Bevordering van de spijsvertering
Spijsvertering.
Iemand gebruikt een kop bouillon voor de maaltijd.
De spijsvertering wordt dan bevorderd als gevolg van
Ontdek de digitale toets over spijsvertering, gericht op studenten in de biologie, met vragen over de werking van het spijsverteringsstelsel, de verwerking van voedingsstoffen en de rol van enzymen. Deze toets biedt inzicht in de complexe processen van vertering en opname van voedingsstoffen in het menselijk lichaam. - 23 vragen
23
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Spijsvertering.
Iemand gebruikt een kop bouillon voor de maaltijd.
De spijsvertering wordt dan bevorderd als gevolg van
Voedingsstoffen.
Iemand eet een droge, bruine boterham.
Gaan hierna door de maagportier polysachariden?
En polypeptiden?
afbeelding
Verwerking van verschillende voedingsstoffen.
Over de verwerking van verschillende voedingsstoffen in het lichaam van de mens worden de volgende uitspraken gedaan:
1. Spijsverteringssappen bevatten enzymen voor de vertering van alle soorten koolhydraten, maar niet voor de vertering van alle soorten eiwitten;
2. Eiwitten kunnen in het lichaam bouwstenen leveren voor de vorming van koolhydraten;
3. Dissimilatie van één gram vetten levert evenveel energie als dissimilatie van één gram koolhydraten.
Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?
De spijsbrij.
Tijdens het transport van een hoeveelheid voedsel door de maag en twaalfvingerige darm van een mens neemt in de spijsbrij de hoeveelheid cellulose per mL af.
Waardoor komt dit?
Spijsvertering.
Vier beweringen over de spijsvertering bij de mens zijn:
1. Maagsap bevat een enzym dat eiwitten verteert;
2. Toevoeging van maagsap aan de spijsbrij verhoogt de pH daarvan;
3. Alvleessap bevat een enzym dat eiwitten verteert;
4. Resorptie van stoffen vindt alleen plaats vanuit de dunne darm.
Welke beweringen zijn juist?
Spijsvertering reptielen.
Bij sommige reptielen scheiden de maag en de alvleesklier het enzym chitinase af.
Dit is een aanwijzing voor het feit dat het natuurlijke voedsel van deze reptielen onder andere kan bestaan uit
Fagocytose.
Wat wordt onder fagocytose verstaan?
1/5 Vertering.
Zie figuur B 3901 en figuur B 3902 van de bijlage.
De afbeelding geeft een vereenvoudigd overzicht van de vertering van voedsel en opname van een aantal verteringsproducten in bloed- en lymfevaten. Niet alle namen van voedingsstoffen en hun verteringsproducten zijn ingevuld.
Niet ingevuld zijn onder andere de volgende twaalf namen van voedingsstoffen en verteringsproducten: fructose, galactose, glucose, glycerol, lactose, maltose, monoglyceride, linolzuur, lipiden, palmitinezuur, sacharose en zetmeel.
Geef aan in het schema in de uitwerkbijlage B 3902 waar deze twaalf namen moeten worden ingevuld.
afbeelding
afbeelding
2/5 Vertering.
Bij de hydrolyse van peptiden wordt een bepaald type chemische binding verbroken.
Teken de binding die bij deze omzetting wordt verbroken.
3/5 Vertering.
Sommige voedingsstoffen worden vanuit de dunne darm eerst in de lymfevaten opgenomen en vervolgens afgevoerd naar de grote bloedsomloop.
In welk van onderstaande bloedvaten worden deze voedingsstoffen het eerst aangetroffen?
4/5 Vertering.
Zie figuur B 3903 van de bijlage.
In de afbeelding is een dwarsdoorsnede van een darmvlok getekend. Drie delen zijn met de letters P, Q en R aangeduid.
Wat stellen de letters P, Q en R voor?
afbeelding
-
afbeelding
5/5 Vertering.
Over het transport van verteringsproducten in darmvlokken worden de volgende beweringen gedaan:
1. de verteringsproducten die in het bloed worden opgenomen, zijn in het algemeen beter oplosbaar in water dan verteringsproducten die in de lymfe worden opgenomen;
2. een deel van de verteringsproducten wordt via diffusie en een deel via actief transport uit dekweefselcellen van de dunne darm in het bloed opgenomen;
3. het al dan niet verzadigd zijn van de vetzuren bepaalt of deze in de lymfe of in het bloed worden opgenomen.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
Vertering bij de mens.
In het menselijk lichaam treedt vertering op.
Waar?
Steentjes bij hoenderen.
Veel hoenderachtigen slikken met hun voedsel vaak kleine steentjes in.
Waar dient dit voor?
Inhoud van de dunne darm.
Uit een analyse van de inhoud van de dunne darm van een dier blijkt deze te bevatten: glycerol, di- en tripeptiden, aminozuren en polypeptiden.
Wat is de meest waarschijnlijke conclusie die uit deze analyse getrokken kan worden?
Bacteriën in het spijsverteringskanaal.
Onderzoekers nemen een monster vloeistof uit het spijsverteringskanaal van een mens. Het monster wordt in een petrischaaltje gegoten, waarna er vele soorten bacteriën bij worden gevoegd. Na een paar dagen blijken de bacteriën dood te zijn.
Uit welk deel van het spijsverteringskanaal kwam het monster?
Uit de ,
Kleuring met jodium.
Op elk van vier weinig zetmeelhoudende voedingsbodems wordt één van de volgende vier oplossingen gebracht:
1. een verse honing-oplossing;
2. een speeksel-oplossing;
3. een stuifmeel-oplossing;
4. een pepsine-oplossing.
Welke twee oplossingen hebben de kleinste kans om de voedingsbodem blauw te laten kleuren met jodium?
Analyse.
Bij de analyse van een voedingsmiddel zijn de volgende herkenningsreacties positief: jood-kaliumjodide, Haines reagens, joodzinkchloride en biureet.
afbeelding
Welk alternatief in de tabel hierboven geeft correct aan welke voedingsstoffen in dit voedingsmiddel aanwezig zijn? ( + = aanwezig, - = afwezig)?
Dat is alternatief .
1/3 Regulatie van maagsapsecretie.
Zie figuur A 1216 van de bijlage.
De secretie van maagsap wordt door verschillende factoren beïnvloed. In de afbeelding hiernaast is een aantal van deze factoren weergegeven.
Als impulsen via een bepaalde zenuw X de maag bereiken, neemt de afgifte van maagsap toe.
Tot welk zenuwstelsel kan die zenuw X worden gerekend?
Tot het zenuwstelsel.
afbeelding
3/3 Regulatie van maagsapsecretie.
Per etmaal wordt 3 tot 4 liter maagsap afgegeven dat onder andere water, HCl en pepsinogeen bevat.
In de maagholte wordt pepsinogeen omgezet in het actieve enzym pepsine.
Pepsinogeen is in tegenstelling tot pepsine niet in staat tot hydrolyse van voedingstoffen.
Over de afgifte van pepsinogeen als inactief pepsine worden de volgende beweringen gedaan:
1. hierdoor wordt voorkomen dat eiwitten van de maagwandcellen worden gehydrolyseerd,
2. hierdoor wordt voorkomen dat vetten van de maagwandcellen worden gehydrolyseerd,
3. hierdoor wordt voorkomen dat het DNA van de maagwandcellen worden gehydrolyseerd.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
Reacties met amylase.
Als men op amylase respectievelijk de biureetreactie, de reactie met jodium en de Haines reactie uitvoert, treedt er wel (+) of niet (-) een kleuromslag op.
afbeelding
Welke van de bovenstaande schema's is juist?
Schema .
Vertering bij koeien.
Koeien hebben een bloedvatenstelsel dat in principe overeenkomt met dat van een mens.
Ook de manier waarop een koe met de voedingsstoffen in het lichaam omgaat is vergelijkbaar.
Alleen heeft de koe niet één maag, maar vier magen.
In de eerste maag leven veel reducenten als bacteriën en eencelligen van het gras.
De laatste maag heeft een functie die gelijk is aan de maag van een mens.
Over een koe en de producten die de mens via de koe verkrijgt, worden de volgende beweringen gedaan:
1. In graskaas komen de graseiwitten voor.
2. Eiwitten in het vlees van een koe zijn voor een deel opgebouwd uit aminozuren afkomstig van eiwitten van eencelligen.
3. Bacteriële cellulases verhogen de opbrengst van de vertering van gras.
4. Verhoging van het eiwitgehalte van het voer van een koe leidt tot verlaging van de ammoniakproductie door bacteriën in de uitwerpselen.
5. Proteïnases zijn betrokken bij de vertering in het darmkanaal van een koe.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
Onderkaken.
Zie figuur B 5838 van de bijlage.
Nevenstaande tekeningen zijn afbeeldingen van het linker zijaanzicht van de onderkaken van vier soorten zoogdieren (niet op dezelfde schaal getekend).
Hierbij is 1 de schedel van een
;
2 de schedel van een
;
3 de schedel van een
;
4 de schedel van een
.
afbeelding