Oefentoets Biologie: Mens-milieu | HAVO 4/HAVO 5 | variant 1

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Mens en Milieu

2/5 Natuurbeheer in de duinen.

In het duingebied bestaat een relatie tussen duinriet en zandzegge enerzijds en andere plantensoorten anderzijds.

Met welk van de volgende begrippen kan deze relatie het best worden aangeduid?

Mens en Milieu

3/5 Natuurbeheer in de duinen.
Zie figuur C 315 van de bijlage.

Zowel een afname als een toename van het aantal konijnen heeft invloed op de diversiteit van de vegetatie. In een duingebied varieert het aantal konijnen van vrijwel nul tot de omvang van een plaag.

Welke grafiek geeft voor dat duingebied het mogelijke verloop van de diversiteit van de vegetatie, uitgezet tegen het aantal konijnen, op een juiste manier weer?

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

4/5 Natuurbeheer in de duinen.

In de twintiger jaren van de vorige eeuw, werd een deel van het duingebied van het PWN geschikt gemaakt voor de aanplant van dennen. Eerst werd op grote schaal lupine ingezaaid.
Aan de wortels van lupine ontstaan knolletjes waarin knolletjesbacteriën leven. Na enige tijd werd die lupine ondergespit, waarna de jonge dennen werden aangeplant. Die groeiden goed. Onder de dennen groeien weinig andere planten. Over een aantal jaren zullen deze dennen in groten getale dood gaan van ouderdom. Met het oog op de toekomst wordt het bomenbestand nu geregeld uitgedund.

Waardoor groeien de jonge dennen beter na het onderspitten van lupine dan na het onderspitten van de oorspronkelijke begroeiing?

Mens en Milieu

5/5 Natuurbeheer in de duinen.

PWN verwacht dat door het uitdunnen de bosvegetatie zal veranderen.

Noem twee veranderingen in de vegetatie die naar verwachting zullen optreden als gevolg van het geregelde uitdunnen.

Mens en Milieu

1/6 Iberische lynx.

Tekst:
De Spaanse overheid heeft biologen toestemming gegeven om lberische lynxen (Lynx pardinus) in het wild te vangen ten behoeve van een fokprogramma. Het aantal van deze katachtige neemt de laatste jaren zó snel af dat fokken in gevangenschap de enige hoop op overleving van het dier biedt.
Volgens Alejandro Rodriguez, lynxonderzoeker van het onderzoeksinstituut Estacion Biologica de Doñana in Sevilla is de populatie (1) sinds 1988 gehalveerd. "Van het dozijn populaties (2) dat we toen aantroffen, konden we er nu nog maar twee terugvinden: één in het moeraspark Doñana en de andere in de oostelijke Sierra Morena." De hoofdoorzaak van de terugval is de sterke achteruitgang van het aantal konijnen door twee virusziekten: myxomatose en rabbit haemorrhagic disease.
Rodriguez: "Het voedsel van de Iberische lynx bestaat voor 90% uit konijnen. Dus geldt: geen konijnen, geen lynxen." Ook wegenbouw, ontbossing en stroperij eisen hun tol. De schatting van vijfhonderd stuks van de Iberische lynx, die evolutionair ver afstaat van de 'gewone' Euraziatische lynx, maakt het dier zeldzamer dan bijvoorbeeld de tijger.

bewerkt naar: Menno Steketee, Spaans noodfokplan is de laatste strohalm voor de Iberische lynx', NRC, 5 mei 2001

Zie volgende scherm



-

Mens en Milieu

2/6 Iberische lynx.

In de tekst komt het begrip populatie bij (1) en bij (2) voor. Het wordt daarbij in een verschillende betekenis gebruikt waarvan er biologisch maar één juist is.

Welke betekenis geldt voor (1)?
En welke voor (2)?
Welke van de betekenissen is biologisch juist?

Mens en Milieu

3/6 Iberische lynx.

Om de Iberische lynx te redden wordt een fokprogramma opgezet. Hiervoor moeten voldoende koppels voorhanden zijn. Bij het fokken met één koppel of enkele koppels treedt namelijk inteelt op.

Leg uit waardoor inteelt leidt tot het vormen van een minder succesvolle populatie.

Mens en Milieu

4/6 Iberische lynx.

Bij het fokken van een succesvolle populatie lynxen moet ook zo veel mogelijk het contact van mensen met de lynxen voorkomen worden. Anders gaan de lynxen onnatuurlijk gedrag vertonen.

Noem een nadelig gevolg van dit onnatuurlijke gedrag voor de lynxen.

Mens en Milieu

5/6 Iberische lynx.

Sommige gefokte dieren zullen uiteindelijk worden uitgezet in gebieden waar momenteel geen lynxen meer voorkomen, maar die wel voldoen aan alle eisen die een lynx aan zijn leefgebied stelt. In het begin van de vorige eeuw zou de lynx dergelijke gebieden uit zichzelf gaan koloniseren.

Waardoor kunnen de lynxen dat nu niet meer, ook al zou hun aantal daarvoor voldoende groot zijn?

Mens en Milieu

6/6 Iberische lynx.

De Iberische en de Euraziatische lynx stammen af van dezelfde lynxensoort die vroeger zowel op het Spaans schiereiland als elders in Europa leefde. Uit de oorspronkelijke soort ontwikkelde zich ten zuiden van de Pyreneeën de Iberische lynx en elders de Euraziatische lynx.
Over het ontstaan van deze nieuwe soorten worden de volgende twee uitspraken gedaan.

1. Door verschillende milieu-invloeden gaan de lynxen er anders uitzien en dit wordt aan de volgende generaties doorgegeven.
2. Door verschillende milieu-invloeden hebben bepaalde lynxen meer overlevingssucces dan andere lynxen.

Welke van deze uitspraken is, of welke uitspraken zijn juist?

Mens en Milieu

1/9 De grote gruttoslachting.

De grutto is een weidevogel. Het beheer van weilanden waarin de grutto nestelt is de de laatste jaren regelmatig onderwerp van discussie tussen natuurbeheerders en boeren. Natuurbeheerders waarschuwen dat maaien van graslanden resulteert in een massale slachting onder de kuikens van deze vogel. En omdat het goed gaat met verschillende nestrovers, zoals kiekendieven, buizerds en hermelijnen die een grutto-eitje of -kuikentje wel weten te waarderen, neemt het aantal grutto's in Nederland nog verder af.
De grutto is van oorsprong een toendravogel, die in Nederland lange tijd uiterst zeldzaam was. Toen de landbouw intensiever werd, begin vorige eeuw, kwam er een biotoop tot ontwikkeling die leidde tot een toename van het aantal grutto's.
Er kwam meer grasland dat door organische bemesting veel regenwormen bevatte, het voedsel voor de grutto. Naast regenwormen eten grutto's ook emelten, de larven van langpootmuggen. Deze larven leven onder andere van wortels van het in weilanden veel voorkomende Engels raaigras.
Tientallen jaren groeide het gras nog precies langzaam genoeg om de jonge grutto's voldoende lang te beschermen, maar toen er andere grassen kwamen en de bemesting veranderde, was de grutto het haasje omdat er eerder in het jaar gemaaid werd.

In de tekst staat de term biotoop.

Welke biologische term had men in deze tekst beter kunnen gebruiken?



-

Mens en Milieu

2/9 De grote gruttoslachting.

Vanaf 1900 nam het aantal grutto's in ons land toe.
Enkele factoren die hierbij een rol gespeeld hebben zijn:

1. het grondwaterpeil
2. stalmest
3. grasland

Welk van deze factoren is of welke zijn biotisch?

Mens en Milieu

3/9 De grote gruttoslachting.

- Teken het voedselweb van de in de tekst genoemde organismen.
- Geef met pijlen de richting van de energiestroom tussen de organismen aan.

Mens en Milieu

4/9 De grote gruttoslachting.
Zie figuur B 4683 van de bijlage.

Relaties tussen organismen kunnen worden weergegeven door middel van een piramide van energie. In de afbeelding is zo'n piramide getekend, opgebouwd uit drie niveau's. Bepaalde vlakken zijn grijs.
Over de grijze vlakken in deze piramide worden drie beweringen gedaan:

1. De grijze vlakken stellen de biomassa voor die opgeslagen is in de organismen van dat niveau.
2. De grijze vlakken stellen onder andere het afval voor in de vorm van uitwerpselen van organismen in dat niveau.
3. De grijze vlakken stellen onder andere de energie voor die vrijkomt bij de dissimilatie van de in dat niveau aangegeven organismen.

Welk van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

5/9 De grote gruttoslachting.

Welke voedselrelatie bestaat er tussen kiekendief en grutto en welke tussen kiekendief en buizerd?

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

6/9 De grote gruttoslachting.

Het gaat nu goed met de nestrovers zoals buizerds en kiekendieven. Veertig jaar geleden was dat wel anders. Door het gebruik van landbouwgif ter bestrijding van insecten legden deze vogels toen massaal het loodje.

Leg uit hoe het kwam dat juist roofvogels, zoals kiekendief en buizerd, stierven door het gebruik van dit landbouwgif.

Mens en Milieu

7/9 De grote gruttoslachting.

Een natuurbeschermer wil weten hoeveel grutto's er na het broedseizoen in een bepaald weidegebied leven. Hij vangt er twaalf en merkt ze. Daarna laat hij ze weer vrij. Een week later vangt hij weer een aantal grutto's. Dit keer zijn het er vijftien, waarvan er zes gemerkt zijn.

Laat door middel van een berekening zien hoe groot hij de populatie grutto's schat.

Mens en Milieu

8/9 De grote gruttoslachting.

Boeren kunnen hun maaibeleid aanpassen om de grutto te beschermen. Een boer besluit zijn weiland niet meer te maaien en laat het verwilderen omdat hij denkt hiermee de gruttostand te bevorderen. Na twee jaar komen er in dit gebied helemaal geen grutto's meer voor.
Er worden twee beweringen gedaan over de periode waarin verwildering is opgetreden:

1. In dit gebied is successie opgetreden waardoor de omstandigheden niet gunstig meer zijn voor de grutto.
2. Door concurrentie tussen plantensoorten om bijvoorbeeld voedingsstoffen en licht is de soortensamenstelling van het gebied veranderd.

Welk van deze beweringen is of welke zijn juist?

Mens en Milieu

9/9 De grote gruttoslachting.

Zomaar beweren dat het aantal grutto’s terugloopt kan natuurlijk niet zonder met harde bewijzen te komen. Vandaar dat natuurbeschermers willen weten hoeveel grutto’s er, na het broedseizoen, in een bepaald weidegebied leven. Hieruit kan de totale gruttopopulatie in Nederland berekend worden. In 1987 schatte men de totale populatie op 170.000. In 2000 waren er nog maar 87.000 grutto’s. Op dit moment wordt er van uitgegaan, dat de totale populatie ieder jaar met 5% afneemt. De populatiegrootte wordt berekend door de vangst en terugvangstmethode in alle broedgebieden. In 2001 vingen de onderzoekers, net zoals in 2000, 2500 grutto’s, die een gekleurde ring om de poot kregen; een andere kleur dan in 2000 gebruikt was. Ook nu werden na een week weer 2500 grutto’s gevangen, waarvan een aantal de gekleurde ring van 2001 om de poot hadden. Men vergeleek het aantal geringde grutto’s uit de terugvangst van 2000 met het aantal geringde grutto’s uit de terugvangst van 2001.

Als de totale populatie grutto’s inderdaad met 5% is afgenomen, zal men bij de terugvangst in 2001 dan meer, minder of evenveel grutto’s met de ring van 2001 gevangen hebben, of valt dat niet te voorspellen?

Mens en Milieu

1/3 Ganzen worden een plaag.

Eén van de succesnummers van natuurontwikkeling is de Grauwe gans. Het aantal vogels is in 25 jaar van ongeveer 3500 exemplaren toegenomen tot 60.000 exemplaren. Maar die opmars heeft ook zijn keerzijde: hij kan een plaag worden.

De Stichting Natuurmonumenten wil zelfs ingrijpen om de populatie grauwe ganzen in toom te houden door eieren weg te halen of door te prikken. Het probleem ligt bij de zogenaamde 'overzomerende' grauwe ganzen. Zij hebben Nederland als standplaats gekozen en trekken niet meer weg om elders te broeden. In Nederland vinden ze nu een goed gedekte tafel van grassen en granen die voldoende eiwitrijk blijken te zijn. "Dankzij de toename van moerasnatuur zijn er steeds meer plassen waar ganzen veilig voor vossen kunnen slapen", zegt dr. Bart Ebbinge van onderzoeksinstituut Alterra in Wageningen.

Waardoor kon de Grauwe gans in Nederland een plaag worden?