Oefentoets Biologie: Hormoonstelsel - suikerregeling | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 22 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

22

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Hormoonstelsel

Glucoseconcentratie van het bloed.
Zie figuur C 92 en figuur B 1109 van de bijlage.

In diagram 1 van afbeelding B 1109 is weergegeven hoe de glucoseconcentratie van het bloed van iemand varieerde gedurende een etmaal. Tevens is aangegeven op welke tijden deze persoon een maaltijd nuttigde.
Gedurende hetzelfde etmaal is de concentratie van hormoon P in het bloed van deze persoon gemeten.
Hormoon P speelt een rol bij de regeling van de glucoseconcentratie van het bloed.
In diagram 2 van afbeelding B 1109 zijn de gemeten waarden uitgezet. Ook hier is weer aangegeven op welke tijden deze persoon een maaltijd nuttigde.

Geef de naam van hormoon P.

Dit hormoon is [invulveld]

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Glucosegehalte.

Hieronder zijn drie hormonen genoemd die het glucosegehalte van het bloed kunnen beïnvloeden:

1. glucagon,
2. adrenaline,
3. insuline.

Door welk(e) van deze hormonen kan het glucosegehalte van het bloed direct worden verlaagd?

Hormoonstelsel

Insuline.

Insuline heeft invloed op de omzetting van glucose in glycogeen en op de opname van glucose in cellen.

Hoe veranderen deze processen bij verhoging van het insulinegehalte van het bloed?

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Glucosegehalte.
Zie figuur B 363 van de bijlage.

In het schema zijn 1, 2 en 3 hormonen die het glucosegehalte van het bloed beïnvloeden.

+ = stijging van het glucosegehalte.
- = daling van het glucosegehalte.

Welke is de juiste plaats in dit schema van adrenaline en welke van glucagon?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Glucosegehalte.
Zie figuur B 1109 van de bijlage.

In diagram 1 van de afbeelding is weergegeven hoe de glucoseconcentratie van het bloed van iemand varieerde gedurende één etmaal. Tevens is aangegeven op welke tijden deze persoon een maaltijd nuttigde.
Gedurende hetzelfde etmaal is de concentratie van hormoon P in het bloed van deze persoon gemeten.
Hormoon P speelt een rol bij de regeling van de glucoseconcentratie van het bloed.
In diagram 2 zijn de gemeten waarden uitgezet. Ook hier is weer aangegeven op welke tijden deze persoon een maaltijd nuttigde.

Welk hormoon is P?

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Glucosegehalte.
Zie figuur B 469 van de bijlage.

De afbeelding toont enkele organen van de mens met onder andere aan- en afvoerende bloedvaten.
P is een deel van de onderste holle ader en Q is een deel van de aorta. De bloedvaten R en S staan in verbinding met orgaan T. Orgaan T kan adrenaline afgeven.

Is de glucoseconcentratie van het bloed in bloedvat R lager dan, gelijk aan of hoger dan de glucoseconcentratie van het bloed in bloedvat S?

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Glucosegehalte.

Een proefpersoon krijgt adrenaline ingespoten in een ader van een arm.

In welk van de volgende bloedvaten zal het glucosegehalte onder invloed van dit adrenaline het eerst stijgen?

Hormoonstelsel

Glucosegehalte.
Zie figuur B 523 van de bijlage.

In het schema is weergegeven hoe in het lichaam van de mens voor een belangrijk deel het glucosegehalte van het bloed wordt geregeld. Met de cijfers 1 en 2 zijn organen aangegeven.
Een laag glucosegehalte van het bloed heeft tot gevolg dat orgaan 1 een grotere hoeveelheid van hormoon P afgeeft. Op dit hormoon reageert 2 met een verhoogde afgifte van glucose aan het bloed.

Welk hormoon is P?
Welk(e) orgaan (organen) zijn met 2 weergegeven?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Hormonale beïnvloeding.
Zie figuur B 2694 van de bijlage.

In de figuur stellen de cijfers de volgende processen voor:

1: de opbouw van glycogeen uit glucose in de lever,
2: de afbraak van glycogeen tot glucose in de lever,
3: afgifte van glucose van de lever aan het bloedvat,
4: opname van glucose door een spier uit het bloedvat,
5: de opbouw van glycogeen uit glucose in de spier,
6: de afbraak van glycogeen tot glucose in de spier.

Deze processen staan onder invloed van hormonen volgens onderstaand schema:

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Glucosegehalte.
Zie figuur B 394 van de bijlage.

Men meet het bloedsuikergehalte na een koolhydraatrijke maaltijd. Het verband tussen dit gehalte en de tijd is in het afgebeelde diagram weergegeven.

Van welk hormoon zal de hoeveelheid in het bloed toenemen bij de pijlen I en II?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Glucosegehalte.

Een verschijnsel van suikerziekte is een te hoog suikergehalte van het bloed.

Bij een proefdier kan men dit verschijnsel blijvend nabootsen door

Hormoonstelsel

Glucosegehalte.

Bij een persoon wordt geconstateerd dat op een bepaald ogenblik het glucosegehalte van het bloed in de leverader hoger is dan dat van het bloed in de poortader.
Er wordt verondersteld dat dit een gevolg kan zijn van:

1. een verlaagd adrenalinegehalte van het bloed;
2. een verhoogd glucagongehalte van het bloed;
3. een verhoogd insulinegehalte van het bloed.

Welke van deze veronderstellingen kan of welke kunnen juist zijn?

Hormoonstelsel

Glucosegehalte.

De afscheiding van glucagon en die van insuline staan onder invloed van het glucosegehalte van het bloed.

Wordt de afscheiding van insuline bevorderd door een stijging van het glucosegehalte van het bloed?
En de afscheiding van glucagon?

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Insuline.

Bepaalde cellen van de alvleesklier produceren het hormoon insuline.
Insuline speelt een rol bij de regeling van de hoeveelheid glucose in het bloed.

Waardoor wordt de hoeveelheid insuline, die op een bepaald moment aan het bloed afgegeven wordt, geregeld?

Hormoonstelsel

Glucose.

De haarvaten van de alvleesklier van de mens voeren het bloed af naar de poortader en niet rechtstreeks naar een holle ader.
Over het gevolg hiervan worden vier beweringen gedaan:

1. het glycogeengehalte van de lever kan zo gemakkelijker constant gehouden worden;
2. verandering in de hoeveelheid hormonen uit de alvleesklier geeft zo sneller effect op het glucosegehalte van het bloed.
3. de in de dunne darm geresorbeerde glucose komt zo sneller vanuit de alvleesklier in de lever;
4. de alvleesklier kan zijn hormoonproductie zo sneller aanpassen aan de hoeveelheid glucose die in de dunne darm geresorbeerd is.

Welke van deze beweringen is juist?

Hormoonstelsel

Snellere stofwisseling.

Een verhoging van de hoeveelheid thyroxine in het bloed van de mens leidt tot een hoger tempo van de stofwisseling en dus tot een groter verbruik van brandstof. Wanneer er hierdoor enig tekort aan brandstof ontstaat, wordt door het bloed meer brandstof aangevoerd. Dit is een gevolg van het feit dat dan een ander hormoon in versterkte mate wordt afgegeven.

Welk van de onderstaande hormonen is dat waarschijnlijk?

Hormoonstelsel

Glucose.

In het lichaam van de mens wordt de glucoseconcentratie in het bloed geregeld door hormonen. Bij een vrouw is op een bepaald moment de glucoseconcentratie in het bloed hoger dan normaal. Als reactie daarop produceert haar lichaam meer van een bepaald hormoon waardoor de glucoseconcentratie niet blijft stijgen.

Van welk hormoon neemt de productie toe zodat de glucoseconcentratie niet te sterk stijgt?

Hormoonstelsel

Glucagon.
Zie figuur B 3051 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch weergegeven wat er in de lever van de mens kan gebeuren met glucose die in de dunne darm uit het voedsel wordt opgenomen.

Welke van de processen 1, 2, 3 en 4 worden door glucagon bevorderd?

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Invloed van insuline.

Vier processen in het lichaam van de mens zijn:

1. glycogeenvorming in lever en spieren,
2. resorptie van glucose uit de dunne darm in het bloed,
3. vertering van zetmeel in de twaalfvingerige darm,
4. vetafbraak in de lever.

Welk van deze processen wordt door insuline gestimuleerd?

Hormoonstelsel

Weefseltransplantatie.
Zie figuur C 390 van de bijlage.

Type-1 diabetes is een auto-immuunziekte, waarbij de patiënt antistoffen maakt tegen de eigen cellen van de eilandjes van Langerhans. Omdat bij veel patiënten dit type diabetes zich op jonge leeftijd ontwikkelt, wordt ook wel gesproken over jeugddiabetes. In de diagrammen hieronder is tijdstip P het moment dat de auto-immuunziekte begint. Hierdoor veranderen de concentraties glucose en insuline in het bloed.

Welk van de diagrammen geeft op de juiste manier weer hoe de concentraties glucose en insuline in de maanden volgend op tijdstip P veranderen als er niet ingegrepen wordt?

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Sport.
Zie figuur C 83 van de bijlage.

Drie hormonen zijn: adrenaline, glucagon en insuline.

Onder invloed van welke van deze hormonen wordt glycogeen omgezet in glucose?

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Jeugddiabetes.

Tekst:
Bij jeugddiabetes valt het afweersysteem van de patiënt de eigen zogeheten bètacellen van de eilandjes van Langerhans aan.
Deze cellen, die het hormoon insuline produceren, sterven langzaam af. Hierdoor kan de glucoseconcentratie te veel gaan schommelen.
Om de effecten daarvan tegen te gaan zijn insuline-injecties noodzakelijk.
Op den duur kunnen de bloedvaten aangetast worden, wat onder andere complicaties kan geven voor de nieren.
Dit maakt dialyse en niertransplantatie noodzakelijk.
Een van de problemen na transplantatie is dat de donornieren naderhand ook weer achteruitgaan door de diabetes.
Daarom wordt bij diabetespatiënten een niertransplantatie sinds 1986 gecombineerd met een alvleeskliertransplantatie.
In de meeste gevallen zijn de patiënten dan niet meer afhankelijk van insuline-injecties en dialyse.
Een aantal van de patiënten verliest echter na enige tijd de alvleesklier doordat het lichaam het vreemde orgaan afstoot.
Deze patiënten waren beter af geweest als alleen de eilandjes van Langerhans getransplanteerd waren.
De eilandjes van Langerhans maken namelijk slechts één procent uit van het totale gewicht van de alvleesklier.
Bij een transplantatie van de gehele alvleesklier wordt dus in feite 99 procent teveel getransplanteerd.
Het isoleren van de eilandjes van Langerhans gebeurt met verteringsenzymen die de eilandjes losmaken van het omringende alvleesklierweefsel.
Daarna worden ze gezuiverd en ten slotte onder plaatselijke verdoving in de poortader geïnjecteerd.
Ze blijven steken in de kleine bloedvaten van de lever. Hebben ze zich daar eenmaal genesteld, dan kunnen ze insuline afgeven aan het bloed.

bewerkt naar: Kreutzer, Biologie voor de bovenbouw, 5H, 1994

Wat is voor de eilandjes van Langerhans de prikkel voor het afgeven van insuline aan het bloed?



-