Oefentoets Biologie: Gedrag - Voeding | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 15 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

15

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

1/2 In de nesten zitten.
Zie figuur B 1328 van de bijlage.

Koereigers leggen eieren met tussenpozen van 1 tot 2 dagen en beginnen meteen na het leggen van het eerste ei met broeden.
Het gevolg is dat de jongen in grootte verschillen als alle eieren zijn uitgekomen.
De eerst-uitgekomen jongen kunnen hierdoor het grootste deel van het door de ouders aangevoerde voedsel bemachtigen.
Daardoor neemt het verschil in grootte van de jongen nog meer toe. Het komt voor dat de kleinste jongen door hun oudere nestgenoten uit het nest worden gewerkt of dood worden gepikt. De oudervogels grijpen daarbij niet in. In de figuur is een koereiger met een nest jongen weergegeven.
Een onderzoeker veronderstelt dat het - in verband met de energie-investering - voor koereigerouders een voordeel is om gewoonlijk slechts een of twee jongen groot te brengen en alleen in tijden van voedselovervloed drie of vier jongen.
De onderzoeker verwisselt de eieren uit een aantal koereigernesten zonder dat de koereigers het merken. Hij maakt drie typen nesten met elk evenveel eieren:

type 1: nesten waarin alle jongen tegelijk uitkomen,
type 2: nesten waarin de jongen met de gebruikelijke tussenpoos van 1 tot 2 dagen uitkomen (controlegroep),
type 3: nesten waarin de jongen met 3 dagen tussenpoos uitkomen.

Vervolgens registreert de onderzoeker hoeveel voedsel de ouders naar het nest brengen en hoeveel jongen er van ieder nest uitvliegen.
Hij vergelijkt de jongen in de nesten van type 1 en die in de nesten van type 2. Tien dagen na het uitkomen van het eerste ei blijken er verschillen te zijn tussen de jongen in deze nesten.

Noem twee verschillen tussen de jongen in een nest van type 1 en in een nest van type 2 die op dat tijdstip te verwachten zijn.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 In de nesten zitten.

De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in de tabel hieronder
afbeeldingafbeelding

De onderzoeker berekende op grond van deze gegevens de ouderlijke efficiëntie. De ouderlijke efficiëntie is het aantal uitgevlogen jongen gedeeld door het volume voedsel dat per dag naar het nest wordt gebracht, maal 100.

Leg uit met behulp van berekeningen van de ouderlijke efficiëntie welke situatie - die van nesttype 1, 2 of 3 - voor koereigers het meeste voordeel biedt in verband met de energie-investering.
Neem aan dat bij alle nesten evenveel voedsel op dezelfde afstand van de nesten beschikbaar is.

Gedrag

1/6 Spreeuwen.
Zie figuur B 2226 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
Op het eiland Schiermonnikoog is onderzoek gedaan naar het foerageergedrag (= voedselzoekgedrag) van spreeuwen tijdens het broedseizoen. De ligging van de nestkasten waarin het onderzoek is uitgevoerd, is weergegeven in de afbeelding.
De spreeuwen voeren hun jongen voornamelijk met twee prooisoorten: emelten (= larven van langpootmug) en bruine rupsen. De emelten leven vooral in de weilanden van de polder en worden dichtbij de spreeuwennesten gevonden. De rupsen leven op de kwelder die verder van de nestkasten is verwijderd. Rupsen zijn moeilijker te vinden dan emelten. Jonge spreeuwen die uitsluitend met emelten worden gevoerd, krijgen diarree. Onderzoekers verzamelden gegevens over het verband tussen de hoeveelheid emelten die spreeuwenouders naar hun jongen brengen en het aantal jongen in het nest. De energie-inhoud van emelten is ongeveer gelijk aan die van bruine rupsen. De gegevens van negen nestkasten zijn opgenomen in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm

Gedrag

2/6 Spreeuwen.
Zie figuur C 148 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding

Bereken de energie-aanvoer per jong per dag in relatie tot het aantal jongen per nestkast.
Geef de resultaten weer in een staafdiagram. Gebruik daarvoor het assenstelsel op het millimeterpapier van de figuur C 148 van de bijlage. Kies daarbij een geschikte schaalverdeling.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

3/6 Spreeuwen.

Het percentage emelten in het voedselaanbod neemt toe naarmate het aantal jongen per nestkast toeneemt.

Geef hiervoor een verklaring.

Gedrag

4/6 Spreeuwen.
Zie figuur C 145 van de bijlage.

Een onderzoekster maakt een diagram waarin de relatieve tijdsbesteding van een ouderspreeuw is weergegeven bij verschillende aantallen jongen per nestkast (= legselgrootte). Zij onderscheidt als activiteiten: foerageren in de kwelder, foerageren in de polder, poetsen/baden, vliegen. Al deze activiteiten vinden bij daglicht plaats. In de afbeelding zijn drie diagrammen weergegeven.

Welk van deze diagrammen geeft de relatieve tijdsbesteding van een ouderspreeuw bij toenemende legselgrootte juist weer?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

5/6 Spreeuwen.

Een jong uit een legsel met zeven jongen heeft meer kans om vóór het uitvliegen te overlijden dan een jong uit een legsel met drie jongen.

Geef hiervoor twee oorzaken op basis van bovenstaande gegevens.

Gedrag

6/6 Spreeuwen.
Zie figuur B 2227 van de bijlage.

In de afbeelding zijn de resultaten van een experiment over de voedselkeuze van spreeuwen weergegeven. Er werden twee voertafels op gelijke afstand van de nestkasten gebruikt: op de ene voertafel werden steeds alleen emelten aangeboden in dezelfde hoge dichtheid, op de andere voertafel werden alleen rupsen aangeboden in wisselende dichtheid.
Verwacht werd dat er een lineair verband zou bestaan tussen de aantallen aangeboden prooidieren en de keuze van de spreeuwen voor emelten of rupsen. De uitkomst van het experiment stemde echter niet overeen met de verwachte resultaten (zie de afbeelding).

Vergelijk de verschillen tussen de verwachte en de gevonden resultaten. Trek daaruit een conclusie over de keuze van de soort prooidieren.
En trek een conclusie uit de vergelijking van de verhouding tussen de aantallen aangeboden en de aantallen opgepikte prooidieren.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/2 Zeevogels.
Zie figuur B 1295 van de bijlage.

Twee soorten vogels zijn de Alk en de Zeekoet. Beide soorten nestelen op rotswanden aan zee. Alken nestelen apart in holten in de rots of in kleine grotten. Zeekoeten maken met grote aantallen tegelijk hun nesten op richels. Beide soorten zijn viseters en zolang de jongen in het nest verblijven, voeren de ouders de jongen met vis.

Tekening 1 in de afbeelding toont een alk met jong bij het voeren. De ouder staat met een aantal vissen in de snavel en het jong pikt de vissen er één voor één uit.
Tekening 2 in de afbeelding toont een zeekoet met jong bij het voeren. De ouder buigt zich over het jong en laat een vis met de staart naar voren uit zijn snavel glijden. Het jong pakt de vis, draait hem om en slikt hem, de kop eerst, naar binnen. Deze manier van voeren is waarschijnlijk een aanpassing aan het nestelen op overvolle rotsranden.

Onderzoekers legden eieren van een alk in het nest van een zeekoet. Na enige tijd bleken de jonge alken die uit deze eieren kwamen, te zijn gestorven door ondervoeding, hoewel de zeekoeten ze wel probeerden te voeren.

Leg dit onderzoeksresultaat uit op grond van de bovenstaande informatie over de gedragspatronen van alken en zeekoeten.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Zeevogels.

Variant:
Wat kan als controleproef of blancoproef zijn bestudeerd?

Gedrag

1/4 Speeksel.
Zie figuur B 2827 van de bijlage

Tekst:
De Rus Pavlov was één van de belangrijkste grondleggers van het onderzoek naar het mechanisme van leren.
In zijn meest bekende experimenten met honden bestudeerde hij de processen die een rol spelen bij de voedselopname. Daarbij onderzocht hij aanvankelijk in hoeverre de reflexmatige afscheiding van speeksel en maagzuur afhing van de aanwezigheid van voedsel.
In één van zijn latere proefseries werd het toedienen van voedsel telkens voorafgegaan door een geluidssignaal. Bij de aanvang van zo'n experiment scheidde het proefdier enige tijd na de voedseltoediening speeksel af [=fase 1]. Wanneer het proefdier herhaalde malen was geconfronteerd met een geluidssignaal - dat altijd werd gevolgd door de aanbieding van voedsel - werd na kortere tijd speeksel afgescheiden, al voordat er voedsel was aangeboden [=fase 2]. Wanneer zo'n proefdier ten slotte alleen het geluidssignaal te horen kreeg zonder dat voedselaanbieding volgde, werd speeksel afgescheiden op dezelfde wijze als tijdens de voedselaanbiedingen [= fase 3].
Het proces waarbij in een dier een verbinding wordt gelegd tussen een bestaande onvoorwaardelijke reflex (speekselafscheiding door voedsel in de bek) en een willekeurige nieuwe prikkel (geluidssignaal) noemde Pavlov conditioneren. Conditioneren volgens Pavlov wordt ook wel klassiek conditioneren genoemd.
afbeeldingafbeelding
In tekening 1 van afbeelding B 2827 is de proefopstelling van Pavlov schematisch weergegeven. Klassiek conditioneren lukt meestal alleen wanneer de geconditioneerde prikkel, in dit geval het geluidssignaal (S), na zeer korte tijd wordt gevolgd door de niet-geconditioneerde prikkel, in dit geval het voedsel (V). De reflexmatige reactie, in dit geval de speekselafscheiding, wordt de respons (R) genoemd. Tekening 2 van de afbeelding geeft het verband weer tussen het tijdsinterval S-V en de mate van de conditionering.

Zie volgende scherm

Gedrag

2/4 Speeksel.
Zie figuur B 2828 en figuur B 2829 van de bijlage.

De handelingen en waarnemingen in de opeenvolgende fasen in de conditioneringsexperimenten van Pavlov kunnen schematisch worden weergegeven.

In afbeelding B 2828 is fase 1 getekend, zoals die in de tekst is beschreven.
In afbeelding B 2829 zijn de fasen 2 en 3 uit de tekst voor een deel getekend.

In tekening 1 van de afbeelding B 2829 ontbreekt het moment waarop het voedsel wordt gegeven (V). In tekening 2 van de afbeelding B 2829 ontbreekt het moment waarop de hond speeksel gaat afgeven (R).

Zie afbeelding B 2829 op je antwoordblad.
Teken in tekening 1 het moment waarop het voedsel wordt gegeven (V) in een juiste tijdrelatie tot S en R.
Teken in tekening 2 het moment waarop de hond speeksel gaat afgeven (R) in een juiste tijdrelatie tot S.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag

3/4 Speeksel.

Mensen produceren twee typen speeksel afhankelijk van het voedsel dat ze consumeren.
De tabel hieronder bevat informatie over de samenstelling van deze twee typen speeksel (I en II).
afbeeldingafbeelding

Gesteld wordt dat zonder voedsel in je mond het geproduceerde speeksel een mengsel is van speeksel van type I en type II. Thiocyanaat in speekseltype II kun je aantonen met een oplossing van een ijzerzout: thiocyanaat + ijzerzout levert een oranje kleur op. De concentratie thiocyanaat bepaalt de mate van kleuring die van lichtoranje naar donkeroranje loopt.

Bij het kauwen van kauwgum wordt speeksel geproduceerd waarin relatief veel speekseltype II voorkomt. Je gaat een opzet maken voor een proef waarmee je dit aantoont. Het is niet mogelijk om de beide geproduceerde speekseltypen gescheiden op te vangen.
Je hebt kauwgum om op te kauwen en je hebt de beschikking over glaswerk, waaronder reageerbuizen, en een druppelflesje met ijzerzoutoplossing. Je mag aannemen dat deze kauwgom geen stoffen bevat die invloed op de proef hebben.

Beschrijf de opzet en uitvoering van de proef.
Beschrijf het verwachte resultaat van de proef en de conclusie die je daaruit trekt.

Gedrag

4/4 Speeksel.

In een bepaalde populatie komen bij 84% van de individuen met de bloedgroepantigenen A en/of B deze antigenen ook voor in het speeksel. Men noemt deze mensen ‘secretors'.
Bij 16% van de individuen met de bloedgroepantigenen A en/of B komen die antigenen niet in het speeksel voor. Men noemt deze mensen ‘non-secretors'. Het secretorgen (E) is dominant over het non-secretorgen (e).
E en e zijn niet X-chromosomaal en erven onafhankelijk van de ABO-bloedgroepgenen over.
Op deze populatie is de Hardy-Weinberg regel van toepassing.
De verdeling van de bloedgroepen in deze populatie is gegeven in de tabel hieronder. Tevens is vermeld door welk genotype de bloedgroep bepaald wordt.
afbeeldingafbeelding

In een gezin hebben de vader en de moeder bloedgroep AB. Ze zijn beiden secretor. Zij krijgen samen een kind.

Bereken hoe groot de kans is dat dit kind non-secretor is en tegelijk bloedgroep A heeft.

Gedrag

Nonnetjes.
Zie figuur B 4712 van de bijlage.

Nonnetjes kunnen op verschillende dieptes in de bodem worden aangetroffen.
Hun foerageergedrag is aangepast aan de diepte en predatiedruk.
De nonnetjes die dieper ingegraven zijn, zuigen het zeewater op en filteren daar voedsel uit (nummer 1 in de afbeelding).
Nonnetjes dichter bij de oppervlakte kunnen met hun sifon de bodem afgrazen (nummer 2 in de afbeelding).
Uit het onderzoek blijkt dat het type foerageergedrag invloed heeft op de overlevingskans van het nonnetje op een bepaalde plaats op het wad.

Beredeneer onder welke omstandigheid een bepaald type foerageergedrag de overlevingskans van het nonnetje vergroot.

afbeeldingafbeelding