Oefentoets Biologie: Spierstelsel | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 1

Deze oefentoets bevat 19 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

19

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spierstelsel

3/3 Spieren in het lichaam.

Sommige spieren in het lichaam hebben aan hun uiteinden een pees.

Noem een functie van de pees.

Spierstelsel

1/3 'Stijve nek'
Zie figuur B 3217 van de bijlage.

Spieren doen soms pijn, bijvoorbeeld na een verkeerde beweging. Zo kan een 'stijve nek' ontstaan.
In de afbeelding is een spier in de nek te zien.

Met welke genummerde botten is spier R aan de onderkant verbonden?

Spier R is aan de onderkant verbonden met: 1. [invulveld] en 2. [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Spierstelsel

2/3 ‘Stijve nek'

De spier is door middel van pezen verbonden met de botten.

Kunnen pezen zich samentrekken?
En kunnen spieren zich samentrekken?

Spierstelsel

3/3 ‘Stijve nek'

Iemand met een stijve nek kan pijnstillers slikken. Zo wordt de pijn minder.
Hieronder is een deel van een bijsluiter weergegeven.
afbeeldingafbeelding

Hoeveel paracetamoltabletten mag iemand van 15 jaar maximaal op één dag slikken?




-

Spierstelsel

1/4 Training.

Als iemand traint, ontwikkelen de gebruikte spieren zich. Hierdoor worden deze spieren groter en dikker.
Een spier bestaat onder andere uit eiwitten en vetten.

Leg uit dat door training vooral de hoeveelheid eiwitten in een spier toeneemt.

Spierstelsel

2/4 Training.
Zie figuur B 3129 van de bijlage.

Tijdens een training trekt een bepaalde spier zich vaak samen.
De temperatuur van het bloed op plaats P is 37°C.

Hoe hoog is de temperatuur op plaats Q?

afbeeldingafbeelding

Spierstelsel

3/4 Training.
Zie figuur B 3130 van de bijlage.

In de afbeelding is het percentage bloed weergegeven dat vóór en tijdens het trainen naar verschillende organen stroomt.

Welk orgaan krijgt tijdens het trainen meer bloed?

afbeeldingafbeelding

Spierstelsel

4/4 Training.

Sommige mensen slaan bij een training de warming-up over.

Noem een gevaar van het overslaan van een warming-up.

Spierstelsel

Armspier.
Zie figuur B 5568 van de bijlage.

De tekening stelt een deel van de rechterarm en de schouder van een mens voor.

Welke spier is de antagonist van de getekende spier?

afbeeldingafbeelding

Spierstelsel

Een armspier.
Zie figuur B 2875 van de bijlage.

In de afbeelding is een spier P getekend die verbonden is met bot 1 en bot 2 (zie afbeelding B 2874).

Welke beweging ontstaat als spier P zich samentrekt?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Spierstelsel

Skelet van de mens.

Over de spieren in de afbeelding B 1104 worden twee beweringen gedaan:

I. De biceps en de triceps zitten beide aan de ellepijp vast.
II. De biceps en de triceps zitten beide aan het schouderblad vast.

afbeeldingafbeelding

Spierstelsel

Springersknie.
Zie figuur B 2700 van de bijlage.

In de afbeelding is een been met een aantal spieren en pezen afgebeeld.
De bovenste dijspier is met de letter P aangegeven.

Welke van de genummerde spieren is de antagonist van de bovenste dijspier?

afbeeldingafbeelding

Spierstelsel

De arm van een mens.
Zie figuur B 788 van de bijlage.

Welke spier wordt of welke spieren worden korter als de arm zich strekt?

afbeeldingafbeelding

Spierstelsel

Achillespees.

Welke beweging maakt de voet, wanneer de kuitspier zich samentrekt?

Spierstelsel

Beroepsziekten.

Bij RSI denken veel mensen aan het werken met computers.

Leg uit dat RSI ook kan ontstaan bij het werken aan een lopende band.

Spierstelsel

Plassen.

Als de urineblaas vol is gaan er impulsen via zenuwen naar het ruggenmerg. Via het ruggenmerg gaan daarna impulsen naar een bepaald gebiedje in de grote hersenen. Vanuit dit gebiedje gaan er impulsen naar het plascentrum in de hersenstam. Dat plascentrum geeft impulsen af, die het plassen op gang brengen. Bij het plassen zijn twee soorten spieren betrokken: de kringspier bij de uitgang van de blaas en de spieren in de blaaswand, die de blaas leegdrukken.

In de tekst worden twee soorten spieren genoemd die een rol spelen bij het plassen: een kringspier en spieren in de blaaswand.

Trekt deze kringspier zich samen bij het plassen?
En trekken deze spieren in de blaaswand zich dan samen?

Spierstelsel

1/2 Arm.
Zie figuur B 2445 van de bijlage.

De afbeelding geeft een rechterarm weer waarin het skelet, een spier met aanhechtingsplaatsen en een zenuw zichtbaar zijn.

Welk cijfer geeft een pees aan?

afbeeldingafbeelding

Spierstelsel

2/2 Arm.

Kun je met behulp van de afgebeelde spier 3 de arm actief buigen?
En kun je met behulp van de afgebeelde spier 3 de arm actief strekken?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Spierstelsel

Kogelstoten.
Zie de figuren B 905 en B 906 van de bijlage.

In de afbeelding B 905 zijn achtereenvolgende stadia van de lichaamshouding van een kogelstoter getekend tijdens het stoten.

In de afbeelding B 906 zijn het skelet en een aantal spieren getekend van de rechterarm waarmee de kogelstoter de kogel wegstoot.

Welke veranderingen treden op in de lengte van de spieren P en Q tussen stadium 7 en stadium 9 uit afbeelding B 905?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding