Oefentoets Biologie: Bloed | Algemeen | HAVO 4/HAVO 5 | variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Bloed

Kniebuigingen.

Een proefpersoon maakt snel achter elkaar 25 diepe kniebuigingen.

Welke van de volgende veranderingen zullen vrijwel zeker plaatsvinden in het lichaam van de proefpersoon
tijdens het maken van de kniebuigingen?

1. het aantal ademhalingen per minuut neemt toe,
2. de hoeveelheid bloed die per minuut het hart verlaat, neemt toe,
3. de hoeveelheid bloed die per minuut naar de beenspieren gaat, neemt toe,
4. de bloeddruk neemt toe.

Bloed

Bloedgassen.
Zie figuur A 263 van de bijlage

Door actief spierweefsel en door onderhuids bindweefsel stroomt bloed via haarvaatjes in de met een pijl aangegeven richting.
In het schema in de figuur bepaalt men bij 1, 2, 3 en 4:

- het aantal rode bloedcellen per mm3 bloed
- de hoeveelheid kooldioxide
- de hoeveelheid zuurstof
- de temperatuur van het bloed

Men kan verwachten dat

afbeeldingafbeelding

Bloed

Kniebuigingen.

De volgende veranderingen kunnen in het lichaam van de mens plaatsvinden:

1. het aantal ventilatiebewegingen per minuut neemt toe,
2. de hoeveelheid bloed die per minuut het hart verlaat, neemt toe,
3. de hoeveelheid bloed die per minuut naar de beenspieren gaat, neemt toe,
4. de hoeveelheid bloed die per minuut naar de darmspieren gaat, neemt toe.

Een proefpersoon maakt snel achter elkaar 25 diepe kniebuigingen.

Welke van de genoemde veranderingen zullen vrijwel zeker plaatsvinden in het lichaam van de proefpersoon
tijdens het maken van de kniebuigingen?

Bloed

Kniebuigingen.

De volgende veranderingen kunnen in het lichaam van de mens plaatsvinden:

1. het aantal ventilatiebewegingen per minuut neemt toe,
2. de hoeveelheid bloed die per minuut het hart verlaat, neemt toe,
3. de hoeveelheid bloed die per minuut naar de beenspieren gaat, neemt toe,
4. de hoeveelheid bloed die per minuut uit de beenspieren gaat, neemt toe.

Een proefpersoon maakt snel achter elkaar 25 diepe kniebuigingen.

Welke van de genoemde veranderingen zullen vrijwel zeker plaatsvinden in het lichaam van de proefpersoon tijdens het maken van de kniebuigingen?

Bloed

Insectenbloed.

Insecten kunnen leven zonder rode bloedcellen in hun bloed, doordat

Bloed

Een vissenhart.
Zie figuur B 948 van de bijlage.

De tekening stelt voor een vissenhart met de aansluitende bloedvaten.

Welk onderdeel stellen de cijfers 2 en 3 voor?
Uit of in welke richting stroomt het bloed bij de cijfers 1 en 4?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Bloed

Watervlooien.
Zie figuur B 1522 en B 1523 van de bijlage.

Watervlooien zijn zoetwaterkreeftjes die hemoglobine in hun bloed hebben. De hoeveelheid hemoglobine in het bloed van deze dieren wordt aangepast aan de concentratie zuurstof in het water, waarin ze leven.
In de afbeelding B 1522 is in een diagram weergegeven hoeveel zuurstof maximaal in water van een bepaalde temperatuur kan oplossen.

Zie figuur B 1523 van de bijlage.

In de afbeelding B 1523 zijn vier diagrammen getekend. In een van deze diagrammen is op juiste wijze het verband weergegeven tussen de hoeveelheid hemoglobine in het bloed van de watervlooien en de temperatuur van het water na een langdurig verblijf in dit water. In dit water is bij elke temperatuur de maximale hoeveelheid zuurstof opgelost.

Welk van de in afbeelding B 1523 getekende diagrammen is juist?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Bloed

Bloeddonor.

Bij een bloeddonor wordt een halve liter bloed afgetapt uit een ader. Dit leidt tot een aantal veranderingen, zoals:

1. daling van de bloeddruk,
2. vermindering van het aantal rode bloedcellen per mm3 bloed,
3. verhoging van de waterresorptie in de nieren,
4. verhoging van de afgifte van het antidiuretisch hormoon (ADH).

In welke volgorde treden deze veranderingen op?

Bloed

Doorstroming en temperatuur.
Zie figuur B 195 van de bijlage.

De tekening stelt een dwarsdoorsnede voor van een onderarm van een mens.
Afhankelijk van de omstandigheden stroomt er per minuut meer of minder bloed door de oppervlakkig gelegen aders dan door de dieper gelegen aders. Ook kan de totale hoeveelheid bloed die door de aders stroomt, variëren.
De hoeveelheid bloed die door de oppervlakkig gelegen aders stroomt, wordt in onderstaande situaties bepaald:

1. bij een hoge omgevingstemperatuur en tijdens inspanning;
2. bij een hoge omgevingstemperatuur en tijdens rust;
3. bij een lage omgevingstemperatuur en tijdens inspanning;
4. bij een lage omgevingstemperatuur en tijdens rust.

In een van deze situaties stroomt er meer bloed door de oppervlakkig gelegen aders dan in de andere situaties.

In welke situatie is dit het geval?

afbeeldingafbeelding

Bloed

De (schematische) bloedsomloop van een vis.
Zie figuur B 220 van de bijlage.

In de figuur staat een deel van de bloedsomloop van een vis schematisch getekend.

Welke organen worden voorgesteld door de cijfers 1 en 2?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Bloed

1/3 Vloeistoffen.

Drie vloeistoffen P, Q en R van de mens worden onderzocht op de aanwezigheid van witte bloedcellen, glucose, ureum en hormonen.
De resultaten van het onderzoek staan in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Eén van de vloeistoffen is lymfe.

Welke vloeistof is dat?

Bloed

2/3 Vloeistoffen.

Drie vloeistoffen P, Q en R van de mens worden onderzocht op de aanwezigheid van witte bloedcellen, glucose, ureum en hormonen.
De resultaten van het onderzoek staan in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Bij de bloedbank wordt uit bloed bloedplasma verkregen door het bloed onstolbaar te maken en te centrifugeren.

Welke van de vloeistoffen kan plasma zijn?

Bloed

3/3 Vloeistoffen.

In een bepaald orgaan wordt vloeistof R gevormd.

Gebeurt dit in de lever, in de milt of in een nier?

Bloed

1/3 Bloedonderzoek.

Bloedonderzoeken.
Bij verschillende patiënten wordt bloed afgenomen uit een ader in de linkerarm. Dit bloed wordt gebruikt voor onderzoek.
Bij patiënt P blijkt het afgenomen bloed na 15 minuten nog niet gestold te zijn.
Afwijkingen die kunnen voorkomen, zijn:

1. In het lichaam worden weinig bloedplaatjes gevormd.
2. In het lichaam wordt weinig fibrinogeen gevormd.

Welke van deze afwijkingen kan of welke kunnen er de oorzaak van zijn dat het bloed van patiënt P niet stolt?

Bloed

2/3 Bloedonderzoek.

Bij de patiënten Q en R worden de volgende aandoeningen verondersteld:

1. patiënt Q heeft wellicht een te actieve schildklier.
2. patiënt R heeft wellicht een tekort aan hemoglobine.

Bij welke van deze patiënten kan uit het bloedonderzoek blijken dat de beschreven aandoening inderdaad aanwezig is?

Bloed

3/3 Bloedonderzoek.

Er kan bloed worden afgenomen uit een vingertop.

Heeft het bloed dat uit de armader wordt afgenomen dezelfde samenstelling als dat uit een vingertop?
En als dat uit een beenslagader?

Bloed

1/2 Een cavia.
Zie figuur B 1526 van de bijlage.

In de afbeelding is een schema van het bloedvatenstelsel van een mannetjescavia weergegeven. Van inwendige organen die in tweevoud aanwezig zijn, is er steeds één getekend. Enkele organen zijn met letters aangegeven, enkele bloedvaten met cijfers. Ligging en werking van de organen van de cavia lijken veel op die van de mens.

Op welke van de plaatsen 1, 2 en 3 komt de hoogste bloeddruk voor?

afbeeldingafbeelding

Bloed

2/2 Een cavia.
Zie figuur B 1526 van de bijlage.

Welke van de organen Q, R en S worden met elkaar verbonden door de poortader?

afbeeldingafbeelding

Bloed

1/6 Zwemmen gevaarlijk.
ZWEMMEN NA HET ETEN IS GEVAARLIJK.

Zwemmen direct na het eten is ongezond en gevaarlijk. Je kunt maagkramp krijgen of steken in je zij en misschien wel verdrinken. In "Old wives' tales" van Peter Engel en Merrit Malloy (In vertaling: 'Van spinazie word je sterk', uitgeverij BZZToH) wordt dan ook geadviseerd na het eten een uur te wachten alvorens een duik te nemen in het water.

In het vorig jaar bij Bert Bakker verschenen 'Lexicon van hardnekkige misverstanden' van Walter Krämer en Götz Trenkler wordt het advies een sprookje genoemd. "Het verhaal werd vijftig jaar geleden op de wereld gezet door het Amerikaanse Rode Kruis. In een brochure over zwemmen en gezondheid werd afgeraden te water te gaan na het eten, omdat je daarvan maagkramp kon krijgen en mogelijkerwijs zelfs kon verdrinken."
De Amerikaanse sportarts Arthur Steinhaus vroeg begin jaren zestig zwemmers en zwemsters naar eetgewoonten en training. Hij ontdekte dat veel sport- en hobbyzwemmers regelmatig flink aten om daarna baantjes te trekken. Niemand kreeg last van maagkramp en niemand verdronk, aldus Steinhaus. In recentere brochures van het Rode Kruis staat de waarschuwing niet meer, aldus Krämer en Trenkler.
Maar Engel en Malloy zitten iets dichter bij de waarheid dan Krämer en Trenkler. "Als er voedsel in je maag zit", staat in 'Old wives' tales', krijg je vlugger maagkrampen. Dat zit zo: om de spijsvertering te bevorderen, pompt het hart een grote hoeveelheid bloed naar de maag. Tijdens lichaamsbeweging pompt het hart bloed naar de spieren en neemt de bloedstroom naar de maag aanzienlijk af. Zonder bloedtoevoer krijgen de maagspieren een gebrek aan zuurstof en verkrampen ze, zoals elke spier die niet voldoende zuurstof krijgt. De spijsvertering en de lichaamsbeweging zijn verwikkeld in een gevecht om hulp van het lichaam."
En dat is nog maar de helft van de waarheid. Maagkrampen zijn nog tot daaraan toe, een hartstilstand is ernstiger. "Het hart is in staat slechts een bepaalde hoeveelheid bloed uit te pompen", zegt dr. G. van de Bos, arts/fysioloog aan de Vrije Universiteit Amsterdam. "In rust is dat 5 liter bloed per minuut, maar bij topsport kan dat oplopen tot 25 of zelfs 30 liter per minuut.
"Om het voedsel te verteren, hebben de darmen bloed nodig. Daarin worden immers de voedingsstoffen opgenomen. Als de darmen en de spieren tegelijkertijd van het hart bloed willen hebben, moet het hart kiezen. In het uiterste geval kan het hart het dan opgeven. Nu zullen de risico's niet al te groot zijn bij een kleine en lichte maaltijd, maar een royale lunch met behoorlijk wat vet en direct daarop zware lichamelijke inspanning - sauna, flink stuk fietsen, zwemmen - kan fataal worden. Vooral ouderen die te zwaar zijn, moeten uitkijken", zegt Van de Bos.
Engel en Malloy adviseren een uur te wachten alvorens in het water te duiken. Van de Bos zegt dat het ongeveer twee uur duurt voordat het voedsel is verteerd en het spijsverteringssysteem weer leeg is. Maar zo lang hoeft er niet te worden gewacht. "Je voelt het zelf ook wel", zegt hij. "Het is een kwestie van je gezond verstand gebruiken. Ik kwam vroeger nog wel eens bij boeren. Tussen de middag aten die toen nog warm. Na de maaltijd gingen ze altijd even achter de pet, zoals dat heette. Ze zaten dan een tijdje te soezen voordat ze weer aan het werk gingen op het land. Heel verstandig."

(De Volkskrant, 10 maart 1998).

(Stepnet, proef 2, 18 november 1998).

Zie volgende scherm

Bloed

2/6 Zwemmen gevaarlijk.

Bij extreem geoefende topsporters kan de hartslag oplopen tot 200x per minuut en het slagvolume tot 200 ml.

Hoeveel is dan het hartminuutvolume? (Vanzelfsprekend wordt de ademhaling dan ook zeer intensief!)

Dit is dan [invulveld] ml