afbeelding geeft de temperatuur op verschillende plaatsen in het lichaam van de mens weer.

In welk orgaan is de temperatuur het hoogst?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

Verbranding bij insecten.
Zie figuur B 3322 van de bijlage.

Bij verbranding komt een deel van de energie vrij in de vorm van warmte. Om dit aan te tonen wordt in een klas een demonstratieproef gedaan. De docente zet enkele insecten in een geïsoleerde pot (zie de afbeelding). Om de proefopstelling compleet te maken, gebruikt de docente nog een pot als controle.

Wat moet de docente bij deze tweede pot weglaten?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

Groei bij woestijnmuizen.
Zie figuur B 2995 van de bijlage.

Op een school worden woestijnmuizen gehouden. In de vakantie krijgen een mannetje en een vrouwtje samen vier jongen. Na de vakantie weegt de docent de jonge woestijnmuizen elke twee dagen. Van de resultaten wordt een diagram gemaakt (zie de afbeelding).

Hoeveel gram zijn de woestijnmuizen gemiddeld in gewicht toegenomen vanaf dag 30 tot en met dag 46?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

De oorsprong van een aantal materialen.

Hieronder staan enkele materialen van plantaardige of van dierlijke oorsprong die door de mens worden gebruikt.

dons - katoen - leer - papier - wol.

Welke materialen zijn van dierlijke oorsprong?

Dierfysiologie

Een haai en een zeehond vergeleken.

Een haai en een zeehond bevinden zich onder water, dicht bij elkaar.
Beide dieren zijn even groot. Ze zijn niet actief.

Zal bij de haai de grondstofwisseling onder deze omstandigheden hoger of lager zijn dan bij de zeehond? Leg je antwoord uit.

Dierfysiologie

1/5 Beren in winterslaap.

Een zwarte beer slaat in de zomer en de herfst veel van een energierijke reservestof op. Daarmee kan hij de winter doorkomen. Een zwarte beer slaat dezelfde reservestof op als de mens.

Welke reservestof slaat een zwarte beer vooral op om de winter door te komen?
En in welk deel van het lichaam slaat de beer die reservestof vooral op?

afbeeldingafbeelding